'De ambitie van het programma Vlaanderen in Actie om een toppositie in de internationale kenniseconomie te bekleden, is goed en gerechtvaardigd. Maar we moeten ook nog de mensen hebben die het kunnen', aldus directeur-generaal Wilson De Pril van Agoria Vlaanderen, de werkgeversfederatie van de technologische industrie. En net op dat punt wringt volgens hem het schoentje. De Pril: 'Op dit ogenblik kijken we op de arbeidsmarkt elk jaar aan tegen een tekort van 500 tot 700 nieuwe ingenieurs. En in het hoger onderwijs beginnen te weinig jongeren aan opleidingen in de domeinen van technologie, exacte wetenschappen en ICT. Nochtans zijn afgestudeerden in die richtingen cruciaal voor de toekomst van Vlaanderen. Ze zijn hard nodig om nieuwe producten en processen te ontwikkelen en zo te zorgen dat anderen werk hebben. Hoe belangrijk ze zijn, toont ook de huidige economische crisis. Als ondernemingen verplicht worden om banen te schrappen, worden ingenieurs en andere technologische geschoolde mensen als allerlaatste afgedankt.'
...

'De ambitie van het programma Vlaanderen in Actie om een toppositie in de internationale kenniseconomie te bekleden, is goed en gerechtvaardigd. Maar we moeten ook nog de mensen hebben die het kunnen', aldus directeur-generaal Wilson De Pril van Agoria Vlaanderen, de werkgeversfederatie van de technologische industrie. En net op dat punt wringt volgens hem het schoentje. De Pril: 'Op dit ogenblik kijken we op de arbeidsmarkt elk jaar aan tegen een tekort van 500 tot 700 nieuwe ingenieurs. En in het hoger onderwijs beginnen te weinig jongeren aan opleidingen in de domeinen van technologie, exacte wetenschappen en ICT. Nochtans zijn afgestudeerden in die richtingen cruciaal voor de toekomst van Vlaanderen. Ze zijn hard nodig om nieuwe producten en processen te ontwikkelen en zo te zorgen dat anderen werk hebben. Hoe belangrijk ze zijn, toont ook de huidige economische crisis. Als ondernemingen verplicht worden om banen te schrappen, worden ingenieurs en andere technologische geschoolde mensen als allerlaatste afgedankt.' De bezorgdheid van Agoria over het structurele tekort aan technologisch en technisch geschoolde jonge mensen is groot. De Pril haalt er cijfers bij over het hoger onderwijs in Vlaanderen. Volgens de Lissabondoelstelling zou het aantal afgestudeerden in wetenschappen, wiskunde en technologie tussen 2000 en 2010 moeten stijgen met 15 procent. Die doelstelling wordt duidelijk niet gehaald. Terwijl het totaal aantal studenten in het Vlaamse hoger onderwijs in de periode 1999-2007 toenam met 5,2 procent (van 155.276 naar 163.343), daalde het aantal studenten in de richtingen wetenschappen en technologie met 13,6 procent (van 21.567 naar 18.637). Nog sprekender zijn de gegevens over de ingenieursopleidingen. Sinds 1999 steeg het totaal aantal generatiestudenten - dat zijn de jongeren die zich voor het eerst inschrijven voor een opleiding aan een hogeschool of universiteit - met 6,7 procent (van 39.535 naar 42.204). In de ingenieursopleidingen nam het aantal generatiestudenten echter af met 31,4 procent (van 3915 naar 2688 in 2007). Vooral bij de industrieel ingenieurs is de terugval spectaculair (van 4424 generatie-studenten in 1985 naar 1696 dit academiejaar). Bij de burgerlijk ingenieurs (1254 generatiestudenten dit academiejaar) is er een wel een positieve knik sinds de versoepeling van het toelatingsexamen in 2001 en de afschaffing ervan in 2004. 'Daar staat tegenover dat de slaagpercentages dalen. Daarom blijven we pleiten voor een oriëntatieproef, zodat jongeren die eraan willen beginnen hun kennis nog snel kunnen bijspijkeren bij de overgang van het secundair naar het hoger onderwijs', zegt De Pril. De directeur-generaal van Agoria Vlaanderen ziet verschillende redenen voor die tendensen in het hoger onderwijs. 'De toegenomen welvaart resulteert in een verschuiving in de behoeftenpiramide. In tegenstelling tot de nieuwe eco-nomieën in bijvoorbeeld Azië en Oost-Europa, worden jongeren bij ons veel minder geprikkeld om te kiezen voor technologische en wetenschappelijke opleidingen. Het moet ook gezegd dat de ingenieurs zelf hebben bijgedragen tot het beeld dat het om moeilijke en zware opleidingen gaat. Die reputatie schrikt jongeren af. Dan kiezen ze in het hoger onderwijs liever voor de weg van de minste weerstand naar een diploma. Een ander element is dat technologie en innovatie eerder koude begrippen zijn. Ze doen jongeren denken aan wereldvreemde nerds, die met levenloos materiaal bezig zijn en weinig