Dakar, 2008. De huizen van de Allée du Centenaire in het hart van de stad zijn druk beplakt met Chinese opschriften. Tot voor een paar jaar was dit een zwarte wijk waar jonge Afrikaantjes straatvoetbal speelden, een quartier local zoals er zoveel zijn. 'Maar in een paar jaar tijd is het hier Chinatown geworden' zegt Abdou Ndao, een Senegalese ngo-medewerker die de wijk heeft zien veranderen. 'De Senegalezen hebben hun panden een voor een verkocht of verhuurd aan de Chinezen. De Centenaire is het eerste Chinatown van Dakar. En er zullen er ongetwijfeld nog volgen.'
...

Dakar, 2008. De huizen van de Allée du Centenaire in het hart van de stad zijn druk beplakt met Chinese opschriften. Tot voor een paar jaar was dit een zwarte wijk waar jonge Afrikaantjes straatvoetbal speelden, een quartier local zoals er zoveel zijn. 'Maar in een paar jaar tijd is het hier Chinatown geworden' zegt Abdou Ndao, een Senegalese ngo-medewerker die de wijk heeft zien veranderen. 'De Senegalezen hebben hun panden een voor een verkocht of verhuurd aan de Chinezen. De Centenaire is het eerste Chinatown van Dakar. En er zullen er ongetwijfeld nog volgen.' Niet dat de Senegalezen daar veel op tegen hebben. De goedkope Chinese producten hebben hun koopkracht sterk verhoogd. 'Aanvankelijk voelden de lokale kleinhandelaars zich bedreigd omdat ze niet op konden tegen de lage prijzen. Dat heeft tot heel wat protest geleid. De vereniging van Senegalese handelaars wilde zelfs dat de regering de Chinezen buiten zou houden, maar uiteindelijk is het tot een vergelijk gekomen. De Senegalezen kopen nu zelf in bij de grote Chinese importeurs en kunnen op hun beurt relatief lage prijzen aanbieden.' Senegal is niet het enige Afrikaanse land waar Chinese invoerders nieuwe producten betaalbaar maakten. 'Ugandezen die vroeger aangewezen waren op tweedehandskleren uit Europa, kunnen zich nu een nagelnieuw hemd veroorloven. Ook tal van elektronicaproducten zijn betaalbaar geworden, ook al zijn ze niet altijd van de beste kwaliteit', zegt Hannah Edinger van het Zuid-Afrikaanse Centre for Chinese Studies in Johannesburg, dat zich uitsluitend toelegt op de relaties tussen China en Afrika. Economen zijn ervan overtuigd dat de aanwezigheid van de Chinezen een aantal Afrikaanse landen géén windeieren heeft gelegd. 'Ik weet dat dit niet het gangbare beeld is dat het Westen heeft van China', merkt Chris Alden van de London School of Economics op. 'Maar het is een feit dat de Chinezen in verschillende Afrikaanse landen een economische dynamiek op gang hebben gebracht die hele delen van de bevolking uit de armoede heeft getild. Angola is daar het mooiste voorbeeld van.' De Chinese investeringen hebben daar volgens Alden de voorbije jaren fors bijgedragen aan de spectaculaire economische groei. In 2002, na 27 jaar burgeroorlog, was de Angolese economie op sterven na dood. Maar sindsdien is het land mede dankzij leningen vanuit China uitgegroeid tot een van de meest succesvolle economieën van zwart Afrika - met een groei van 23,7 procent in 2007. China hielp het land met rasse schreden vooruit, maar de leningen waren omstreden. De eerste lening kwam er in 2004, kort nadat het IMF beslist had om Angola niet langer geld toe te wijzen omdat de regering elke medewerking weigerde. Prompt kondigde China toen aan dat het via zijn EXIM-bank (de Export-Import bank) Angola een krediet van 2 miljard dollar had toegekend, in ruil voor 10.000 vaten olie per dag. Door zijn exponentiële economische groei heeft China een enorme behoefte aan grondstoffen. Volgens The Economist verbruikt China nu al 35 keer zoveel ruwe olie als in 1999. En volgens het Internationaal Energie Agentschap zal de import van olie naar China tegen 2030 verdrievoudigd zijn. Dat China dus op goede voet wil staan met een olieproducent zoals Angola lijkt heel normaal. Maar dat de Chinese regering de internationale gemeenschap compleet negeerde, was ongemeen grof. China ondermijnde daarmee de politiek van de westerse donoren, die landen onder druk zetten in de hoop ze tot een beter bestuur te kunnen bewegen. China speelt cavalier seul in de internationale donorgemeenschap. Dat stemt nochtans niet overeen met het globale kader van China's buitenlandse politiek. Die is gebaseerd op een aantal principes van solidariteit die het al hanteert sinds de jaren 1950 (Conferentie van Bandung 1954). De voornaamste daarvan zijn: gelijkheid tussen partnerlanden, eerbiediging van de soevereiniteit van andere staten, niet-inmenging in de binnenlandse aangelegenheden van andere staten en het win-winprincipe in overeenkomsten tussen twee landen. Vooral het principe van niet-inmenging heeft China al heel wat kritiek opgeleverd. Denk maar aan de Chinese houding ten aanzien van het regime in Sudan en het aanslepende conflict in de provincie Darfur, of aan de vermoedelijke wapenleveringen aan Zimbabwe. 