In De barmhartige diplomaat zoomt Robert D. Kaplan in op de hoogst merkwaardige Bob Gersony (75), die veertig jaar lang werkte als freelance contractant voor de Verenigde Staten en de Verenigde Naties.
...

In De barmhartige diplomaat zoomt Robert D. Kaplan in op de hoogst merkwaardige Bob Gersony (75), die veertig jaar lang werkte als freelance contractant voor de Verenigde Staten en de Verenigde Naties. Kaplan ontmoette Gersony in 1985 voor het eerst, in een goedkoop hotel in Khartoem. Hoewel hij niet van reizen hield en angstig, neurotisch en hypochondrisch was, trok Gersony naar de meest godvergeten oorden. Daar praatte hij met meer dan 8000 overlevenden van milieurampen, oorlogen en genocide. De ene keer moest hij uitvissen wat er precies was gebeurd, op andere momenten wilde hij weten wat de getroffen burgers nodig hadden om terug naar huis te kunnen. Vreemd genoeg was Gersony een ongediplomeerde schoolverlater die aanvankelijk weinig meer kende van de wereld dan de grondstoffenhandel van zijn vader en de administratie van het Amerikaanse leger in Vietnam, waar hij als prille twintiger rapporten uittikte over gesneuvelden. Waarom werd hij door Washington eropuit gestuurd? Robert D. Kaplan: Toen Guatemala in 1976 getroffen werd door een zware aardbeving, was Gersony een van de jonge Amerikanen die al enige jaren in het land woonden. Hij was toen al een pragmaticus, die met een goed plan kwam. Gersony wilde geen langdurige voedselhulp maar werk voor de getroffen bevolking, en korting bij de aanschaf van nieuwe golfplaten daken. Hij werkte volgens een standaardprocedure: na een wekenlang verblijf in de rimboe bracht hij persoonlijk verslag uit bij hoge beleidsmakers als George Shultz en Kofi Annan. U schrijft dat ze naar hem luisterden en het beleid ook vaak aanpasten. Kaplan: Dat komt omdat Gersony de aandacht voor mensenrechten meesterlijk kon integreren in het nationale belang. Kijk, machthebbers moeten vaak kiezen uit alleen maar slechte opties. Hen overtuigen om het moreel juiste te doen, lukt alleen als je hen kunt laten inzien dat het in hun eigen belang is. En dat kon Gersony. Hij was een realistische idealist. Bovendien kwam hij met authentieke en vaak totaal nieuwe feiten. Hij concentreerde zich niet op de diplomaten in de hoofdstad, maar op de boeren op het lastig bereikbare platteland. Dat waren voor hem de echte experts, die het best wisten wat ze zelf nodig hadden. Hoe kwam hij tot dat inzicht? Kaplan: Gersony's grote leermeester was de Frans-Amerikaanse oorlogsjournalist Bernard Fall, wiens boeken hij in Vietnam verslond. Falls boodschap was dat je kennis niet in de bibliotheek maar op het terrein moet vergaren en dat naties oorlogen verliezen omdat ze de cultuur en mentaliteit niet begrijpen van de mensen die ze bestrijden of proberen te helpen. Fall, die in 1967 op een mijn liep, voorspelde dat de Amerikanen in Vietnam het onderspit zouden delven, precies zoals de Fransen verloren hadden. 'Door Fall', zou Gersony later zeggen, 'ging ik voor het eerst in mijn leven echt nadenken.' Gersony zag vluchtelingen als bevoorrechte getuigen. Kaplan: Zij zitten aan het einde van de keten van gebeurtenissen die in gang is gezet door machtiger en beter opgeleide klassen. Zij zijn de ooggetuigen van de directe geschiedenis, en strompelen letterlijk over grenzen en door districten in hun eigen land. Doorgaans zijn ze laagopgeleid, maar dat betekent volstrekt niet dat ze dom zijn. Veelal zijn het juist heel goede waarnemers met een uitstekend geheugen. Ik wilde dat punt zo expliciet maken omdat we in een tijdperk leven waarin diploma's en geloofsbrieven het discours domineren. Bovendien