DOOR FRANS VERLEYEN
...

DOOR FRANS VERLEYEN Het beeld van de week was eigenlijk een geluid. Nadat Marc Verwilghen het eindrapport van zijn Dutroux-commissie tegenover de Kamer had verdedigd, barstte het halfrond voltallig uit in applaus. De ontlading voltrok zich als een weldaad, zette zich om in een niet te stelpen geruis alsof er opeens een jonge rivier door de oude zaal stroomde. Alles ging er vreemd aan toe. De vrijzinnige liberale spreker gebruikte een citaat van de heilige Augustinus als slotzin. Daarna brak één seconde stilte aan, diepe stilte waarin als het ware een onderbewuste en toch collectieve beslissing groeide : die van het handen op elkaar, van juichen om het gelukkige einde. Er ontbrak alleen een jong meisje om bloemen aan te brengen, of een bisnummer. Het moet lang geleden zijn dat een Belgisch politiek feit zo intens te maken kon hebben met unanieme opluchting, vreugde, ongeremde lof voor de andere. Zelfs premier Dehaene probeerde even de hand te grijpen van de redenaar, bijna een poging om de goedheid zelve aan te raken. En het applaus bleef klinken, boorde zich door het dak van het Paleis der Natie, deelde zich mee aan de luchten boven Brussel en tenslotte aan het verbaasde volk. Totaal handgeklap als een soort dankgebed in het parlement, in die slangenkuil ! Het was niet te geloven. De Nederlandse filosoof Cornelis Verhoeven merkte ooit op dat de menselijke soort niet alleen de enige is die kan lachen (daar had Bergson zich al het hoofd over gebroken) maar ook de enige die haar voorste poten tegen elkaar slaat wanneer ze iets mooi vindt. Nu ja, gedresseerde zeeleeuwen of pinguïns doen het ook, maar dat telt niet mee. De mens is het enige uit volle hart applaudisserende wezen. En hij stelt dat gebaar in een aantal welbepaalde omstandigheden. Een virtuoos die opkomt, een acteur die de verpletterende slotscène achter zich laat : applaus kan iets waardevols doen beginnen maar het ook afsluiten. Het publiek spreekt er zichzelf moed mee in. Wetend dat het zelf in vele opzichten onvolmaakt is, applaudisseert het tomeloos wanneer het kennis maakt met een perfect of naar perfectie strevend iemand. Die levert namelijk het bewijs dat het onbereikbare mogelijk is en verwezenlijkt kan worden. Dat verleent glans aan het menselijke bestaan en werkt op die manier geruststellend. Soms leeft de als voorbeeldig beschouwde persoon niet meer en klinkt het rituele applaus op voor een door de stad gedragen lijkkist, zoals die van Boudewijn I. Meestal wordt het echter geschonken aan een bijzonder mens vlak nadat die zijn prestatie volbracht heeft. Muzikanten, dansers, toneelspelers, dirigenten, pausen, redenaars, goochelaars, acrobaten of pas ingezegende bruidsparen hebben er recht op alvorens ze zich na de voorstelling in hun eigen verborgen leven terugtrekken. Priesters krijgen het vrijwel nooit, hoe prachtig hun eredienst ook was. Voor het goddelijke wordt niet geapplaudisseerd. Wat hebben de leden van de federale Kamer willen bezweren, bezegelen of besluiten met hun historische gevoelsuitbarsting ter ere van de kalme kunstenaar Verwilghen ? Het blijft raden naar wat in die luidruchtige halve minuut echt gebeurde. Het meest voor de hand liggende motief is al meermaals genoemd : een daad van zelfreiniging, het zetten van een punt achter het politieke bedrijf als vuil spel, een einde maken aan de vele gebruiken waarmee in de Wetstraat de parlementaire democratie voortdurend verraden werd en wordt, aan alles wat de Dutroux-affaire ontmaskerde. Misschien ging het om meer dan dat. Een verklaring kan liggen in de aard van de toespraak van de commissievoorzitter zelf. Zijn woorden gaven een gedecideerde, scherp omlijnde mening prijs. Ze gingen ergens over, verschaften precieze opheldering over wat in het verleden mis ging en in de toekomst gedaan moet worden. Ze ontweken niets of niemand en behielden toch een juridisch betrouwbare waardigheid. Kortom, het parlement hoorde de taal van een achtbaar man en niet de echo van een leegte. België en zijn inwoners hebben vooral de laatste jaren geleden onder de inhoudloosheid van de politieke boodschappen. De regeringsleider stamelde, cijferde, hijgde of vloekte hij sprak niet. De staat leeft onder een gezag zonder pedagogisch talent. Die wonderlijke namiddag in de Kamer was dat voor één keer anders. Met haar applaus voltooide de volksvertegenwoordiging een barstensvol, louterend toneelstuk dat ze de afgelopen maanden zelf schreef. Ze wou niet dat het doek zomaar viel, alsof ze intuïtief bang was voor opnieuw de leegte en het nooit voltooide. Ze wou de hoofdrolspelers de mannen en vrouwen van de commissie niet alleen achterlaten op hun podium, bezwaard door hun intellectuele en emotionele crisis. Ze wou die last gezamenlijk overkopen, met de handslag. EEN DEMOCRATISCH MEESTERWERKDaarom zou het parlement zijn eigen applaus moeten vasthouden. De regerende meerderheid is immers sluw. De eerste-minister kondigde bijna dansend aan dat zijn kabinet de in het Dutroux-rapport gedane suggesties voor een nieuwe politiële rechtsorde grondig ter harte zal nemen. Ook hij heeft trouwens een commissie achter de hand, bevolkt door de magistraten en dienders zelf. Die kennen het terrein en zullen dus wel weten waar de klepel straks moet hangen. Over een maand of zes, zo belooft Dehaene, zal de regering al wel iets nuttigs richting Verwilghen & Co gedaan kunnen hebben. Maar opgepast, voegt hij eraan toe, langzaamheid past grote zaken. In die val moet de federale Kamer vooral niet trappen. Ze heeft immers eens en voorgoed bewezen, en dat was zoals gezegd lang geleden, dat ze zelf iets kan. Laat haar dus vooral overschakelen op haar meest doeltreffende wapensysteem : dat van het eigen wetsvoorstel. Laat haar een grote wet schrijven, een democratisch meesterwerk, en de regering verplichten dat uit te voeren. Mocht dat heerlijke moment ooit aanbreken, zal het parlement niet alleen opnieuw kunnen applaudisseren maar zullen honderd echte engelen op roze en blauwe wieken uit het plafond neerdalen om mee te zingen.