1673 TULPENMANIA, DE EERSTE ECHTE ZEEPBEL

De Tulpengekte wordt beschouwd als de eerste zeepbel die aanleiding gaf tot een diepe financiële crisis. Eind zestiende eeuw bereikte de tulp via Constantinopel de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Al vlug werd de bloem een rage: de kleuren van de tulp waren mooier dan die van alle andere gekende bloemen in die tijd. Iedereen wou een tulp, maar het aanbod was beperkt. Het gevolg was dat de prijzen spectaculair stegen. Er werd al vlug meer dan 1000 gulden betaald voor een tulpenbol, terwijl het gemiddelde jaarinkomen toen op 150 gulden lag. De beroemdste tulpenbol, de semper augustus, werd voor 6000 gulden verkocht - de prijs van een mooi huis langs de Amsterdamse grachten.
...

De Tulpengekte wordt beschouwd als de eerste zeepbel die aanleiding gaf tot een diepe financiële crisis. Eind zestiende eeuw bereikte de tulp via Constantinopel de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Al vlug werd de bloem een rage: de kleuren van de tulp waren mooier dan die van alle andere gekende bloemen in die tijd. Iedereen wou een tulp, maar het aanbod was beperkt. Het gevolg was dat de prijzen spectaculair stegen. Er werd al vlug meer dan 1000 gulden betaald voor een tulpenbol, terwijl het gemiddelde jaarinkomen toen op 150 gulden lag. De beroemdste tulpenbol, de semper augustus, werd voor 6000 gulden verkocht - de prijs van een mooi huis langs de Amsterdamse grachten. In 1636 waren er in Nederland verscheidene 'beurzen' waar tulpenbollen verhandeld werden, en soms werd dezelfde tulpenbol in één dag tien keer verkocht. Sommige handelaren verkochten al tulpenbollen die nog geplant moesten worden. Zo ontstonden de eerste contracten voor leveringen in de toekomst, vergelijkbaar met de futures van vandaag. In februari 1637 ging plots het gerucht dat de vraag naar tulpenbollen zou instorten. Paniek greep om zich heen. Meer en meer handelaren haastten zich om hun tulpenbollen te verkopen. De prijzen daalden snel met 95 procent. Veel investeerders gingen failliet. In 1711 werd de Britse handelsmaatschappij South Sea Company opgericht. De maatschappij kreeg van de overheid het monopolie van alle handel met het Spaanssprekende deel van Zuid-Amerika. Dat lokte veel Britse investeerders die absoluut aandeelhouder wilden worden van South Sea Company. De aandelen werden almaar duurde, maar South Sea deed nauwelijks zaken met Latijns-Amerika. Toen in 1718 een Brits-Spaanse oorlog uitbrak, kwam South Sea helemaal niet aan handeldrijven toe. De leiding van het handelshuis beweerde dat de zaken op korte termijn misschien niet zo lekker liepen, maar op lange termijn zag de toekomst er rooskleurig uit. Britten, maar ook andere Europeanen, bleven verlekkerd op aandelen van South Sea. In 1719 was er sprake van een echte kooppaniek: mensen verkochten hun huizen om zo veel mogelijk aandelen van South Sea te kunnen kopen. De leiding van South Sea wist dat er nauwelijks inkomsten, laat staan winsten waren. Ze besefte dat de aandelen overgewaardeerd waren, maar probeerde de koers met praatjes hoog te houden. Rond de jaarwisseling 1719-1720 ontstond ook onder de beleggers twijfel. Steeds meer van hen wilden hun aandelen verkopen. In enkele maanden tijd viel de koers terug tot op één tiende van de top. Fortuinen werden vernietigd, en vele speculanten gingen failliet. De eerste crash van Wall Street was al een feit toen de New York Stock Exchange officieel nog moest opengaan. De spilfiguur was William Duer, een man die zo rijk was als de zee diep. Hij had goede contacten in het politiek-financiële milieu en vooral bij de