De cybercultuur dreigt een tweedeling in de maatschappij te veroorzaken. Dat beweert Mark Dery in ?Het Digitale Lichaam?.
...

De cybercultuur dreigt een tweedeling in de maatschappij te veroorzaken. Dat beweert Mark Dery in ?Het Digitale Lichaam?.De technofielen voorspellen het paradijs op aarde, de technofoben zien eerder de hel naderen. Intussen heeft de computerrevolutie haar hoogtepunt nog lang niet bereikt. Het automatiseren van de arbeid, het uitbouwen van de informatiesnelweg, maar ook het vermengen van het biologische met het machinale, via onder andere robots en genetische manipulatie, gaan onverminderd door. De Amerikaanse cultuurfilosoof Mark Dery bestudeerde deze verschijnselen jarenlang nauwgezet en onderzocht welke gevolgen de zogenaamde ?cybercultuur? heeft voor ons mensbeeld. Achter de hallelujah-kreten over de overwinning van de geest op het vlees, de aanstaande onsterfelijkheid en de afschaffing van de arbeid bespeurde hij een ouderwetse, christelijke afkeer van het lichaam. Bovendien zal, volgens hem, de nieuwe welvaart en de oceaan van vrije tijd slechts bestemd zijn voor een elite. De rest van de bevolking, die vroeger slechts interessant was vanwege haar koop- en arbeidskracht, blijkt nu ook steeds meer een welkom reservoir van reserveorganen voor de rijken. De technofanaten die zich blindstaren op de zegeningen van het nieuwe cybertijdperk vergeten dat de sociale tegenstellingen van vandaag morgen alleen maar scherper zullen zijn. Blik op een ?Heerlijke Nieuwe Wereld?, die misschien niet in alle opzichten en voor iedereen zo heerlijk zal blijken te zijn. In zijn boek ?Het Digitale Lichaam? maakt Mark Dery veel van zijn bedoelingen duidelijk aan de hand van SF-romans van veteranen als Philip Dick, Jim Ballard en Michael Moorcock en hun jeugdige adepten als K.W. Jeter en William Gibson. Laatstgenoemde introduceerde trouwens termen als ?cybercultuur? en ?cyberpunk.? Dery stapt met gemak over van zware filosofische en psychologische werken naar publieksfilms als ?Terminator 2? en ?Blade Runner?. Sigmund Freud en Jacques Lacan staan broederlijk naast Arnold Schwarzenegger en Harrison Ford. Ook in de tijd switcht Dery veelvuldig van het ene tijdperk naar het andere. Van elk onderwerp geeft hij niet alleen een blik op de toekomst, maar ook de historische dimensie. Deze brede opzet maakt ?Het Digitale Lichaam? niet alleen zeer leesbaar, maar ook zeer verhelderend. De filosofen van het Internet presenteren de nieuwe technologie als dé kans op het vormen van een nieuwe gemeenschap. Staat de eenzaamheid van de man of vrouw, die de hele dag thuis voor het beeldscherm van de computer zit, daarmee niet in schril contrast ? MARK DERY : Er zijn in sociaal opzicht wel positieve kanten aan het Internet. Ik zie, bijvoorbeeld, dat al die discussiegroepen op het Net in zekere zin leiden tot het opnieuw ontstaan van het oude salon, het achttiende-eeuwse koffiehuis uit de tijd van de Verlichting, waar ook over tal van onderwerpen werd gedebatteerd. Toch voert de cybercultuur vooral naar een zich opsluiten. Wie voor zijn werk en plezier steeds afhankelijker wordt van de computer, zondert zich af en trekt zich terug in zijn huis. Er zit een sterke asociale component in de cybercultuur. Niet toevallig ook is de computerrevolutie in gang gezet door mannen die meestal een beetje sociaal gestoord waren. Het type dat op de middelbare school de wiskundeleraar verraste door zijn geniale uitspraken en de gymnastiekleraar tot wanhoop bracht door zijn slechte sportprestaties en gebrek aan