Topman John F. Smith Jr. van General Motors was er, maar zijn aanwezigheid viel de tienduizenden rouwenden op de 'staatsbegrafenis' van Giovanni (Gianni) Agnelli (81) eind januari in Turijn niet op. Hun aandacht ging naar andere prominenten op de uitvaartplechtigheid van de erevoorzitter van de Fiat-groep: Italiaans president Carlo Azeglio Ciampi en premier Silvio Berlusconi natuurlijk, Muammar Khaddafi, de Libische dictator die anders nooit in Europa te zien valt, en bovenal Juventus-ster Michel Platini.
...

Topman John F. Smith Jr. van General Motors was er, maar zijn aanwezigheid viel de tienduizenden rouwenden op de 'staatsbegrafenis' van Giovanni (Gianni) Agnelli (81) eind januari in Turijn niet op. Hun aandacht ging naar andere prominenten op de uitvaartplechtigheid van de erevoorzitter van de Fiat-groep: Italiaans president Carlo Azeglio Ciampi en premier Silvio Berlusconi natuurlijk, Muammar Khaddafi, de Libische dictator die anders nooit in Europa te zien valt, en bovenal Juventus-ster Michel Platini. Smith moet wel hebben gedacht dat zijn vriend Gianni een goed moment had uitgekozen om het wereldse voor het hemelse te verruilen. Fiat zit immers in bijzonder slechte papieren en met de dood van de peetvader dreigt de Agnelli-dynastie te verstikken in Italiaans geruzie en komt ook het overleven van hun Fabbrica Italiana di Automobili Torino in het gedrang. En dat is des te beter voor GM, dat al een minderheidsbelang van twintig procent in Fiat Auto heeft en een optie op de rest van de groep. In Detroit bouwen ze niet alleen auto's, ze spelen er ook - meesterlijk - stratego. Smith heeft de tijd aan zijn kant. Als de sukkelaars in Turijn uitgeteld zijn, ligt Fiat voor het grijpen. Dan kan GM voor een 'paniekprijsje' de beste stukken overnemen. Meer hoeft dat voor de grootste autobouwer ter wereld niet te zijn. Fiat, de grootste industriële groep van het schiereiland, is behalve in de autosector en de media (o.a. met La Stampa) ook in de verzekeringswereld en de luchtvaart (vliegtuigmotoren) actief. En als Fiat doodziek is, is Italië stevig verkouden. Vele duizenden werknemers zijn de voorbije jaren al ontslagen en het is nu zo goed als zeker dat de belangrijkste fabriek op Sicilië zal moeten sluiten. Op de oververzadigde Europese automarkt verliest Fiat Auto jaar na jaar terrein. In goed tien jaar is het marktaandeel haast gehalveerd (van 14 % naar 8,5 %). Ook in Italië zelf is de marktbezetting teruggelopen van 60 tot 28 procent. Bijkomende tegenvaller was het floppen van Fiats laatste nieuwe model, de Stilo. Fiat is vandaag de nummer zeven in Europa en de nummer elf in de wereld. Argumenten die niet weinigen doen geloven dat het rijk van de Agnelli's ten einde is. De Italianen kunnen veel incasseren, maar de teloorgang van Fiat is een nationale ramp. Gianni Agnelli was de ongekroonde koning van Italië. De ondernemer zette het land mee op de kaart van de wereldeconomieën. Zijn groep was belangrijk voor de wederopbouw en welvaart van Italië na de Tweede Wereldoorlog. Het leverde l'avvocato - Agnelli was inderdaad jurist van opleiding - een enorme politieke invloed op. Hij kon zomaar aanlopen bij de premier en menig minister had zijn portefeuille aan hem te danken. Italië betoonde zijn dankbaarheid door hem senator voor het leven te maken. Maar Agnelli, een onverbeterlijke playboy in zijn tijd, was als oudere patriarch heel conservatief. Zijn groep sukkelde van de ene financiële crisis in de andere. In Turijn zagen ze de veranderingen in de autowereld niet aankomen. De helft van 's werelds autoproductie komt nu uit de fabrieken van de zes groten: General Motors, Ford, DaimlerChrysler, Volkswagen, Toyota en Renault-Nissan. Maar een knieval voor een van