schatkist. In 1791 waren er geruchten dat de Bank of New York zou worden opgekocht door de Bank of the United States. Dat zou de koers van Bank of New York doen stijgen. Duer en enkele kompanen speculeerden daarop en gingen er zelfs leningen voor aan. Door hun aankopen begonnen de koersen van sommige bankaandelen te stijgen. Steeds meer mensen zagen dat, wilden mee van de stijging profiteren, en kochten dus bankaandelen. Maar in maart 1792 kon Duer zijn leningen niet meer terugbetalen. Hij moest zijn bankaandelen verkopen, de koersen daalden en er brak paniek uit. Duer was voor zijn verdere leven geruïneerd. Vele anderen waren al hun geld kwijt. Die eerste crash van Wall Street is ook belangrijk omdat de eerste Amerikaanse minister van Financiën, Alexander Hamilton, daadkrachtig ingreep om een totale instorting te voorkomen. De schatkist pompte geld in het systeem, zodat er geen gebrek aan liquiditeit ontstond. De banken werd verboden om leningen vervroegd op te eisen. En de kredietvoorwaarden voor ondernemingen werden versoepeld. Zo keerde het noodzakelijke vertrouwen langzaam terug. In de jaren 1830 begon de VS zich volop rich-ting Wilde Westen te ontwik-kelen. Spoorwegen werden aangelegd, kanalen gegraven, fabrieken gebouwd. De overheid moedigde iedereen aan om mee te doen. Je kon grond kopen om huizen, boerderijen, fabrieken of zelfs hele dorpen op te ontwikkelen. Die gronden werden druk gekocht en verkocht. Ondertussen ontstonden er overal banken, die leningen aanboden in papiergeld. De overheid stelde dat de banken veel te makkelijk leningen verstrekten en dat tegenover die leningen te weinig goud en zilver stond. Het gevolg was dat iedereen begon te twijfelen aan de waarde van papiergeld, het vertrouwen verdween en de waarde van al die gronden instortte. Bovendien investeerden veel Britten in de ontwikkeling van het Wilde Westen. Dat was niet naar de zin van de Britse Centrale Bank, want die zag geld wegvloeien naar de VS. Ze verhoogde de rente, zodat het voor Britse investeerders aantrekkelijker werd om in eigen land te investeren. Er was dus geen geld meer om verder kanalen te graven of spoorlijnen aan te leggen. De ontwikkeling van het Wilde Westen stokte, leningen konden niet worden terugbetaald. In 1837 barstte de zeepbel. Banken gingen over de kop. In mei 1837 bleven er van de oorspronkelijke 850 banken nog 445 over. Er kwam een economische depressie, die aansleepte tot 1843, met een recordaantal werklozen. De aanleg van nieuwe spoorwegverbindingen ging in de jaren 1860-1870 in de VS gepaard met overmoed, omkoping van Congresleden en senatoren om spoorwegconcessies te verkrijgen, en wanbeheer. De crash van 1873 was een gevolg van die wantoestanden, met als driest hoogtepunt de val van financier Jay Cooke en zijn Northern Pacific Railway. De grote ambitie van Cooke was een spoorwegverbinding tussen Minnesota aan de Amerikaanse oostkust en Seattle aan de westkust. Daarvoor was veel geld nodig, en Cooke slaagde er aanvankelijk in de Amerikaanse beleggers en Europese banken warm te maken voor de financiering van zijn project. In september 1873 bleek het plan van Cooke niet zo rendabel te zijn als altijd was voorgespiegeld. De banken wilden het project niet langer financieren. Cooke kon niet meer aan zijn verplichtingen voldoen. Op 18 september 1873 moest hij de handdoek in de ring gooien. Dat gaf aanleiding tot een domino-effect, en veel banken en bedrijven werden meegesleurd in de val van Cooke. De crisis werd zó erg dat de New York Stock Exchange gedurende tien dagen de deuren sloot. Tussen 1873 en 1875 gingen 18.000 bedrijven failliet, de