teamgeest. In films wordt de computerfreak voorgesteld als een te magere of te dikke jongeman met een hoornen bril op zijn neus, een stotteraar die liever computerspelletjes speelt dan met meisjes uitgaat. Dat is een cliché, maar het bevat wel een aardige kern van waarheid. Vluchten ze in de computer om aan hun lichaam te ontsnappen ? DERY : Absoluut, en niet alleen aan hun lichaam, waarin ze zich zo ongemakkelijk voelen, maar ook aan de dingen die je met dat lichaam doet, vooral seks. De computer fungeert in zekere zin als een vervanging van de vrouw. Kijk maar hoezeer het technische jargon van de computerindustrie doordrongen is van seksuele dubbelzinnigheid : Floppy Disk, Hard Drive, Input/Output en wat te denken van Joystick ? Veel conservatieven zien in het Internet nochtans een instrument van perverten. Ze doen het voorkomen alsof er hoofdzakelijk kinderporno mee wordt uitgewisseld. U bewijst met cijfers dat dit niet waar is, maar als dit niet de echte reden is voor de haat van de conservatieven, wat dan wel ? DERY : Er zit een bevrijdende kant aan seks op het Internet. Omdat cyberseks voorlopig nog vooral uit woordspelletjes bestaat, kan niemand de deelnemers zien. Veel mannen, maar ook sommige vrouwen, doen zich in hun e-mail voor als iemand van het andere geslacht. Ze beleven daaraan een enorm plezier, al is dit dan ook vooral emotioneel, en verbreken hiermee misschien enkele van de knellende conventies die hen zijn opgelegd door de conservatieve moraal. Laten we niet vergeten dat de afschuw van het lichaam vooral het vrouwelijke diep geworteld is in de christelijke traditie. De aanhangers van die traditie vrezen dit bevrijdende aspect. Vandaar dat de roep om regulering van het Internet vooral uit die hoek weerklinkt. Maar veel verder dan tot een veredelde vorm van masturbatie komt cyberseks niet. Contact met een ander is afwezig of minimaal. DERY : Zelfs de toekomstvisioenen op dit vlak komen nooit boven het onanieniveau uit. Zo bestaat er het concept voor een soort duikerspak dat de participant geheel omsluit. Aan de binnenkant bevat het talloze elektrische contacten die worden aangesloten op de huid van de gebruiker. Zo kan deze alles wat hij in zijn virtual-realityhelm voor zich ziet, tegelijk voelen en ruiken. Afgezien van het feit dat er technisch wel eens wat mis zou kunnen gaan, lijkt het probleem hierbij dat je nooit zeker weet of wat je voelt wel dat is wat je denkt dat het is. Misschien dat de gebruiker het idee heeft dat hij met Madonna vrijt, terwijl hij in werkelijkheid de in een geheugenbank opgeslagen impulsen doorkrijgt van een vent die met een geit bezig is. In het echt is dit soort bedrog overigens al gepleegd. In Finland ontwikkelden enkele computerfreaks een programma voor Texsex dat LULU heet. De geheugenbank van het programma was zo enorm dat het precies wist wat het moest antwoorden wanneer het een vraag kreeg van een Internetgebruiker. LULU kon mannen het hoofd volledig op hol brengen beter dan een echte vrouw dat via het Internet zou kunnen doen en geen enkele gebruiker wist dat hij in werkelijkheid met een machine bezig was. Cyberseks is in het aidstijdperk misschien wel de veiligste vorm van seks, maar de cyberiaan heeft tegelijk de minste controle over zijn seks. In cybermanifesten wordt voortdurend gerept over de aanstaande vermenging van mens en machine, maar betekenen ontwikkelingen als het ideale gezicht volgens de computer en genetische manipulatie niet juist de kolonialisering van het lichaam ? DERY : De terreur van de ideale maten is