In de vredesbetogingen van de voorbije tijd zag minister van Buitenlandse Zaken Louis Michel, zo zei hij laatst in Knack, tot zijn genoegen niet de gebruikelijke militanten van de pacifistische lobby's passeren, wel 'de burger met zijn familie'. De vredelievende betoger is nu dus ook al 'een burger' geworden. Meer nog, deze burger blijkt een gezin te hebben, waarvan de leden kennelijk géén burgers zijn. Maar de minister bedoelde wellicht: het was de ouderwetse 'gewone man' die daar met vrouw en kroost aan het betogen was.
...

In de vredesbetogingen van de voorbije tijd zag minister van Buitenlandse Zaken Louis Michel, zo zei hij laatst in Knack, tot zijn genoegen niet de gebruikelijke militanten van de pacifistische lobby's passeren, wel 'de burger met zijn familie'. De vredelievende betoger is nu dus ook al 'een burger' geworden. Meer nog, deze burger blijkt een gezin te hebben, waarvan de leden kennelijk géén burgers zijn. Maar de minister bedoelde wellicht: het was de ouderwetse 'gewone man' die daar met vrouw en kroost aan het betogen was. Deze slip of the tongue illustreert de inflatie die het woord 'burger' nu al jaren uitholt. Het volstaat er een willekeurige krant op na te slaan. De voorbije weken is het woord (in De Standaard) onder andere gebruikt voor mensen bij wie is ingebroken, die last hebben van overstromingen, door vliegtuiglawaai uit hun slaap worden gehouden, te mopperen hebben over de media, hun beroepsloopbaan zelf willen plannen, in de stad wonen, een huis erven of met een KTM Duke 950 motorfiets rijden. De term is van liberale signatuur, maar ook politici van andere partijen zijn er niet immuun voor. Zowel de SP'ers Johan Vande Lanotte en Steve Stevaert als de Agalev'ers Johan Malcorps en Eloi Glorieux lieten 'de burger' opdraven, terwijl ze meer bepaald klanten van nutsbedrijven bedoelden. De krant had het zelfs eens over 'de burger in de straat'. Waarmee alles is gezegd. Doordat het zo overvloedig wordt gebruikt, kan het woord alles betekenen en dus betekent het niets meer. Het is alleen nog een synoniem van Jan met de pet, de mens. Nochtans bezit het een specifieke betekenis. De burger is de homo politicus, de zelfbewuste mens in zijn relatie tot de politiek en de overheid. Zo bedoelde Guy Verhofstadt het ook. Hij ontleende de term aan de retoriek van de Franse Revolutie, vond hem in zijn Burgermanifesten opnieuw uit en maakte er een centraal politiek begrip van. Tevoren, aldus Verhofstadt, was de mens geknecht, onderworpen aan zuilen en conservatieve machtsgroepen. Zij gebruikten de staat voor enge corporatistische belangen en hadden geen oog voor het algemeen belang. Ze waren verantwoordelijk voor 'de Belgische ziekte': overdreven staatsbemoeienis, hoge belastingen, inefficiëntie, zelfs normvervaging, tot corruptie toe. De burgerdemocratie van de jonge Verhofstadt wilde de mens uit die verknechting bevrijden en de staat ontdoen van zijn ondemocratische verkalking. In één moeite door schafte hij het hele middenveld af. De onderdaan, de zuilaanhorige, zou zich ontpoppen tot zijn ware roeping: als burger, een vrij, autonoom en rationeel wezen, politiek bewust, actief en in staat tot het maken van goed geïnformeerde keuzen. Verhofstadts model voor die burger was de consument in de vrijemarkteconomie. Zoals de klant koning is in de supermarkt, zo is de burger dat in de democratie. De theorie wil dat hij een vrije keuze maakt in het politieke aanbod van de partijen en afrekent aan de kassa van het stemhokje. Het valt op dat in het lijstje voorbeelden uit de krant hierboven, de burger vaak klachten heeft, omdat hij is overvallen, zijn kelder vol water staat of zijn elektriciteitsfactuur te hoog is - en dat de politiek daaraan maar iets moet doen. Men is blijkbaar des te meer burger naarmate men iets te eisen heeft. Politici spelen daar graag op in. Elke individuele verzuchting, zo lijkt het, kan niet alleen worden aangehoord, maar ook gerealiseerd. Hoe complex de politiek ook is, de burger krijgt de illusie dat alles snel, gemakkelijk en zonder inspanningen tot stand kan komen. Het volstaat om iets te willen en iets willen, is des burgers recht. 