werkloosheid steeg tot 14 procent. De arbeiders kwamen in opstand en begonnen te staken, waarna het leger werd ingezet. Er zouden honderden slachtoffers vallen onder de geweerschoten. In het begin van de twintigste eeuw willen de gebroeders Heinze de United Copper Company overnemen. Een van de broers had behalve een eigen bank in Montana ook bestuursfuncties bij andere banken in New York, en die zouden instaan voor de financiering van de overname. De overname mislukte en toen dat bekend werd, haastten spaarders zich naar de betrokken banken om hun geld te eisen. Een bank ging failliet, waardoor het vertrouwen in álle banken verdween. Er volgde in de hele VS een run op de banken, en nog meer banken gingen bankroet. Toen volgde het doortastende optreden van John Pierpont Morgan, de baas van de bank J.P. Morgan. Hij verzamelde alle bankiers rond zich, die tot dan toe alleen hun eigen vel hadden willen redden. Hij overtuigde ze om geld samen te leggen om verdere faillissementen te voorkomen. Volgens de overlevering sloot hij de bankiers op in zijn bibliotheek en liet hen pas vrij toen ze de afspraak hadden ondertekend. Zo had elke bank die bestormd werd voldoende geld om aan de zenuwachtige spaarders uit te betalen. Het vertrouwen in het banksysteem keerde geleidelijk aan terug. Meteen was er het besef dat er nood was aan een centrale bank, die bij paniek de geldkraan kon opendraaien. Het zou nog wat voeten in de aarde hebben, maar op 23 december 1923 werd de Amerikaanse Centrale Bank opgericht: de Federal Reserve, kortweg Fed. Na het einde van de Eerste Wereldoorlog ging het economisch zeer goed, zeker in de VS. De vraag naar bijvoorbeeld auto's steeg spectaculair, en er werden nieuwe producten ontwikkeld, zoals koelkasten en naaimachines. Voor elk project was er geld en de beurskoersen stegen. Toen ontstond de investment trust, een soort beleggingsfonds waarmee elke Amerikaan kon profiteren van de koersstijgingen van aandelen. Daarbij werd steeds meer met geleend geld belegd, want de koersen leken alleen maar omhoog te kunnen gaan. En dat trok nog meer beleggers aan, wat de koersen nog hoger joeg. Tot op donderdag 24 oktober 1929: de zeepbel spatte stuk en de beurs van New York stortte in. In de zomer van 1929 was de rente immers beginnen te stijgen, en de economie sputterde. De markten raakten verzadigd, bedrijven moesten hun productie verminderen, de eerste ontslagen vielen. Op Zwarte Donderdag daalden de aandelen van nieuwe bedrijven, zoals autofabrikanten, met meer dan 10 procent. De autoriteiten probeerden te sussen, maar het hek was van de dam: alle koersen kelderden en op het dieptepunt van de crisis, in 1932, waren aandelen nauwelijks nog iets waard. Het financiële systeem en de wereldhandel stortten in. Dat leidde tot grote werkloosheid, diepe armoede en een algemene malaise. Het was het begin van de Grote Depressie. In de jaren 1980 was the sky inderdaad the limit. Bedrijfsovernames waren schering en inslag. Vaak waren het vijandige overnames: zonder instemming van het management. Er kwamen zelfs vehikels die weinig anders deden dan bedrijven opkopen om ze dan in stukjes met veel winst te verkopen. Beleggers waren euforisch. Tot maandag 19 oktober 1987. Wall Street verloor 22,6 procent, nog steeds de grootste daling in één dag tijd. Over de hele wereld stuikten de aandelenkoersen in elkaar: Australië met meer dan 41 procent, Hongkong 45 procent, Japan 15 procent, het Verenigd Koninkrijk 26 procent. Voor die scherpe daling worden verscheidene kleinere redenen aangehaald. Het Amerikaanse handelstekort groeide, wat de dollar onder druk bracht. Duitsland