alleen maar erger geworden sinds de computersimulatie zijn intrede heeft gedaan. Steeds meer vrouwen, maar ook al mannen, worden het slachtoffer van dieet- en fitnessrages en plastische chirurgie. In mijn boek beschrijf ik verscheidene excessen hiervan, zoals de vrouw die twintig operaties onderging om letterlijk op een Barbiepop te lijken. Toen ze in Californië kwam wonen, was ze zeer teleurgesteld, omdat er op straat al zoveel Barbiepoppen liepen dat ze niets uitzonderlijks bleek te zijn. Er is ook het geval van de Franse performancekunstenares Orlan. Zij laat zich op het podium opereren. Omdat ze slechts plaatselijk wordt verdoofd, kan ze ter plekke commentaar leveren op wat er met haar gebeurt. Ze laat zich opereren met de bedoeling het ?Ideale Gezicht? te krijgen. Haar performance heeft ook veel weg van een verkooptruc : het overtollige vet dat van haar lichaam wordt gesneden, wordt zelfs aan het publiek verkocht, als een soort relikwie. Het lichaam als handelswaar, is dat niet symbolisch voor de kolonialisering van het lichaam ? Vroeger had men slechts behoefte aan iemands arbeidskracht, aan het geheel van het lichaam. Nu is het ook interessant als opslagplaats van reserveonderdelen. DERY : Om iemand quasi-onsterfelijk te maken, is er behoefte aan reserveorganen die kunnen worden geïmplanteerd in de plaats van de oude. Je kan een versleten hart vervangen door een kunstmatig en er wordt ook inderdaad hard gewerkt aan de constructie van een elektrisch hart. Voorlopig staat de Cyborg, het wezen dat half mens, half machine is, echter nog ver van ons af. Dankzij genetische manipulatie is men wel al steeds beter in staat andere menselijke organen te transplanteren. Het hart van een baviaan of de lever van een varken nemen is daarvoor zeer geschikt, maar menselijke organen zijn altijd beter. De huidige illegale handel in organen zal, volgens mij, in de volgende eeuw dan ook alleen maar toenemen. De kolonialisering van het lichaam kun je bezien in termen van eerste wereld tegenover derde wereld. Het zijn toch vooral Indiase nieren en Braziliaanse hoornvliezen die momenteel worden verhandeld ten behoeve van rijke klanten in Europa en Amerika. Je kunt het echter ook in een veel breder verband beschouwen. De dictatuur van het ideale uiterlijk, de handel in organen, het overgeleverd zijn aan de grillen van de medische wetenschap, de anonieme cyberseks het zijn stuk voor stuk tekenen aan de wand dat we steeds minder zeggenschap hebben over ons eigen lichaam, noch over zijn uitzicht, noch over zijn samenstelling, noch wat er mee wordt gedaan. Dat is volgens mij ook de diepere betekenis voor de hausse aan horrorfilms waarmee we nu al decennia worden geconfronteerd. De emmers bloed en braaksel die in elk film figuurlijk over ons worden uitgestort illustreren zowel onze walging van het lichaam als de angst voor de toekomst ervan. De overwinning van de geest op het lichaam, zoals die in veel cybermanifesten wordt bejubeld, is dus veeleer een nederlaag van dan een overwinning op onszelf ? DERY : Dat bejubelen van de geest en verguizen van het lichaam komt voort uit een ver doorgedreven dualisme dat ten tijde van Descartes voor de eerste keer echt vorm heeft gekregen. Wij denken altijd in tegenstellingen. Tegenover denken staat doen, tegenover geest staat lichaam, tegenover ratio staat gevoel en ga zo maar door. Aangezien de vrouw als lichamelijker wordt ervaren dan de man, wordt zij vereenzelvigd met eigenschappen als zachtheid en gevoeligheid en de man met hardheid en rationaliteit. In