Naar ik mij herinner ben ik opgegroeid met De Film van Ome Willem, maar feitelijk was ik daar al iets te oud voor. De eerste aflevering dateert van 16 januari 1974. Dat ik als grote jongen van 6, 7 jaar toch naar Ome Willem keek, is geen schande: er was op het tijdstip van uitzending simpelweg niets anders op de televisie, tenzij in het Engels. Overige zenders toonden het testbeeld, waarvoor mijn fascinatie pas later kwam.
...

Naar ik mij herinner ben ik opgegroeid met De Film van Ome Willem, maar feitelijk was ik daar al iets te oud voor. De eerste aflevering dateert van 16 januari 1974. Dat ik als grote jongen van 6, 7 jaar toch naar Ome Willem keek, is geen schande: er was op het tijdstip van uitzending simpelweg niets anders op de televisie, tenzij in het Engels. Overige zenders toonden het testbeeld, waarvoor mijn fascinatie pas later kwam. Ome Willem speelde de drums en droeg een wielrennerspet, zo'n slappe, ouderwetse vod met een kleine klep, die hij guitig omhoogvouwde. Hij was een kwajongen, de oom die elk kind zich toewenste, al klinkt dat post-Dutroux wat vreemd. Hij zong liedjes, in het begin en op het eind van het programma steeds dezelfde, bijgestaan door een orkest, het beschaafde combo De Geitenbreiers. 'Luister even wat ik roep: lust jij ook... een broodje poep!' In de studio zaten verklede kinderen, ze schreeuwden het langgerekt uit: 'Neee!' De Hoofd Geitenbreier wendde zich ontstemd af van zijn pianoklavier en wierp een berispende blik over zijn schouder: 'Bah, Ome Willem. Een broodje poep, dat is vies!' Waarop Ome Willem zichzelf steevast enkele tikken uitdeelde met de drumsticks, aangezet met het geluid van de voetdrum. In die tijd kon een ferme tik geen kwaad. Geloof me vrij. Sinds ruim een jaar zit ik regelmatig op het tapijt voor de televisie, doorgaans om halfacht 's morgens en halfvier 's middags, in mijn armen onze eerste, teerbeminde vermenigvuldiging. Veel programma's passeren de revue. Dieptepunten zijn onder meer de Tweenies, een via Nederland uit Groot-Brittannië overgewaaide verzameling tetterende, aanhalerige poppen, tuttig en braaf. Of het gedoe met die brulhond en die lange, rijke man. Bekijksel. Belerend. Kinderen behandelend als kleine kinderen - hoe verantwoord die programma's ook mogen zijn. Het reizende circus sterft langzaam uit. De grandeur is verbleekt, de tent eindeloos versteld, de dieren zijn oud en triest. Toch blijft één circus onweerstaanbaar; Bumba de clown bestiert er de boel. Bumba is niet een domme brokkenmaker die struikelt over zijn lange schoenen en aldoor zijn bolhoed moet oprapen, hij is niet een clown die erom vraagt een trap onder zijn kont te krijgen, neen, Bumba is allerminst meelijwekkend. Bumba bezit de uiterlijke kenmerken van een negentiende-eeuwse pierrot-clown, weggeplukt uit de commedia dell'arte, en beter nog: hij is altijd vrolijk. Zijn bewegingen zijn lichtjes versneld, hij maakt dolle, ondeugende pret. Hij giechelt van opwinding, proest het uit als hij zijn vriend Bumbalu weer eens kan beetnemen. Hij spreekt een aanstekelijk brabbeltaaltje met veel klinkers, universeel te begrijpen. Opzwepende accordeonmuziek begeleidt zijn wonderbaarlijke goocheltrucs. Hij richt vogels, honden, nijlpaarden, zeeleeuwen, bedeesde beren en olifanten af. In de studio zitten als Bumba verklede kinderen, die het langgerekt uitschreeuwen. Studio 100, het alom bekende productiehuis, heeft er een voltreffer bij. Bumba kan niet meer stuk. Rechten verkocht tot in Israël. (Waar de vrolijke clown een onmenselijke taak wacht.) Speelgoed, dvd's, boekjes, pyjama's, poppen, handdoeken, tandenborstels. Deze vuist op deze vuist, en zo klim ik naar boven. Zelfs Ome Willem staat zowaar weer op de planken. Hij herneemt de Ome Willem jubileumtour. The Simple Minds, Iron Maiden, Duran Duran en Ome Willem. Ik zou me jong moeten voelen. PETER TERRIN is SCHRIJVER.Peter Terrin