'G raças a deus', zegt de cipier aan de gevangenispoort van de Penitanciária Femina. 'God zij dank. Zij heeft het overleefd.'
...

'G raças a deus', zegt de cipier aan de gevangenispoort van de Penitanciária Femina. 'God zij dank. Zij heeft het overleefd.' In de vrouwengevangenis van Carandiru is er net nog een opstootje geweest. Een jonge vrouw ('een geboren straatvechtster') gooide zich op een bewaakster met een zelfgemaakt steekwapen. Het slachtoffer werd nog op het nippertje gered door twee andere vrouwen. Ik hoor alle details in de ' Judiciario', het spreekkamertje boven in het tweede cellenblok. Drie oudere dames, een Braziliaanse, Amerikaanse en Ierse, komen daar elke woensdag gratis juridisch advies geven. Aan de muur hangen affiches over strafmaat en tuberculose. De gevangenen - opvallend jonge meisjes in geel uniform - schuiven uren aan door een sas met blauwe tralies van onder tot boven. De Ierse Margareth Gaffney fronst de wenkbrauwen: 'Die aanval was vermoedelijk een proef om lid te worden van de PCC. Een soort doop, waarbij er bloed moet vloeien. Dit is nu eenmaal een PCC-bastion.' Het is maar een klein incident in deze massagevangenis waar 3000 vrouwen dicht op elkaar leven als kippen in een legbatterij. De officiële capaciteit bedraagt 2200 plaatsen. En iedere maand worden er nog meer opgesloten dan er worden vrijgelaten - meestal drugskoeriers. Het aantal vrouwelijke gevangenen is, in verhouding, veel meer gestegen dan de mannelijke. Hun grootste klacht is het gebrek aan 'publieke verdedigers' - want slechts weinigen kunnen een privéadvocaat betalen - en de gerechtelijke achterstand. Verder klagen de meisjes over de ziekmakende omstandigheden: kakkerlakken, ratten, vies eten, slechte medische zorg. Er zijn er de laatste tijd verschillende aan tbc gestorven. Vaak krijgen ze geen deken, matras, sanitair of hygiënisch materiaal. In het ergste geval gebruiken ze brood als maandverband. Na het spreekuur in de Femina wandel ik met Margareth terug naar de metro door het schrale Park van de Jeugd. Tot zes jaar geleden stond hier de grootste gevangenis van Zuid-Amerika: de staatsgevangenis voor mannen van Carandiru. De negen cellenblokken van vijf verdiepingen hoog waren bedoeld voor 4500 plaatsen, maar telden ruim het dubbele aantal gevangenen. Ze werden in 2002 opgeblazen door de regering, die er nadien een park aanlegde. Alleen de drie cellenblokken van de vrouwenafdeling bleven over. Margareth: 'De mannengevangenis werd afgebroken omdat er tientallen tunnels gegraven waren en meer dan 200 mensen ontsnapten. Sommigen zijn gestikt in dat ondergrondse labyrint. Ik heb altijd een akelig gevoel als ik nu door dit park stap. We gaan hier letterlijk over lijken.' Al eind 1992 was het onmenselijke gevangeniscomplex van Carandiru het toneel van een felle rebellie. De oproerpolitie viel binnen en schoot 111 gevangenen dood. Vaak in de rug, zo bleek later. Het historische bloedbad was de reden waarom een aantal gevangenen in de maanden daarna zich verenigden in de misdaadorganisatie Primeiro Comando da Capital (PCC). Ze zwoeren dure eden en stelden ronkende statuten op, met als eerste artikel: ' Boven alles trouw, respect en solidariteit ten aanzien van de Partij'. En als slot: ' Paz, Justiça e Liberdade'. Vrede, gerechtigheid en vrijheid. Het is zondagavond en het centrum van São Paulo lijkt wel een dickensiaanse nachtmerrie. Onder mijn hotelraam tel ik een twintigtal mensen die in grauwe zakken of kartonnen dozen op de stoep slapen. Straatkinderen zitten tot aan hun oksels in de vuilniscontainer van het hotel te graaien. En regelmatig passeren in