verhoogde de rente, zodat de Duitse mark sterker werd. Er wordt ook gewezen naar computerprogramma's die bij een koersval automatisch de opdracht gaven om die aandelen vlug te verkopen in de hoop zo het verlies te beperkten. Maar juist doordat er zo veel verkocht werd, stortten de koersen helemaal in. Deze spectaculaire crash kende nauwelijks gevolgen voor de echte economie, en de beurzen wisten zich vlug te herstellen. Er werden op de beurs wel circuit breakers geïnstalleerd: als de koers van een aandeel te sterk daalt, wordt de handel even gestopt, zodat iedereen zich kan bezinnen. Na de Tweede Wereldoorlog begon Japan aan een economische opmars: het veroverde de wereld met zijn auto's en elektronica. In de jaren tachtig leken de Japanners alles te kunnen kopen: van het Rockefeller Center in New York tot De zonnebloemen van Vincent Van Gogh. In Japan zelf werd duchtig gebouwd en de vastgoedprijzen klommen onrealistisch hoog. Er werd druk gespeculeerd en belegd. Achteraf zou blijken dat er ook nogal wat bedrog gepleegd werd in het Japanse bank- en bedrijfsleven. De prijzen stegen bijzonder snel tot ongeziene hoogten. De Japanse regering trachtte die tendens af te remmen door de rente te verhogen, zodat niet meer zo makkelijk geld zou worden ontleend. Vanaf 1989 begon de schrik toe te slaan. De wereldeconomie kwam in de problemen en in de zomer van 1990 viel Saddam Hoessein Koeweit binnen. En omdat Japan zelf geen grondstoffen heeft, ging het extra gebukt onder de stijgende grondstofprijzen. De Nikkei-index zakte in enkele weken tijd van 33.000 naar 20.000 punten. Beleggers wilden hun geld terug, eigenaars wilden hun huis verkopen, de vastgoedprijzen kelderden, banken en bedrijven gingen failliet. Eigenlijk is Japan vandaag nog altijd aan het herstellen van deze enorme crash, die veroorzaakt werkt door een vastgoedzeepbel en reusachtige maar ook twijfelachtige leningen. Long-Term Capital Market (LTCM) was een hefboomfonds: het probeerde met geleend geld veel winst te boeken. Daarvoor waren bij LTCM heel wat hersens verzameld: aan het hoofd stond de financiële bolleboos John Meriwether. Hij omringde zich met Nobelprijswinnaars Myron Scholes en Robert Merton. Er werd gesproken van een dreamteam. LTCM leende veel geld van andere bedrijven en voerde ingewikkelde transacties uit met aandelen, obligaties en afgeleide producten. Daarmee boekte het jarenlang reuzenwinsten. Investeerders stroomden toe, er werd graag veel geld aan LTCM geleend. Zo kreeg LTCM enorm veel kapitaal, waarmee het over de hele wereld posities innam. Daar kwam abrupt een einde aan toen Rusland in 1998 bekendmaakte dat het zijn schulden niet kon terugbetalen. Dat bracht heel wat andere landen in de problemen, de beurzen kregen overal klappen, en LTCM moest voor miljarden dollars verliezen incasseren. Het dreigde te kapseizen en zou dan talloze leners de dieperik in trekken. De Amerikaanse Centrale Bank, de Fed, zag het gevaar van een instorting van het financiële systeem en riep veertien financiële instellingen samen, meestal geldschieters van LTCM zoals JP Morgan Chase, Merrill Lynch en Goldman Sachs. Zij moesten samen met 3,65 miljard dollar over de brug komen om zo LTCM te redden. In 2000 werd LTCM geliquideerd. Eind jaren negentig ontstond er een hype rond het internet en allerhande aanverwante bedrijven, van Amazon via eBay tot Yahoo. In België was er bijvoorbeeld het spraaktechnologiebedrijf Lernout&Hauspie. Veel investeerders raakten verblind door de mogelijkheden van die nieuwe technologieën. Jonge kerels richtten dotcombedrijfjes op en werden in een oogwenk miljardair, vaak zonder