'Een regime bewapenen is steun betuigen aan dat regime en dat is inmenging', zegt Jonathan Holslag, onderzoeker aan het Brussels Institute for Contemporary Studies van de VUB. 'Maar de Chinezen geven een eigen invulling aan dat begrip. Voor hen is inmenging het opleggen van voorwaarden aan bevriende staten. En dat doe je niet, vinden zij.' China levert geen kritiek op de binnenlandse politiek van andere landen, zoals het ook niet wil dat andere staten dat doen op zijn beleid. Elk land heeft de soevereiniteit om zijn eigen weg te gaan. China heeft zich dan ook altijd verzet tegen het idee van het kolonialisme. 'Voor Mao Zedong maakten "de bevrijdings- en de onafhankelijkheidsbewegingen deel uit van de wereldrevolutie". En dus was het "de taak van de Chinese politiek om steun te betuigen aan landen die zich van de koloniale machten wilden bevrijden"', schrijft Stefaan Marysse, professor aan het Instituut voor Ontwikkelingsbeleid en Beheer van de Universiteit Antwerpen, in een document over Chinese contracten in Congo (Les contrats Chinois en RDC: l'impérialisme rouge en marche?). 'Veertig jaar lang al staat China aan de kant van de ontwikkelingslanden', aldus Marysse. 'En dat maakt China vandaag sterk. Het biedt een stevige basis om contracten af te sluiten.' Net zoals de koloniale grootmachten uit de negentiende en de twintigste eeuw gaat China in Afrika op zoek naar nieuwe afzetmarkten en naar mineralen en grondstoffen. Thuis boomt de energieverslindende economie, en de geldreserves moeten zo goed mogelijk belegd worden. Marysse: 'Het grote verschil is dat China vandaag op de steun van de Afrikaanse leiders kan rekenen. Die ervaren de komst van de Chinezen niet als een verzwakking, maar als een versterking. Ze weten dat ze niet onderworpen zullen worden aan hun politieke bewind, en dat China hun land niet zal veroveren. In de nieuwe strijd om energiebronnen - waar Europa de voorbije jaren níét in heeft geïnvesteerd - is dit soort van imperialisme zonder politieke dominantie een grote troef.' China domineert de Afrikaanse landen politiek gezien dus helemaal niet. Het is geen neokoloniale macht. Toch vertonen de Chinese infrastructuurnetwerken verbluffend veel gelijkenissen met de wegen- en spoorwegnetten uit de koloniale periode. Net als toen is het doel immers om grondstoffen zo snel en efficiënt mogelijk naar het thuisland uit te voeren en afgewerkte producten in te voeren. 'De grote werken in Angola en Congo, die China gaat financieren, passen precies in zo'n project. Zodra de spoorwegen, de haveninfrastructuur en de pijpleidingen op elkaar zijn aangesloten, zullen ze een verbinding vormen tussen de grote geologische bekkens die nu door Zambia en Congo zijn ingesloten, en de Atlantische kust en de Indische Oceaan.' Marysse noemt de Chinezen ook wel de 'rode imperialisten' vanwege de zeer sterke rol van de communistische staat: 'China vormt een eenpartijstaat met een zeer kleine top, die de grote politieke beslissingen neemt en alle instrumenten in handen heeft om ze te laten uitvoeren. Alles verloopt onder leiding van de omnipotente staat. In bepaalde opzichten is dat een voordeel, bijvoorbeeld vergeleken met het Westen waar een grote competitie heerst. De westerse donoren, bedrijven en regeringen handelen in gespreide slagorde, en dat levert nodeloze kosten en verliezen op. China is in dat opzicht beter bewapend voor missies zoals die in Afrika. Het heeft minder overheadkosten dan de talloze westerse donoren, waar banden tussen overheid en privébedrijven vaak met argwaan worden bekeken.' Grote bedrijven uit China die zich los van het overheidsbeleid in Afrika op avontuur begeven, zijn dan ook zeldzaam. 