lompen geklede mannen die als koelies enorme stootkarren vol karton voortduwen. Waar gaan die stootkarren toch naartoe, vraag ik me onbegrijpend af. Waar sjokken ze heen met die miserabele karrenvrachten? Het hele stadscentrum is op zondag, wanneer de winkels dicht en de pendelaars weg zijn, door marginalen ingepalmd: clochards, verschoppelingen, ongure types. In alle straten rond mijn hotel, tot op de trappen van de kathedraal toe, zie ik daklozen zitten of liggen. Honderden en honderden. Alleen al op het San Franciscoplein schuiven er 200 aan voor een soepbedeling. Vier zwartgeklede mannen proberen met oorverdovende fluitjes en veel getrek en geduw orde in de rij te krijgen. Er zijn drugsverslaafden en alcoholisten bij, maar ook nieuwe migranten uit het arme noordoosten - de nordestinos. Ze gaan met hun beker soep op een metrorooster zitten, waar het wat warmer is. Het is putje winter in São Paulo, een graad of vijftien, en het gehoest en gerochel is niet van de lucht. Zelfs de straathonden, die huilen van de honger, hebben een zieke reutel. De volgende morgen worden de stoepen schoongespoten met grote brandslangen, verschijnen er terrasjes op de plekken waar de daklozen lagen, en stallen de exclusieve winkels hun groteske luxe uit. De rijken gaan zelfs met de helikopter shoppen om te ontsnappen aan het verstikkende verkeer van São Paulo, een metropool van bijna twintig miljoen mensen. Ik begeef me in een deinende zee pendelaars naar de metro en kom een uur later afgepeigerd toe bij Padre João Valdir, die de gevangenispastoraal leidt. Hij schenkt sterke koffie en rekent mij intussen voor dat er alleen al in het centrum van de stad 2000 daklozen zijn. 'Het enige antwoord daarop is dat de burgemeester, met het oog op de verkiezingen in het najaar, een schoonmaakactie plant. En soms komen de doodseskaders langs.' Het gebrek aan sociaal beleid in zowel de favela's als de gevangenissen is volgens hem dé reden waarom de PCC tot zo'n machtige organisatie is kunnen uitgroeien: 'De staat deed niets voor die mensen en is daar nog altijd grotendeels afwezig. Het waren vergeetputten. Ieder voor zich en God voor allen.' De PCC telt nu al ruim 50.000 'broeders', die 50 reals (20 euro) lidgeld per maand betalen als ze in de gevangenis zitten, en 500 reals als ze vrij zijn. Er is onder meer een departement van strategie, een departement van communicatie en een sociaal departement. Dat laatste steunt behoeftige gevangenen, betaalt families de busreis om op bezoek te komen, koopt cadeaus voor kinderen, of schiet borgsommen en proceskosten voor. De top bestaat volgens padre Valdir uit 3000 trouwe broeders. De gevangenisafdelingen worden geleid door ' pilotos'. Toen de overheid in 2001 van plan was om de kopstukken naar een zware tuchtgevangenis over te plaatsen, organiseerde de PCC een gigantische opstand in 29 gevangenissen tegelijk. Er werden duizenden cipiers en bezoekers gegijzeld en een twintigtal gevangenen vermoord. Padre Valdir: 'Zo'n gecoördineerde actie werd mogelijk door de gsm, vooral sinds de privatisering van de telecommunicatie in 2000. Vroeger waren gevangenissen bedoeld om criminelen letterlijk van de buitenwereld af te sluiten. Maar door de gsm is dat niet meer mogelijk. Mensen smokkelen ze in lichaams-openingen binnen, of cipiers verkopen ze. De staat zou de signalen misschien kunnen storen of blokkeren, maar doet dat niet. Omdat ze hen zo kunnen afluisteren, of omdat ze een deal met de PCC gesloten hebben.' Inmiddels beheren de gevangenen al tientallen 'telefooncentrales' en kunnen ze zelfs heuse 'teleconferenties' opzetten. Na de opstand van 2001 