van teamwerk moeten weten. De opleiding bio-ingenieur illustreert dat in omgekeerde zin: die heeft wel aantrekkingskracht, niet het minst bij jonge vrouwen.' Om deze evolutie te counteren, probeert Agoria jongeren te informeren over wat technologisch en technisch opgeleide mensen in bedrijven concreet doen. Daarbij wordt bewust een verband gelegd met de interesse van jongeren voor milieu en energie. De Pril: 'Het gaat om mondiale uitdagingen en de enige manier om die aan te pakken is technologische innovatie.' Agoria rekent voorts op de academische wereld en de Vlaamse overheid om jongeren bij hun studiekeuze 'objectief te informeren over tendensen, tekorten en toekomstmogelijkheden in een wereld die steeds meer gedomineerd wordt door technologie'. De Pril: 'Onderwijs-minister Frank Vandenbroucke (SP.A) heeft voor het technisch onderwijs en voor techniek als vak op school positieve stappen gezet. Maar er is meer nodig, ook omdat we weten dat dit tijd vergt vooraleer de vruchten worden geplukt. Vergelijk het met de initiatieven die in de voorbije tien jaar door de dreigende tekorten aan man- en vrouwkracht in de zorgsector zijn genomen voor de opleiding verpleegkunde, en met veel succes. De urgentie voor technologische en technische beroepen is minstens even groot. Die kunnen we zeker niet alleen beantwoorden door buitenlanders naar hier te halen. We hebben op dat vlak trouwens weinig traditie. De oplossing moet dus op de eerste plaats gezocht worden bij een grotere instroom van jongens én meisjes in wetenschappelijke en technologische opleidingen.' Niet alleen die instroom baart De Pril zorgen. Hij vangt ook signalen op dat de hervorming van het hoger onderwijs (met onder meer de invoering van bachelor- en masteropleidingen, flexibele studieloopbanen voor studenten en een outputgerichte financiering na het eerste jaar) het algemene niveau wel eens naar omlaag zou kunnen halen. Zo wordt gewezen op een zwakkere instroom (uit de PISA-onderzoeken over de leerpres-taties van Vlaamse 15-jarigen blijkt bijvoorbeeld dat de wiskundige geletterdheid daalt), een minder strenge beoordeling van de examens en calculerende studenten die er langer over doen om hun diploma te behalen. 'Op dit ogenblik kunnen we niet onmiddellijk de vinger leggen op een achteruitgang van de kwaliteit, maar we moeten wel waakzaam zijn en de hervormingen tussentijds evalueren', zegt De Pril. 'Als eenmaal een dalende trend is ingezet, kan die nog heel moeilijk worden omgekeerd. Hoe het hoger onderwijs wordt georganiseerd en gefinancierd, de moeilijkheidsgraad mag niet dalen. Dat geldt uiteraard ook voor de ingenieursopleidingen en andere wetenschappelijke en technologische opleidingen. De lat mag niet lager worden gelegd. Anders devalueert de waarde van de diploma's. Voor de beste studenten zou het overigens goed zijn dat ze in het kader van een speciaal en interuniver-sitair programma naar een nog hoger niveau worden gebracht. Door topstudenten maximaal uit te dagen en kansen te geven, kunnen ze ook internationaal hun weg maken.' De Pril schaart zich daarbij achter een aantal 'waardevolle ideeën' van de Leuvense associatievoorzitter André Oosterlinck. Hij pleitte er begin april in Knack voor om de geacademiseerde opleidingen industrieel ingenieur van de hogescholen binnenkort te integreren in de universiteiten en om die opleidingen dan te verlengen met een vijfde, op innovatie gericht stagejaar in bedrijven. Maar bij Agoria is ook kritiek te horen. De Pril: 'Door de academiseringsdwang verslappen de contacten en netwerken van de hogescholen met bedrijven en dreigt de valorisatie van het fundamenteel onderzoek in innovatieve toepassingen te verminderen. Een meerderheid van de technologische bedrijven is bovendien niet overtuigd van het nut van een vijfjarige opleiding industrieel ingenieur. De studieduurverlenging zal de structurele tekorten op de arbeidsmarkt tijdelijk nog verergeren en normaal leiden tot hogere looneisen bij de aanwerving. De grootste vrees is dat de opleidingen burgerlijk en industrieel ingenieur te veel eenheidsworst worden en dat de complementariteit tussen het conceptueel werk van de ene en de praktijkgerichte benadering van de andere verloren zou gaan. Overigens heeft minister Vandenbroucke gezegd dat hij een vijfde jaar niet zou financieren. Wie gaat dat dan betalen? De technologische industrie wil helpen en samenwerken met hogescholen en universiteiten, maar voor een structurele financiering van het onderwijs wil ze niet instaan.' DOOR PATRICK MARTENS