China rouwt om Deng Xiaoping maar niet echt fanatiek. Zijn hervormingen hebben welvaart gebracht, maar geen vrijheid.
...

China rouwt om Deng Xiaoping maar niet echt fanatiek. Zijn hervormingen hebben welvaart gebracht, maar geen vrijheid.Zelfs na mijn dood?, zei Deng Xiaoping enige jaren geleden, ?zal men mij geen groot marxist noemen.? Toen Deng in 1978 aan het hoofd van de Communistische Partij kwam te staan, haalde hij niet alleen Mao Zedong van zijn sokkel (?voor zeventig procent goed, maar voor dertig procent fout?), hij decreteerde ook dat economische groei belangrijker is dan klassenstrijd. Maar dat had meer met opportunisme dan met overtuiging te maken. Chinese statistieken zijn niet altijd even betrouwbaar. Toch staat het vast dat de economische groei in het Rijk van het Midden nu al zo'n vijftien jaar rond de negen procent schommelt. Drie kwart van de Chinezen woont op het platteland en zag zijn inkomen stijgen tot 35.000 frank per jaar. De stedelingen en de bewoners van de kustprovincies verdienen jaarlijks een veelvoud van dat bedrag. Deng door zijn tegenstanders een ?aartskapitalist? genoemd haalde zijn mosterd niet bij Marx en Lenin, maar bij Margaret Thatcher en Ronald Reagan. Hij was een late bekeerling en zeker geen economisch genie. Op oorspronkelijke ideeën heeft men hem zelden kunnen betrappen. Tijdens de laatste jaren van Mao's heerschappij (hij was toen vice-premier) keurde Deng nog een stalinistisch tienjarenplan voor de zware industrie goed. Hij had kennelijk weinig geleerd van de fouten die gemaakt waren ten tijde van de Grote Sprong Voorwaarts (1959-61). Gelukkig is dat plan nooit uitgevoerd. Ook toen Deng de onbetwiste leider van de Chinese Communistische Partij was geworden, getuigden zijn uitspraken niet meteen van groot inzicht. Voor zijn economisch beleid leunde hij vooral op Chen Yun, zijn latere rivaal en nog een graadje conservatiever dan Deng zelf. Op het derde plenum van het elfde Centraal Comité, in het najaar van 1978, was nog geen sprake van vrijemarkteconomie of landbouwhervormingen. De maoïstische brigades en communes bleven intact. De regering improviseerde er op los en haar belangrijkste bijdrage tot de Nieuwe Orde bestond erin individuele ondernemers niets in de weg te leggen. Vrijwel alle hervormingen van het tijdperk-Deng volgden datzelfde patroon. Pas in 1992 omhelsde de Communistische Partij de principes van de ?socialistische markteconomie?. DE DICTATUUR VAN HET PROLETARIAATTot 1992 leek het niet echt een bezwaar dat Deng zo weinig verstand had van economie ; daarna des te meer. In de laatste jaren van zijn leven was Deng tot de overtuiging gekomen dat het tempo van de economische hervormingen moest opgevoerd worden omdat daardoor vanzelf versnelde economische groei zou ontstaan. Zijn rondreis door de zuidelijke provincies in het voorjaar van 1992 was een keerpunt. Na het neerslaan van de studentendemonstraties voor democratie op het Tienanmenplein, in 1989, hadden de conservatieven binnen de Communistische Partij meer invloed gekregen. Zij probeerden verdere economische hervormingen te blokkeren. Maar vanuit Guangdong, waar hij door een uitzinnige menigte werd toegejuicht, richtte Deng zich tot de natie om zijn landgenoten aan te porren tot een Nieuwe Sprong Voorwaarts. Zijn toespraken ontketenden een speculatieve razernij ; heel China werd een grote bouwwerf, de aandelenkoersen explodeerden, de economie raakte oververhit. De geest was uit de fles. Medio 1993 dreigde de inflatie compleet uit de hand te lopen en de regering moest opnieuw op de rem gaan staan. Het heeft jaren geduurd voor de inflatie tot een althans naar Chinese normen aanvaardbaar niveau was teruggebracht, en er is nog steeds geen sprake van macro-economische stabiliteit. De regering is niet in staat om een adequate monetaire politiek te voeren. De centrale bank is een reus op lemen voeten. Aan de echte oorzaken van de inflatie het slecht functioneren van de overheidsbedrijven wordt niets gedaan : in 1996 dook de hele sector voor het eerst in de rode cijfers. Verlieslatende overheidsbedrijven worden niet failliet verklaard, maar krijgen goedkope leningen. In China wordt ontwikkeling op lange termijn nog altijd verward met groei op korte termijn, en dat heeft vooral Deng Xiaoping op zijn geweten. Deng was een pragmaticus. Hij is er altijd van uitgegaan dat er geen enkel verband bestond tussen economische en politieke hervormingen. Of, anders gezegd, dat de dictatuur van het proletariaat, belichaamd door de Communistische Partij, de enige sociale hervorming was die het moderne China nodig had. Hij kon zich niet inbeelden dat met de toenemende welvaart ook het verlangen naar meer individuele vrijheid de kop zou opsteken. GEEN SECONDE SPIJT VAN TIENANMENToegegeven, Deng heeft de macht van de Communistische Partij enigszins beknot. In 1980, bijvoorbeeld, besliste hij dat de partij niet langer de dagelijkse leiding zou hebben in fabrieken. En in 1987 liet hij secretaris-generaal Zhao Ziyang zijn gang gaan toen die op het partijcongres voorstelde