Het aantal studenten aan de Vlaamse universiteiten neemt verhoudingsgewijze lichtjes af. De kloof tussen Limburg en de rest van Vlaanderen neemt toe.
...

Het aantal studenten aan de Vlaamse universiteiten neemt verhoudingsgewijze lichtjes af. De kloof tussen Limburg en de rest van Vlaanderen neemt toe. In het academiejaar 1996-1997 zaten er van elke honderd achttienjarige Vlamingen - de Limburgers niet meegerekend - gemiddeld 18,6 in een of andere universitaire aula. In het academiejaar 1998-1999 zakte dat cijfer weer onder de 18 procent. Maar de deelname van West- en Oost-Vlamingen, Vlaams-Brabanders en Antwerpenaren ligt nog altijd zes procent hoger dan pakweg vijftien jaar geleden. Tussen 1984 en 1995 was het aantal 'generatiestudenten' (achttienjarigen die voor het eerst inschrijven aan een universiteit) inderdaad opgelopen van krap 12 naar ruim 18 procent. Ook de Limburgse studenten vonden in de loop van de jaren tachtig gemakkelijker de weg naar de universiteit. In het academiejaar 1983-1984 was geen tien procent van de Limburgse achttienjarigen aan een of andere universiteit ingeschreven. Vorig academiejaar was dat meer dan veertien procent. Vaststelling: het verschil met de rest van Vlaanderen wordt een beetje groter. Vijftien jaar geleden bedroeg de kloof nog twee, vandaag meer dan drie procent. 'De achterstand van de Limburgse jongeren is hardnekkig', zegt rector Harry Martens van het Limburgs Universitair Centrum (LUC). Daarvoor ziet de rector twee belangrijke oorzaken. 'De eerste is de sociaal-economische situatie in Limburg. Het gemiddelde inkomen en het opleidingsniveau van de ouders ligt hier gemiddeld nog altijd onder het Vlaamse niveau. Daardoor is de studiekeuze van veel Limburgse jongeren minder ambitieus. Dat veranderen, vergt tijd. Het begint al met de studiekeuze voor algemeen secundair onderwijs. Die zegt iets over de ambitie van de ouders. Een tweede oorzaak is de locatie van het universitaire aanbod. Dat was precies de aanzet om in de jaren zeventig de kandidaturen over meer perifeer gelegen provincies te spreiden. Er is dikwijls gelachen omdat Vlaanderen op elke molshoop en onder elke kerktoren een universiteit wilde bouwen. Maar ook andere West-Europese landen hebben ongeveer één universiteit per miljoen inwoners. Die ingreep was dus zinvol. De aanwezigheid van Limburgers in de richtingen economie en wetenschappen houdt gelijke tred met de rest van Vlaanderen. Dat zijn niet toevallig de richtingen die in Diepenbeek worden aangeboden. Ook de universiteiten van Gent en Antwerpen rekruteren tachtig procent van hun studenten in de eigen provincie.' De blijvende achterstand stemt rector Martens niet pessimistisch. 'Vandaag ervaren we dat als een probleem. Maar we mogen niet vergeten dat Limburg de jongste honderd jaar een gigantische evolutie heeft doorgemaakt. In het begin van de eeuw was dit een volstrekt achterlijk gebied met heide in het noorden en wat fruitteelt in het zuiden. Pas na de Eerste Wereldoorlog kwamen de steenkolenmijnen en de industrialisering. Later volgde de mijnsluiting, die we intussen goeddeels hebben verteerd. Nu is er Ford Genk en een rijke schakering van kleine en middelgrote ondernemingen.'P.R.