Toen de vorige bisschop van Canterbury vernam dat zijn biografie in aantocht was, verklaarde hij dat hij had geprobeerd zijn volledige medewerking te verlenen door vòòr de publicatie te overlijden. De anekdote wordt verteld door de Britse biograaf Richard Holmes in zijn essay "De biografie en de dood".
...

Toen de vorige bisschop van Canterbury vernam dat zijn biografie in aantocht was, verklaarde hij dat hij had geprobeerd zijn volledige medewerking te verlenen door vòòr de publicatie te overlijden. De anekdote wordt verteld door de Britse biograaf Richard Holmes in zijn essay "De biografie en de dood". Dood zijn lijkt wel dé voorwaarde om in aanmerking te komen voor een biografie. Want op het eerste gezicht kan een leven slechts definitief beschreven worden als het is voltooid. Dat is volgens Holmes slechts schijn. Een goede biograaf - daar komt het ongeveer op neer - moet kunnen doen alsof de dode nog leeft en alle richtingen uit kan. Dat spanningsveld is de voedingsbodem van een goede biografie, die vooral iets moet vertellen over het innerlijke leven van de gebiografeerde. "Het onderwerp van de biografie kijkt tijdens zijn leven vooruit naar de onbekende toekomst, maar wordt zichzelf door achterom te kijken naar het bekende verleden." Volgens de auteur moet een "echt" biografisch verhaal beide aspecten kunnen herscheppen. Maar het blijft een moeilijk karwei en de hele problematiek is uitstekend gebracht in Julian Barnes' "Flauberts papegaai". Barnes is erin geslaagd om over Flaubert twee chronologische hoofdstukken te schrijven die beide historisch juist zijn, maar die een volstrekt tegengestelde indruk geven van Flauberts leven en het al dan niet geslaagd zijn ervan. Een van de kernmerken van de biografie is dat ze nooit af is, aldus Holmes. Een extreem voorbeeld van die opvatting is het levensverhaal dat Edmund Gosse begin deze eeuw over zijn vader schreef. In een eerste versie (1908) is die vader een eerbiedwaardige man, maar in een versie van twintig jaar later wordt hij ontmaskerd als een tragische tiran die in een emotioneel niemandsland verkeert. Volgens Holmes bestaat er geen recept voor een goede biografie, al kan het geen kwaad om voortdurend alle regels aan zijn laars te lappen. Holmes is het wel eens met de Engelse portretschilder Joshua Reynolds, die meende dat de ware biografie begint "met de ontdekking van de innerlijke tegenstelling in een karakter". Richard Holmes, "De biografie en de dood", Bert Bakker, Amsterdam, 52 blz., 500 fr.Piet De Moor