kwam, als gevolg van een interne machtsstrijd, een nieuwe leider aan het roer: Marcos 'Marcola' Willians, alias Playboy. Een nu 40-jarige bankrover, die inmiddels tal van executies bevolen heeft. Hij zette de businessstructuur uit om de drugsmarkt in te nemen. Zodat de PCC nu niet alleen in de gevangenissen, maar ook in de favela's van São Paulo heer en meester is geworden. In het voorjaar van 2006 leek het gevangenissysteem letterlijk te ontploffen. Op Moederdag begon een opstand waarbij de meeste gevangenissen van São Paulo en van sommige andere deelstaten betrokken waren. In drie golven van geweld vielen meer dan 200 doden. Onder meer tientallen cipiers, agenten en gevangenen, die door de PCC op soms gruwelijke wijze werden omgebracht: urenlang gemarteld, het lichaam verminkt, het hoofd op stokken gestoken. Maar ook de stad São Paulo, buiten de gevangenismuren, stond in lichterlaaie. Er werden meer dan duizend aanvallen uitgevoerd op politiekantoren, bankgebouwen en bussen. De grootste verkeerschaos ooit ontstond, en uiteindelijk werd het hele stadsleven verlamd. De burgers durfden dagenlang hun huis niet meer uit. 'Het was een kruising van misdaad en terrorisme, de ergste golf van stedelijk geweld uit de geschiedenis', zegt auteur Josmar Jozino, die al twee boeken over de PCC schreef. De aanleiding was opnieuw de geplande transfer van een aantal leiders naar een gevangenis met strikt regime, en het eisenpakket leek soms futiel (meer tv's om naar de wereldbeker voetbal te kijken, meer intiem bezoek...) Maar de echte reden was een soort politieke demonstratie dat de stad van hen was: 'De PCC, die zich oorspronkelijk de Partij van de Misdaad noemde, heeft altijd een politieke agenda gehad. Al was het maar om het gevangenisregime te verbeteren. Eerst wilden ze eigen kandidaten laten verkiezen. Later steunden ze mensen op andere lijsten. En in het verkiezingsjaar 2006 wilden ze de rechtse tegenkandidaat van president Lula, gouverneur Claudio Lembo, de man van de repressie, in het zand doen bijten. En dat is gelukt.' Het laatste jaar is het iets rustiger geworden in São Paulo, volgens de schrijver omdat er na de muiterij een deal met de PCC gesloten werd. Tegelijk lijkt volgens hem de overheid in Rio de Janeiro, die kiest voor een politiek van confrontatie en een escalatie van geweld, de strijd tegen de misdaad te verliezen. Daar heerst vooral de organisatie Comando Vermelho, de oudste gevangenisbende van het land, geleid door William Lima da Silva, alias Professor. De kiem daarvan zou al onder de militaire dictatuur gelegd zijn, toen criminelen en politieke dissidenten samen opgesloten zaten en de handen in elkaar sloegen om de gevangenisomstandigheden te verbeteren. Later legden ze zich toe op de cocaïnehandel in Rio en de smokkel naar Europa. Maar na interne afrekeningen kregen ze er twee rivaliserende bendes bij: Terceiro Comando Puro en Amigos dos Amigos. In São Paulo zijn er slechts kleine, onbeduidende concurrenten voor de PCC. Josmar Jozino: 'De PCC controleert hier 95 procent van de gevangenissen en domineert de favela's van vier zones in de periferie.' Hij rekent uit dat alleen al de lidgelden een maandelijks inkomen van 5 miljoen reals betekenen (2 miljoen euro) en dat de drugs-markt van São Paulo naar schatting goed is voor 200 miljoen euro per jaar. Daarnaast verdienen ze in de favela's nog geld aan illegale voorzieningen zoals gas, elektriciteit en transport. Niet slecht geboerd voor misdaadondernemer Marcola, alias Playboy. Een gecultiveerd en belezen man volgens Jozino, die zou dwepen met Mao en Che Guevara en over wie al heroïsche songs