'De Chinese regering komt er aanzetten met een sleutelklaar totaalpakket met alles erop en eraan. De handel, de investeringen en de ontwikkelingshulp maken deel uit van die ene deal, en zijn aan elkaar gelinkt', aldus Jonathan Holslag. In de praktijk komt het erop neer dat de Chinese EXIM-bank tegen gunstige interestvoeten geld leent aan een Afrikaans land. De voorwaarde is dat de Chinese bedrijven de infrastructuurwerken kunnen uitvoeren, liefst met Chinese contractarbeiders die ze uit China laten overkomen. De betaling gebeurt in natura. Holslag: 'Omdat de Chinezen weten dat weinig Afrikaanse regeringen in dollars kunnen terugbetalen, vragen ze hen vaak om dat te doen in de vorm van grondstoffen.' Dat geldt voor landen zoals Congo en Angola. In landen zonder grondstoffen, probeert China een positieve ontwikkeling op gang te brengen. Op termijn moet dat welvaart creëren, een grotere koopkracht en nieuwe afzetmarkten. 'China wil in de eerste plaats vooral zijn geld beleggen', zegt Chris Alden van de London School of Economics. 'Het land beschikt over de grootste financiële reserves ter wereld en weet niet waar eerst investeren. Afrika en Latijns-Amerika zijn dé regio's bij uitstek, waar het de grootste return kan binnenhalen. De enige voorwaarde is dat die gebieden zich snel ontwikkelen.' In een paar landen plant China daarom de oprichting van vrijhandelszones. 'Daar heeft China in zijn recente geschiedenis al eerder mee geëxperimenteerd', zegt Hannah Edinger. 'Na de hervormingen van 1978 kende China aan enkele provincies gunstige fiscale voorwaarden toe. Zodra dat een succes werd, kwamen andere provincies aan de beurt. Dat proces wil China nu herhalen in Zambia, Mauritius, Nigeria en Tanzania. Maar zoals meestal met Chinese investeringen is het compleet onduidelijk hoever ze daarmee staan.' China is niet erg mededeelzaam over de financiële stromen richting Afrika. Cijfers en timing lijkt het liever geheim te houden. De Franse onderzoeker Jean-Raphaël Chaponnière, die econoom is bij het Agence Française de Développement, heeft daar een verrassende verklaring voor. De Chinese regering wil zich volgens hem alleen maar indekken omdat ze vreest voor een reactie van 'nationaal egoïsme' bij de Chinese bevolking. 'Die zou zich wel eens kunnen afvragen: "Waarom moeten wij Mali helpen? En niet onze eigen provincie, Anhui?"', schrijft hij in een recent rapport ( L'aide chinoise à l'Afrique: origines, modalités et enjeux, april 2008). Terecht, want China is zelf nog een ontwikkelingsland. Hoewel het geld geeft voor ontwikkelingshulp, ontvangt het zelf ook geld van andere donoren. Tussen 2000 en 2006 kreeg het nog 1,7 miljard dollar steun per jaar. Ook al is dat voor een gigantisch land als China slechts 0,1 procent van zijn bruto binnenlands product, in absolute cijfers is het evenveel als de steun aan grote landen zoals Congo of Sudan. Als ontwikkelingsland kan China uiteraard wel nuttig advies geven aan andere ontwikkelingslanden. 'China, dat zelf twee decennia geleden nog in armoede was ondergedompeld, weet hoe de problemen van Afrika aan te pakken', zegt Chris Alden. 'Na decennia van investeringen en uiteenlopende westerse hulpprogramma's, kunnen de westerse donoren alleen maar besluiten dat géén van hun programma's werkt.' Vormt China dan toch wel een kans voor Afrika? 'Het zal afhangen van de sterkte van de staten waar China actief is. Om economische kansen in een duurzame ontwikkeling te kunnen omzetten, moet een land beschikken over voldoende overheidscapaciteit, een goed bestuur en een degelijke administratie, wat vandaag helaas in weinig landen te vinden is', zegt Jonathan Holslag. 'De aanzet daartoe zal niet van de Chinezen komen.' China staat wel pas aan het begin van zijn Afrikastrategie. Zijn economische diplomatie is er zogoed als nieuw en moet nog op tal van vlakken worden bijgestuurd. 'Toch zien we nu al dat er zich geleidelijk aan een kentering voordoet. De Chinezen beseffen dat het zo niet verder kan. Als ze de Afrikaanse politieke krokodillen hun gang laten gaan, zal zich dat tegen hen keren. Nog meer dan nu zullen de Chinezen dan geconfronteerd worden met de so-ciale frustratie en de corruptie die ze zelf mee in de hand hebben gewerkt.' En wat dan? VOLGENDE WEEK: CONGO, CHINA EN DE ECONOMISCHE BELANGEN VAN BELGIë.DOOR INGRID VAN DAELE