businessplan of echt product, maar wel met heel wat bluf. De internetbedrijfjes stegen bijzonder snel in waarde. En dat terwijl ze meestal geen winst boekten. Veel van die bedrijfjes stonden, zoals Lernout&Hauspie, op de Amerikaanse technologiebeurs Nasdaq genoteerd. In 1996 stond de Nasdaq-index op 600 punten, op 10 maart 2000 was dat 5132 punten, een stijging van meer dan 850 procent in vier jaar tijd. Sommigen analisten hadden het daarbij over een Nieuwe Economie: de regels van de oude, industriële economie waren niet langer van tel; dankzij de hoogtechnologische ontwikkeling konden de beurzen alleen nog maar stijgen. Maar in maart 2000 was het sprookje uit: investeerders beseften plots dat de bedrijfjes waarin ze hun geld hadden gestopt de hoge verwachtingen niet zouden kunnen inlossen. De koersen op Nasdaq namen een duik. In oktober noteerde Nasdaq 78 procent lager. Daarbij doken ook de eerste fraudeschandalen op, denk opnieuw aan Lernout&Hauspie. Maar het West-Vlaamse bedrijf was lang niet het enige. Toen twee gekaapte vliegtuigen de Twin Towers van het World Trade Center in New York doorboorden, en meteen het symbool van het kapitalisme deden ineenstorten, ging er een schok door de financiële wereld. De Amerikaanse beurzen gingen die dag niet meer open. In Europa daalden de koersen meteen flink, en vooral de Amerikaanse aandelen die er noteerden werden massaal gedumpt: Microsoft, bijvoorbeeld, verloor 17,5 procent. Na de langste sluitingsperiode sinds 1933 zou Wall Street pas op 17 september weer opengaan, onder het motto 'We mogen Wall Street niet laten kelderen door de terroristen'. Vooral luchtvaartmaatschappijen en aan het toerisme verwante bedrijven leden enorme verliezen. Een maand na de aanslag hadden 200.000 Amerikanen hun baan verloren, van wie 100.000 in de vliegtuigindustrie. De olieprijs schoot omhoog. De Amerikaanse Centrale Bank verlaagde de rente, zodat lenen goedkoper werd en de economie opnieuw zou aantrekken. De Amerikaanse overheid lanceerde een stimuleringsprogramma voor de economie. En president George W. Bush lanceerde een war on terror tegen het talibanregime in Afghanistan. Er werden oproepen gelanceerd om de beurs te ondersteunen en aandelen te kopen. Dat lukte: enkele maanden na de terreuraanslagen waren de beurzen over het algemeen redelijk hersteld van de klap. De kredietcrisis ontstond in de VS, waar banken leningen verstrekten aan mensen zonder inkomen, zonder job en met maar weinig bezittingen. Aanvankelijk liepen die leningen tegen een laag tarief, maar na enige tijd werd dit verhoogd. Steeds meer mensen konden hun lening niet terugbetalen. Vanaf 2006 werden steeds meer wanbetalers door de banken uit hun huizen gedreven, waarna het huis werd verkocht. Omdat dat op zo'n grote schaal gebeurde, stortten de vastgoedprijzen in en konden de banken het ontleende bedrag niet recupereren. De Amerikaanse banken hadden ondertussen de slechte kredieten in stukjes geknipt en herverpakt tot nieuwe financiële producten. Die werden doorverkocht aan andere financiële instellingen. Zo verspreidde de kredietcrisis zich wereldwijd. Banken gingen over de kop. Overheden moesten massaal geld neertellen om de banken van de ondergang te redden. Soms werden banken zelfs gewoon genationaliseerd, zoals bij ons Fortis. De banken begonnen elkaar te wantrouwen, ze leenden elkaar niet meer zo graag geld, en ook particulieren en bedrijven kregen moeilijker leningen. Vandaag dreigt de wereldeconomie in een recessie te verzeilen. De beurskoersen houden daar alvast rekening mee: wereldwijd kelderen de koersen van alle aandelen. DOOR EWALD PIRONET