Een paar maanden geleden werd je nog gek verklaard als je veel cash had. Particulieren werden aangemaand om het geld toch niet te laten verkommeren op een spaarrekening. Ze werden naar beleggingsfondsen gedreven, ook al kon je dan minder makkelijk aan je geld. Bedrijven en banken met veel geld werden gestalkt door aandeelhouders en/of investeringsbanken: doe iets met dat geld, keer een bijzonder dividend uit, of doe een overname.
...

Een paar maanden geleden werd je nog gek verklaard als je veel cash had. Particulieren werden aangemaand om het geld toch niet te laten verkommeren op een spaarrekening. Ze werden naar beleggingsfondsen gedreven, ook al kon je dan minder makkelijk aan je geld. Bedrijven en banken met veel geld werden gestalkt door aandeelhouders en/of investeringsbanken: doe iets met dat geld, keer een bijzonder dividend uit, of doe een overname. Vandaag ziet de wereld er heel anders uit. Het begon bij de banken. De essentie van een bank is: ze ontvangt spaargeld en leent dat uit. Maar spaargeld kan op korte termijn opgevraagd worden, terwijl leningen op lange termijn worden afgelost. De bank kan dus niet al het spaargeld uitlenen, ze moet nog wat in kas houden, voor wanneer een spaarder zijn geld komt afhalen. Komt een bank dan nog wat geld te kort, gaat ze lenen bij een andere bank. De kredietcrisis ondermijnde dat systeem. Nadat duidelijk werd welke risico's de banken liepen met rommelkredieten, smolt het vertrouwen weg. Niet alleen de spaarders begonnen te twijfelen, de banken wantrouwden vooral elkaar. Het gevolg was dat ze elkaar geen geld meer uitleenden. Zo kwamen ze in liquiditeitsnood, ze dreigden onvoldoende geld in het laatje te hebben. De overheid heeft dat willen verhelpen: ze heeft de banken geld verstrekt en zich garant gesteld voor onderlinge leningen. Maar daarmee werd de reden van het wantrouwen, de onzekerheid over de impact van de rommelkredieten, niet weggenomen. Vandaag dreigen er ook liquiditeitsproblemen bij de bedrijven. De ondernemingen lijden omdat de consument minder geld uitgeeft, maar vooral omdat ze moeilijker leningen krijgen en omdat de markt van commercial paper, waarmee bedrijven op korte termijn geld lenen, niet meer werkt. In de VS zien al veel grote, gezonde, winstgevende bedrijven de bodem van hun geldkas. Zij vragen zich af hoe ze morgen bijvoorbeeld de salarissen moeten uitbetalen. The Economist heeft het aangestipt: de bedrijven uit de Fortune 500, de lijst met de grootste ondernemingen van de VS, krijgen vragen van investeerders over hoeveel cash ze nog hebben en hoelang ze daarmee nog kunnen verder werken. Dat vormt een immense dreiging voor de wereldeconomie. Als bedrijven massaal uitgaven en investeringen terugschroeven, niet alleen omdat een recessie eraan komt, maar ook om zoveel mogelijk geld in handen te houden, brengt dat een enorme groeivertraging mee. De economie komt in een nefaste neergaande spiraal terecht. Hoe kan die spiraal worden doorbroken? Dat is de vraag die alle economen en vele politici bezighoudt. Als mensen en bedrijven sparen, moet de overheid geld uitgeven en zo de economie weer aanzwengelen. Dat gebeurt nu; het Europese herstelplan is maar een van de vele. Veel belangrijker is dat het financiële systeem weer op gang komt. Het vertrouwen in en tussen banken moet hersteld worden, bedrijven moeten weer vlot aan geld kunnen komen. Dat doe je niet zozeer door geld en garanties te geven aan de banken, wel door de impact van de rommelkredieten op de balansen van de banken weg te werken. Daarom concluderen steeds meer economen dat de overheden tot nu toe niet hard genoeg hebben ingegrepen bij de banken: je moet ze nationaliseren, de rommelkredieten uitzuiveren, en als het vertrouwen hersteld is en de zaken draaien, kun je de banken opnieuw privatiseren. Als de liquiditeitscrisis bedrijven echt in haar greep krijgt, zijn we nog niet aan de nieuwe patatten. door Ewald Pironet