die reuzen, dat was voor de Italianen ondenkbaar. Fiat staat nu hoog op de politieke agenda. Eerste minister Berlusconi, zeker na de dood van Agnelli de belangrijkste zakenman van het land, wil absoluut vermijden dat de groep aan het buitenland wordt verkocht, laat staan failliet zou gaan. Dat zou dramatische gevolgen hebben voor de Italiaanse economie. Fiat vertegenwoordigt immers niet minder dan 5,6 procent van het Italiaanse bruto binnenlands product. En naar goede gewoonte ontbreekt het Berlusconi in z'n reddingsijver niet aan originele ideeën. Zo stelde hij voor de Fiats voortaan onder de merknaam Ferrari te verkopen, om het imago te verbeteren. Er wordt in Turijn dezer dagen heel wat afgekibbeld. De Agnelli's, die via allerlei familieholdings dertig procent van Fiat controleren, willen hun greep op de groep niet lossen. Prestigieuze merken als Lancia, Alfa Romeo, Ferrari of Maserati zijn niet te geef. De financieel verzwakte familie zou wel vers geld in de groep willen pompen, om de controle te behouden. Daarvoor zoekt ze ook externe investeerders. De namen van kandidaten volgen elkaar snel op en verdwijnen even snel weer. Maar de Agnelli's zijn creatief in die dingen. In het verleden wisten ze bijvoorbeeld tien procent van de aandelen aan Libië te slijten - en toen dat politiek onhoudbaar werd, kochten ze die terug. Maar vorig jaar haalde Khaddafi opnieuw 2,3 procent binnen. Gianni's broer Umberto, nu de baas in de familie, wil de autodivisie uit het conglomeraat verkopen. Volgens hem is die niet langer van strategisch belang voor het familie-imperium. Maar zo hebben de banken het niet begrepen. Om hun leningen aan de Fiatgroep te redden, is het best de autoafdeling aan boord te houden. Paolo Fresco, belast met de operationele leiding van de groep, werkt in dienst van de banken. Maar straks moet Fresco plaats ruimen voor Umberto en wordt de nog jonge kleinzoon van Gianni Agnelli, John Elkann, de grote baas. En dat is niet naar de zin van de banken. Familie en financiers zijn het er om verschillende redenen min of meer over eens dat Fiat Auto maar beter niet in het Amerikaanse imperium van GM terechtkomt. De Italiaanse regering gaat daar volkomen mee akkoord. Onlangs nog verkocht Fiat zelf zijn aandeel in GM. Na Agnelli's overlijden steeg de koers van het Fiat-aandeel uitzonderlijk sterk op de beurs van Milaan. Investeerders geloofden dat het verdwijnen van Giovanni Agnelli de herstructurering makkelijker zou maken. Een vaag plan bestaat om verscheidene activa te verkopen, onder andere de grote participaties in Club Méditerranée en in het prestigieuze Franse wijnhuis Château Margaux, en de opbrengst daarvan te investeren in Fiat Auto. Externe kapitaalverschaffers doen dan de rest. John Smith geeft ondertussen geen kik. Dat deed hij ook al niet toen hij bijna 1,5 miljard dollar moest afboeken omdat zijn Fiat-aandelen met 91 procent waren gedaald. Zo zijn ze bij GM. Eerder hebben ze jaren zitten wachten op de ineenstorting van het hoogmoedige Zuid-Koreaanse conglomeraat Daewoo. Toen het zover was, plukten ze er de beste autostukken uit. Voor Smith is Fiat aantrekkelijk, want het maakt goeie dieselmotoren. Nuttig voor de GM-auto's, Opels bijvoorbeeld, in Europa. Al heeft hij daar zelf weinig ervaring mee: Amerikanen rijden op goedkope benzine. Op 28 februari komt de raad van bestuur van Fiat bijeen om over het reddingsplan te beslissen. Voorspellingen zijn te waaghalzerig. Op de begrafenis van Gianni Agnelli herinnerde kardinaal Severino Poletto eraan dat de overledene er vast in geloofde dat deze crisis, zoals altijd, zou worden overwonnen. Hij liet de aanwezigen mee bidden voor de redding van Fiat. Dat zal waarschijnlijk niet volstaan. Guido Despiegelaere