om een formeel onderscheid te maken tussen de staat en de partij in provincies waar die twee elkaar overlapten. Maar als het monopolie van de partij echt bedreigd werd, zoals in 1989, was hij onverzettelijk. Hij stuurde twee van zijn drie zelfgekozen opvolgers ( Hu Yaobang in 1987 en Zhao Ziyang in 1989) de laan uit, omdat ze minder orthodox en minder wreed waren dan hijzelf. Deng verweet hen ?bourgeoisliberalisme?. ?Bourgeoisliberalisme? is in de communistische retoriek een rekkelijk begrip, een synoniem voor alles wat naar pluralisme riekt. Maar Deng beperkte zich niet tot retoriek. Hij bleef trots op de rol die hij gespeeld heeft in de eerste jaren van de Volksrepubliek, toen hij de boeren ophitste om grootgrondbezitters de keel af te snijden. Hij was ook de huurmoordenaar die in opdracht van Mao in 1957 de ?anti-rechtse campagne? organiseerde, die een hele generatie intellectuelen het leven kostte. En van het bloedbad op het Tienanmenplein heeft hij geen seconde spijt gehad. De dictatuur van het proletariaat, die Deng zo na aan het hart lag, was (en is) in feite de dictatuur van een elite. De Chinese Communistische Partij heeft zo'n 57 miljoen leden niet eens vijf procent van de bevolking. Het herstel van het gezag van die partij na de rampzalig verlopen Culturele Revolutie was voornamelijk Dengs werk. Als voorstander van het leninistische organisatiemodel ?heroverde? Deng systematisch de revolutionaire comités, terwijl Mao en de Bende van Vier die liever links lieten liggen. Maar ook al werd de interne cohesie van de partij onder Deng versterkt, zijn economische hervormingen zorgden ervoor dat hij zowel door communistische hardliners als door verlichte conservatieven belaagd werd. Die hervormingen immers deden noodzakelijkerwijs de greep van het ?partijcentrum? (een term waarmee kringen rond het Centraal Comité worden aangeduid) op de economie verslappen. Op het platteland, waar de communes verdwenen, lag de partijorganisatie aan flarden. De welvaart in de provincies aan de Chinese oostkust creëerde een arbeidsmarkt die, door de toegenomen mobiliteit, het voor de overheid steeds moeilijker maakte om de gangen van individuele burgers na te gaan. DUIKEN IN DE ZEE VAN HET ZAKENLEVENDeng spoorde functionarissen op alle niveaus van de partij aan om ?in de zee van het zakenleven te duiken?. Het voornaamste gevolg van deze politiek was dat er een osmose ontstond tussen overheidsbemoeienis en het vrije ondernemerdom ; een fijnmazig web van corruptie en nepotisme dat heel China omspant. Dengs eigen familieleden lieten zich daarbij niet onbetuigd, maar ook het leger deed vrolijk mee. Militairen beheren naar schatting zo'n twintigduizend bedrijven. Slechts een gedeelte van de winsten die ze maken, dient als aanvulling op de defensiebegroting (in 1995 zo'n 250 miljard frank), de rest verdwijnt in de zakken van hoge officieren. Politieke macht is in China een afgeleide van economische macht. De elite die nu de touwtjes in handen heeft, is cynisch genoeg om dat de beseffen. Het gevaar bestaat dat Dengs erfgenamen in de toekomst de hervormingen die zij tot nu toe gesteund hebben, opnieuw gaan frustreren al was het maar om hun eigen privileges te beschermen. Het fin-de-règne van Deng leidt tot speculaties over het toekomstige leiderschap. Maar één zekerheid staat recht overeind : de overheidssector zal niet worden geprivatiseerd en blijft de ruggengraat van de Chinese economie. Voor de werknemers van die overheidsbedrijven is dat maar een schrale troost. In een aantal sectoren is al maanden geen salaris meer betaald. De namen van Dengs opvolgers zijn bekend : Jiang Zemin (secretaris-generaal van de Communistische Partij en staatshoofd ; een weifelaar), Li Peng (premier ; conservatief en gehaat omwille van zijn aandeel in het bloedbad op Tienanmen), Qiao Shi (hoofd van het Volkscongres ; voormalig chef van de staatsveiligheid) en Zhu Rongji (vice-premier voor Economische Zaken ; een soort hervormer). Die vier (plus nog een paar mindere goden) vormen samen een collectief leiderschap, dat op het eerste gezicht een stevig blok lijkt. Maar Jiang Zemin dankt zijn positie als primus inter pares voornamelijk aan het feit dat hij door Deng gezalfd is. Al bekleedde hij geen enkele officiële functie meer en al was hij voor het laatst in het openbaar verschenen in 1995, toen hij aan de arm van zijn dochter, trillend als een espenblad naar de televisiecamera's wuifde, Deng had het tot op zijn sterfbed voor het zeggen. Nu de asse van Deng verstrooid is, geniet Jiang Zemin niet langer bescherming van de Allerhoogste. Het gevecht om de macht kan beginnen. De erfenis die Deng zijn opvolgers nalaat, heeft veel weg van een vergiftigd geschenk. De frustraties die geleid hebben tot de opstand van 1989 zijn nog altijd springlevend. Om de Chinese revolutie te voltooien en niet alleen economische maar ook politieke hervormingen door te voeren zullen er andere leiders nodig zijn dan de stoet van dwergen die nu klaar staat. Copyright Knack/The EconomistBloemen voor Deng : geen genie.