werkelijkheid zijn die tegenstellingen niet zo scherp. Er bestaat niet zoiets als puur intellect of zuivere lichamelijkheid. De cyberdroom van een geest die verandert in zuivere informatie en in de vorm van bits en bytes opgaat in het wereldwijde Net is een illusie. Uiteindelijk zit er altijd een mens van vlees en bloed voor dat beeldscherm. In mijn boek vergelijk ik de film ?Synners?, waarin deze illusie wordt vorm gegeven, dan ook met een scène uit William Burroughs roman ?Naked Lunch?. Op een gegeven moment schrijft Burroughs : ?Ik had in geen jaar meer een bad genomen, van kleren veranderd of ze zelfs maar uitgedaan, tenzij om elk uur een naald te prikken in de vezelige, grijze huid van mijn terminale verslaving.? Die scène lijkt exact op een scène uit ?Synners?, waarin de hoofdpersoon als een uitgemergeld skelet aan zijn terminal zit, terwijl zijn geest uitzwermt over het Net. De junk wil net als de cyberiaan aan zijn lichaam ontsnappen, maar het lukt hem niet. Ik vind het heel toepasselijk dat ze beiden gebruiker worden genoemd. Die weg moeten we niet gaan, in de plaats daarvan zullen we moeten leren ons lichaam opnieuw te waarderen voor wat het is. Uw collega Kevin Kelley schreef met ?Out of Control? een loflied op de cybercultuur. Als men hem een ?technofiel? noemt, kan men u dan als ?technofoob? beschouwen ? DERY : Ik ben zeker geen technofoob. Ik zie heus wel de voordelen van technologische vooruitgang, maar ik behoor niet tot die grote groep die meent dat de technologie alle problemen kan oplossen. Het is typisch Amerikaans zo'n heilig ontzag voor de techniek te koesteren. Vandaar ook dat je zoveel voormalige revolutionairen en hippies uit de jaren zestig onder de cyberianen van de jaren negentig aantreft. Ogenschijnlijk wilden ze destijds terug naar de natuur, maar in werkelijkheid geloofden bijna al deze figuren in de psychedelische revolutie, waarbij ze zich baseerden op een chemisch product van de farmaceutische industrie. Ze wilden in wezen een revolutie van vooral het eigen bewustzijn, niet van de sociaalpolitieke verhoudingen. Timothy Leary, de grote propagandist van LSD, deed de laatste jaren van zijn leven compleet lyrisch over het Internet en was, toen hij aan terminale prostaatkanker leed, zelfs van plan euthanasie te plegen op het Net, wat hij uiteindelijk toch niet durfde. Wat we bij al de bewondering voor de nieuwe techniek dreigen te vergeten, is dat niet iedereen een pc heeft of zich de tarieven van een orgaanchirurg kan veroorloven. Terwijl de cyberianen zich terugtrekken in hun door particuliere bewakingsdiensten beveiligde, steeds meer afgeschermde woonwijken, de zogeheten ?Gate Cities?, vervallen de binnensteden tot getto's. Steeds meer mensen raken definitief zonder werk, moeten overleven op een steeds lagere uitkering in door verkrotting en criminaliteit bedreigde steden. Ik vrees dat het cybertijdperk leidt tot een tweedeling in de maatschappij, die lijkt op wat H.G. Wells honderd jaar geleden beschreef in zijn SF-roman ?De Tijdmachine?. Daarin geniet een kleine elite van alle voordelen van de vooruitgang, terwijl de rest zwoegt en overleeft in donkere steden onder de grond. De cybercultuur heeft uitsluitend oog voor de bewoners aan de oppervlakte. Ik zou liever ook wat meer aandacht zien voor die onder de grond. Jeroen Kuypers Piet De Moor Mark Dery, ?Het Digitale Lichaam cybercultuur in het fin-de-millennium?. Vertaald uit het Engels door Tom Paulus, Houtekiet/De Prom, 1996, 352 blz., 890 fr. Er zit een sterke asociale component aan de cybercultuur.