'Ik beloof u plechtig', aldus Verhofstadt in 1999, 'dat de VLD bij de volgende regering tot het uiterste zal gaan om uw mening om te zetten in wetten.'Dat de term 'burger' zo snel gemeengoed werd, geeft aan dat daar een behoefte aan bestond. Mensen willen inderdaad gerespecteerd worden als politiek bewuste individuen, vrij van alle betutteling. Maar de slinger sloeg de andere kant uit. Deze idee van burgerschap verleent wel veel rechten, maar legt bitter weinig plichten op. Verhofstadt ging zelfs zo ver om de burger het recht te geven om 'uit de staat te stappen' en dus om elke sociale plicht of solidariteit af te wijzen. Maar als het burgerschap alleen bestaat uit het opeisen van individuele rechten, dreigt het al snel in vrijblijvendheid te verzinken. Elke mening, zelfs elke voorkeur of aversie lijkt dan goed, zonder dat er nog enige verantwoording of eigen verantwoordelijkheid aan te pas komt. In zijn recente boekje Iedereen burgemeester! deed zelfs VLD'er Bart Somers zijn beklag over die eenzijdigheid. Als de vrijheid van keuze net zo goed kan steunen op willekeur, grillen of vooroordelen, blijft er van de politiek inderdaad niet veel meer over. Daarom is het dat de term 'burger' nu voor zowat elk individu in om het even welke hoedanigheid kan worden gebruikt. Aan hun verkiezingsslogans te zien, trekken andere partijen de kritiek op dat slag burgerdemocratie nog verder door. Voor de SP.A gaat politiek niet over burgers, maar over 'mensen', voor de CD&V over 'mensen en waarden'. Het probleem met het Verhofstadt-model ligt in de definitie van de burger als vrij, autonoom en rationeel. Want hoe rationeel ook, elk individu heeft evenzeer emoties, die ook politiek meespelen. Het houdt vooral geen steek om de mythische burger een absolute individualiteit toe te schrijven. Iedereen functioneert nooit uitsluitend in zijn eentje, maar beweegt zich altijd in collectiviteiten, netwerken, groepen, gemeenschappen van allerlei slag. Die interactie en solidariteit is niet vrijblijvend, maar laat een politieke invloed gelden. En het individu kan al evenmin absoluut autonoom zijn omdat het altijd wordt beïnvloed door factoren die het niet vrij of autonoom kan kiezen, zoals zijn afkomst of de kansen die het al dan niet heeft gekregen. Geen enkele samenleving is alleen een losse verzameling (in de wiskundige betekenis) van individuele burgers. En maar goed ook, want het enge type burgerdemocratie maakt de burger monddood. Een individu kan politiek nooit 'echte' keuzen maken wanneer het dat in zijn eentje doet. Politiek is tenslotte per definitie een collectief proces. En als individu staat de burger machteloos tegenover de politieke elites, die hun eigen keuzemogelijkheden hebben en per definitie veel beter gestructureerd en omkaderd zijn. Dat betekent nog niet dat de burger niet anders kan dan zich passief onderwerpen aan belangengroepen. Hij of zij blijft de vrijheid behouden om voortdurend keuzen te maken, omdat iedereen altijd in diverse contexten verkeert, daarin telkens een aparte rol vervult en er een eigen verantwoordelijkheid kan opnemen. Een individu is een gezinsmens bij het afwassen, profileert zich als ouder op de school van de kinderen, engageert zich als buurtbewoner bij het bussen van uitnodigingen voor een vergadering, kiest als koffieconsument tussen Douwe Egberts en Max Havelaar, vloekt als autobestuurder in de file of als voetganger die weer eens geen voorrang krijgt op het zebrapad, doet als werknemer mee aan de sociale verkiezingen, joelt als supporter in de wedstrijd tussen Anderlecht en Club Brugge of leeft mee met een kandidaat uit Idool 2003 - en dat alles tegelijkertijd. Elk van die situaties geeft het individu een eigen identiteit en een specifiek belang, afhankelijk van de omstandigheden. De postmoderne mens wordt in een complexe wereld altijd met een veelheid van zulke situaties en dus van identiteiten geconfronteerd. Dat geheel van identiteiten maakt hem tot wat hij is, een burger-in-veelvoud. Elke identiteit houdt een mogelijk engagement in. De individualistische burger blijft passief, in een groep of collectiviteit engageert de burger zich actief. In dit laatste model krijgt iedereen toch de kans om altijd weer individuele keuzen te maken. Het individu kan namelijk altijd kiezen of het aan zijn identiteiten een politieke ver- taling geeft, via lidmaatschappen, acties, partijvoorkeur, enzovoorts. De burger engageert zich, dus hij bestaat. Het is met het volwaardige burgerschap tenslotte zoals met de liefde: het is een werkwoord. Marc Reynebeauin zijn eentje staat de burger machteloos tegenover de politieke elite.