geven het internet en de sociale media ons het valse gevoel dat we overal dichtbij zijn. Er is een illusie van kennis. Voor het echte weten moet je ter plaatse gaan, ver van de comfortabele hoofdsteden. Anders krijg je een verhaal zonder nuance, zonder textuur. Gersony gruwt van grote politieke theorieën en beschouwde fondsen voor vage zaken als 'de versterking van het democratisch bewustzijn' als pure geldverspilling. Een toilet dat werkt, veilige scholen en acceptabele huizen, dat helpt volgens hem écht. Kaplan: (lacht) Het ergste, zo zei hij, was een doctoraat in conflict resolution. Is dat een anti-intellectueel standpunt? Volstrekt niet. Het is vooral een oproep om de complexiteit te willen zien in een wereld waarin meningen de feitelijke bewijzen overschaduwen. Een pleidooi ook, om af te stappen van de gangbare hypotheses en onbevangen te vertrekken van de concrete realiteit, die altijd weer anders is. Alleen die aanpak brengt nieuwe inzichten. Dat werd hem niet altijd in dank afgenomen. Het Gersony-rapport over de genocide in Rwanda werd nooit officieel gepubliceerd. Kaplan: Nog maar enkele maanden daarvoor waren bijna een miljoen mensen vermoord en het Westen had niets gedaan om er een einde aan te maken, zodat de schuld overweldigend was. In de ogen van de verontruste en invloedrijke mensen in de buitenwereld waren de Hutu's de nazi's en de Tutsi's de Joden. Alleen bleek de waarheid veel complexer en tragischer. Gersony kwam met het nieuws dat de slachtoffers van de genocide zelf op grote schaal en goed georganiseerd de daders aan het vermoorden waren, een slachting waarbij zo'n 30.000 doden vielen. Hij wist dat niemand blij zou zijn met deze informatie en was maandenlang depressief. Zijn rapport werd inderdaad niet publiek gemaakt, maar uiteindelijk had het wél resultaat, al wist Gersony dat pas veel later. Het is op basis van zijn bewijzen dat zowel de VS als de VN druk hebben uitgeoefend op Tutsi-leider Paul Kagame, waardoor de moorden zijn gestopt. Opmerkelijk is de bescheidenheid van veel van zijn suggesties. In Gaza adviseert Gersony de aanleg van straatverlichting, wegenherstel en nieuwe basketbalvelden. Los je daarmee het Israëlisch-Palestijnse probleem op? Kaplan: Diplomaten hebben decennialang tevergeefs geijverd voor een oplossing, Gersony besefte dat hij alleen kleine dingen kon doen. Hij is een man die met centimeters vooruitgang genoegen neemt als hij weet dat meters onhaalbaar zijn. Zijn uitgangspunt was dat de jeugd naschoolse activiteiten nodig heeft en een veilige speelomgeving. Want dan verkleint de kans dat tieners door extremistische groepen worden gerekruteerd. Dat realisme bracht hem in Bosnië in moeilijkheden. Experts wilden de terugkeer van álle bevolkingsgroepen naar hun oorspronkelijke dorpen, wat volgens Gersony geen haalbare kaart was. Geen enkele minderheid voelde zich na de oorlog nog veilig in een multi-etnische context. Dus adviseerde hij een terugkeer naar niet-gemengde dorpen en scholen, wat sommigen uitlegden als een acceptatie van de etnische zuiveringen. Dat was het geenszins. Maar op korte termijn gaan veiligheid en heropbouw voor op de grote idealen van multicultureel samenleven. Eind jaren negentig krijgt Gersony het gevoel dat het Amerikaanse leger steeds meer het buitenlands beleid overneemt. Hoe verklaart u die evolutie? Kaplan: Dat was niet alleen het resultaat van een verkeerde analyse, van romantische waanideeën over het exporteren van democratie en rampzalige oorlogen, maar het kwam ook doordat het leger de sterke macht was, die het vacuüm opvulde van de verzwakkende bureaucratie van zowel USAID als het ministerie van Buitenlandse Zaken.