werden uitgebracht door met de PCC verwante funkgroepen. Hij is nooit echt geïnterviewd, want op journalisten heeft hij het niet begrepen. Of Jozino niet vreest ooit zelf omgebracht te worden zoals onderzoeksjournalist Tim Lopes? De auteur grijnst: 'Je weet toch welk speciaal lot is weggelegd voor verklikkers en undercoverjournalisten? Ze worden in mootjes gehakt en op brandende autobanden gebarbecued. Maar ik ga met open vizier om met de PCC en ik word gerespecteerd omdat ik de gevangenisproblemen aanklaag.' De afgelegen gevangenis van Osasco, in een mistroostige voorstad van São Paulo, ziet eruit als een onneembaar fort, met hoge betonmuren, rollen prikkeldraad en wachttorens. Het is de plaats waar, net voor de zomer, de laatste PCC-opstand heeft plaatsgevonden. De overbevolking was toen vreselijk: 4000 mensen voor 1600 plaatsen. Een van de vier vleugels werd kort en klein geslagen en in brand gestoken, en staat nu leeg. Er wordt volop in gewerkt, maar ik kan nog de zwartgeblakerde plekken en het zwaar beschadigde plafond zien. Ik moet samen met de gepensioneerde vrijwilligster Rezilda, die voor de gevangenispastoraal werkt, door zes traliedeuren en -kooien voor we binnen zijn. Onze jassen en tassen moeten door aparte metaaldetectoren. Sinds de opstand werden al twee cipiers van Osasco in de stad doodgeschoten - 'door de broeders van de PCC'. Onder meer een bewaakster van zestig jaar oud. Onlangs werd binnen de muren ook nog een gevangene afgemaakt. Nu zitten er nog 2600 gedetineerden in drie afdelingen. Vanuit het verste paviljoen hoor ik sambagezang en handgeklap opstijgen. Het maakt een geestdriftige en vreedzame indruk. 'Vergis je niet', zegt een sombere cipier. 'Als ze dat doen, zijn ze vermoedelijk een tunnel aan het graven. Het lawaai proberen ze zo te camoufleren. Vorige week hebben we nog een lange pijp ontdekt.' De binnenplaats is een smalle corridor die overspannen wordt door een draadraster, om ontsnappingen per helikopter onmogelijk te maken. De gedetineerden lopen met kortgeknipte koppen en sjofel gevangenisplunje vrij rond, want de celdeuren gaan alleen 's avonds op slot - vooral om de aanwezigen te kunnen tellen. Het is er een menselijke jungle waar leven zonder hiërarchie en protectie onmogelijk lijkt. Directie en cipiers proberen invloed uit te oefenen, maar leggen weinig of niets op - ze zijn hun leven niet beu. Ze duwen samen met ons nog snel een krat naar binnen, waarop honderden aluminium etensbakjes staan, die de gevangenen zelf moeten verdelen. Eén van de gedetineerden trekt er voor mij het deksel af met opgetrokken neus: een bruinebonensaus met brokjes vlees en een schep klonterige rijst. Niemand kijkt er voorlopig naar om. Het meeste eten halen ze van hun familie, die al langs een zijdeur van de gevangenis met plastic zakken staat aan te schuiven. Dan volgt een aandoenlijk tafereel. Rezilda, mijn begeleidster van de gevangenispastoraal, vraagt hen om een cirkel te vormen. Honderd zware jongens gaan hand in hand op de binnenplaats staan. Zij vraagt hen luid wie ze wat toewensen. 'Mijn vrouw een goede bevalling', roept de eerste. 'Mijn moedertje een mooie oude dag', roept de tweede. 