Excellentie, Twee jaar geleden confronteerde uw vader, koning Albert, de regeringsonderhandelaars met een donderpreek. Volgens hem dreigde de politieke impasse de democratie en het welzijn van alle Belgen 'ernstig te schaden'. Hij gebruikte een lichaamstaal die we van hem niet gewoon waren. Zijn gebalde vuist deed eerder denken aan een 1 meimanifestatie dan aan de nationale feestdag.
...

Excellentie, Twee jaar geleden confronteerde uw vader, koning Albert, de regeringsonderhandelaars met een donderpreek. Volgens hem dreigde de politieke impasse de democratie en het welzijn van alle Belgen 'ernstig te schaden'. Hij gebruikte een lichaamstaal die we van hem niet gewoon waren. Zijn gebalde vuist deed eerder denken aan een 1 meimanifestatie dan aan de nationale feestdag. Ik weet niet wat U in uw eerste toespraak zult zeggen en hoe U het zult formuleren. Mij lijkt het het moment om uw verontwaardiging, al dan niet met gebalde vuist, uit te drukken over een verontrustend splitsingsdossier dat ons land bedreigt: de armoede. Ongeveer 15 procent van de Belgen, ruim anderhalf miljoen mensen, leeft onder de armoedegrens. Mensen die niet met vakantie kunnen gaan, hun raadplegingen bij de dokter moeten uitstellen, problemen hebben met hun energiefactuur. Ook op 21 juli weten zij niet waar eerst te beginnen. Wellicht zult U denken dat dit alles met de crisis te maken heeft. Uiteraard duwt de economische crisis veel mensen in de problemen. Maar er is meer aan de hand. 25 jaar geleden was 15 procent van de Belgen arm. Dat percentage is in 2013 even hoog. Dat is onbegrijpelijk, want onze globale welvaart is de laatste tientallen jaren met vele procenten gestegen. Voor sommigen met heel veel procenten. Vandaag zijn er in ons land 100.000 mensen met een leefloon en ongeveer evenveel die zich euromiljonair kunnen noemen. De armoede daalt niet, en de ongelijkheid neemt toe. We dreigen een fundamentele tweedeling in de samenleving te krijgen, tussen mensen die erbij horen en mensen die er niet bij horen of dreigen uitgesloten te worden. 'The precariat', zo noemt de Britse onderzoeker Guy Standing deze groep. Ze vormen een onderklasse die economisch oninteressant is, maatschappelijk in de marge zit, en electoraal verwaarloosd wordt. Mensen die duidelijk omschreven en beschreven worden in de statistieken, maar uit de samenleving geschreven worden. Maar armoede en ongelijkheid zijn niet alleen ongunstig voor de onderkant van de samenleving. Ze bedreigen de hele samenleving. 'Hoe groter de ongelijkheid, hoe lager de levensverwachting en de sociale mobiliteit, hoe meer ziektes, tienerzwangerschappen, obesitas en kindersterfte voorkomen en hoe hoger de misdaadcijfers en het aantal gevangenen. Ongelijkheid schept immers afstand en verkleint het vertrouwen tussen mensen, waardoor de sociale samenhang afneemt', las ik in het laatste Jaarboek Armoede en Sociale Uitsluiting van de Universiteit Antwerpen. Een rapport dat U zeker kent en gelezen hebt. Dan weet U ook dat armoedebestrijding niet alleen een beleid voor bepaalde 'doelgroe- pen' vereist, maar een brede 'sociaal-maatschappelijke kwestie' is die iedereen aanbelangt. De laatste jaren is het besef gegroeid dat een rijk land dat zich beschaafd wil noemen zo'n omvangrijke armoede niet kan tolereren. Gelukkig maar. Nochtans blijft, ook bij te veel politici, het cliché overeind dat veel armen zelf schuld hebben aan hun toestand, dat het hangmatprofiteurs of werkonwilligen zijn. Daarbij wordt, al dan niet bewust, vergeten dat er bij die anderhalf miljoen mensen veel zieken, invaliden en gepensioneerden zijn. Het gaat om mensen die vele jaren gewerkt hebben, bijdragen hebben geleverd aan de sociale zekerheid en zich toch moeten behelpen met een uitkering die onder de armoedegrens ligt. En dan zwijg ik nog over de honderdduizenden mensen die wel werken maar toch arm zijn. Anders gezegd: met clichés en vooroordelen zullen we er niet komen. Wel met een structurele aanpak waarbij solidariteit en herverdeling geen taboewoorden zijn. In zijn afscheidswoord zei uw vader, koning Albert II, dat 'de rol van de koning en zijn legitimiteit erin bestaat ten dienste te staan van de democratie en van haar burgers. Zij zijn de enige rechtmatige titularissen van de soevereiniteit'. Ik ben er zeker van dat U deze woorden tot de uwe zult maken. Daarom wil ik met enige aandrang vragen om er, vanuit uw rol en functie, alles aan te doen dat de anderhalf miljoen arme titularissen in ons land eindelijk hun rechtmatige aandeel krijgen in onze gemeenschappelijke welvaart. Jos Geysels Minister van staat