'Mijzelf inkeer en een snelle invrijheidstelling', roept de derde. En dat gaat zo maar door. Tot er afgesloten wordt met een daverend Onze Vader en de menselijke kring weer wordt verbroken. Broeder Edvaldo, de 'piloot' van deze afdeling, neemt mij daarna mee in cel 5. Het is een ruimte van pakweg zes meter bij vier. Betonnen stapelbedden voor twaalf man, met flinterdunne matrassen van schuimrubber. Een kleine televisie in de hoek. Hier slapen ze met veertig man. Twee in elk eenpersoonsbed - hoofd aan voeten. De rest op de grond. Edvaldo: 'In een ander paviljoen in Osasco zaten ze vorige week nog met 145 man in vier cellen. Als beesten. Daarin moesten ze met een beurtrol slapen.' Of de overbevolking de reden was van de laatste opstand? Edvaldo: 'Ja, maar ook de martelingen door de cipiers. Met stroomstoten en stokslagen. Zelfs in de ziekenboeg!' Het is een feit dat er volgens mensenrechtenorganisaties nog zware pro-blemen zijn met mishandelingen en andere wantoestanden. Zelfs de Braziliaanse president Lula gaf dat onlangs toe, toen hij laconiek zei: 'Als het waar is dat een pak slaag een opvoedend effect heeft, zouden de bandieten hier als heiligen uit de gevangenis moeten komen.' En of de PCC de gevangenen helpt? Er valt een geladen stilte. Veertig paar ogen kijken mij aan. Het is muf en broeierig in de propvolle cel, die naar urine en mannenzweet ruikt. Edvaldo aarzelt: 'Wij geven de gevangenen die het nodig hebben een sanitaire kit, want hier krijgen ze niets. Wij helpen ook de familie als we dat kunnen...' Rezilda pakt mij gedecideerd bij de arm en loopt gehaast naar buiten. Aan de poort blijkt net ook een jonge gevangene te worden vrijgelaten. GEVANGENE: ( haalt schouders op) 'Dit was al mijn zesde gevangenisstraf. Ik zie het als een rustpauze in de overlevingsstrijd. GEVANGENE: ( krop in de keel) Ik ben met misdaad opgegroeid. Ik heb nooit iets anders gekend en ik weet dat het altijd mijn lot zal zijn. Dat is nu eenmaal je leven als je in de favela geboren bent. Alleen in de hemel wacht er mij misschien een nieuw leven. Graças a deus.' In São Paulo is misdaad bijna banaal en normaal geworden. Zelfs moord wordt soms meer als een oplossing dan als een probleem gezien. Het heeft ook te maken met een gevoel van straffeloosheid, want van de 50.000 moorden in het land wordt maar 8 procent gevonnist. Een burger heeft hier 30 of 40 keer meer kans om vermoord te worden dan in West-Europa. Het is de belangrijkste doodsoorzaak voor mannen van 15 tot 45 jaar. En zeker voor arme, jonge, zwarte mannen uit de favela's. Schrijver Josmar Jozino: 'Na 2006 is het aantal moorden in São Paulo weer gezakt, maar dat betekent niet dat de PCC verzwakt is. Integendeel, het toont dat zij alles onder controle hebben. Niemand mag nog een moord begaan zonder toelating van de PCC. De tribunalen in de gevangenis beslissen. Zo willen ze zich volledig toeleggen op hun échte prioriteit: de misdaadbusiness. Kidnapping, bankover-vallen, wapenhandel en nu vooral de drugshandel in de favela's van de periferie.' Het leven is hard in de heksenketel die São Paulo is. Een waanzinnige metropool die toont hoe Brazilië tegelijk een ontwikkelingsland en een wereldmacht in opkomst is. Vanuit mijn hotelraam tel ik nu al 32 daklozen op de stoep. Een uitgeteerde man, vermoedelijk een crackverslaafde, ligt bewegingloos op de hoek en wordt even later door de bombeiros in een ambulance weggevoerd. En de volgestouwde stootkarren blijven passeren. Padre Valdir heeft mij intussen uitgelegd waar ze naartoe gaan. Ze trekken met hun vracht karton over de Viaduct, waaronder altijd een stinkende file van op alcohol rijdende auto's staat. Ze trekken over het plein van de República, waar 's avonds straathoertjes als zwerfkatten rondhangen. Ze trekken door de lange, donkere straat die Crackolandia wordt genoemd, waar honderden junkies in de goot liggen. Ze trekken tot in de favela van Moinho - een van de ergste sloppenwijken die ik ooit gezien heb. En daar worden ze warm onthaald door de lokale gangsterbaas Grote Neger. Graças a deus. DOOR CHRIS DE STOOP