Bij de Nasa loopt een programma om signalen op te vangen van mogelijke buitenaardse beschavingen. Het krijgt veel kritiek en weinig budget. ?Zijn we geen vissers op een zee zonder vissen ??
...

Bij de Nasa loopt een programma om signalen op te vangen van mogelijke buitenaardse beschavingen. Het krijgt veel kritiek en weinig budget. ?Zijn we geen vissers op een zee zonder vissen ??Als de kat naar buiten wil, gaat hij op zijn achterpoten tegen de deur staan, strekt een voorpoot uit naar de klink en kijkt achterom : ?Help me even, mensen.? De kat wéét hoe je een deur opent. Maar de vijf vingers van zijn voorpoten zijn niet mobiel genoeg om dat zelf te doen. Tweeduizend jaar geleden schreef Plinius de Oude in zijn ?Naturalis Historia? al over het begripsvermogen van dolfijnen en hun genegenheid voor de mens. Er bestaan verhalen over drenkelingen, die door dolfijnen werden gered. De dolfijn gaat dan onder de drenkeling zwemmen om hem zo op zijn rug te tillen. Het is de enige methode die hij kan bedenken. Want ledematen heeft hij niet. Onze verre voorouders leefden in de bomen. Ze gebruikten hun voorpoten om van tak naar tak te zwieren. Toen hun voorpoten veranderden in grijptuigen, vormde dat de aanloop naar een technologische beschaving. Vele soorten op aarde, van insecten tot zoogdieren, vertonen tekenen van intelligentie. Sommige soorten bedrijven zelfs een rudimentaire ?technologie? : een bijenkorf, een termietenheuvel, apen die stokken hanteren. Ze ventileren emoties van afkeur en voorkeur, van angst en vreugde. Plinius vertelt in zijn Historia over de intelligentie van honden en paarden en zelfs ?het religieuze ontzag? van olifanten. Misschien overdreef Plinius wat, maar in Descartes' opvatting dat dieren louter mechanisch reageren en geen iota besef hebben, gelooft intussen geen zinnig mens meer. Mensen en dieren communiceren voortdurend met elkaar. Voor de communicatie over, bijvoorbeeld, filosofie en wiskunde, hebben mensen alleen maar mensen als gesprekspartner. Als die gesprekspartner zich op een relatief verre afstand bevindt, vereist de communicatie met hem een vorm van technologie. Als er ergens in het heelal intelligente soorten bestaan, hebben ze ook technologie nodig om met ons te praten of wij met hen. Een beschaving met een heel hoog wijsgerig denken of met sublieme kunstuitingen, maar zonder belangstelling voor of verwezenlijkingen op het vlak van technologie of communicatie, zou voor ons voorgoed onbekend blijven. Het bestaan van zo'n intelligente soort zonder technologie is niet eens zo irreëel ; we hebben er voorbeelden van rondlopen op onze eigen planeet. Neem nu de Tibetanen, een volk met een hoogstaande cultuur. Eeuwenlang bleven ze geïsoleerd op hun ?dak van de wereld? in de Himalaya. Ze trokken niet uit op verovering, ze voerden geen oorlog, ze zonden niet eens zendelingen uit om de wereld tot het boeddhisme te bekeren. Ze mediteerden, ze wasten zich zonder zeep, ze aten zonder mes en vork en ze hadden geen telefoon. Tot in de vorige eeuw hadden de Tibetanen geen contact met de rest van de wereld, en bleef die wereld verstoken van hun kennis en hun cultuur. Dan begonnen de eerste westerlingen hun bergpaden te beklimmen. Zo baande de technologie zich een weg naar hun wijsheid. EEN ZWALUW OP EEN DRAADStel u voor dat er in het heelal telepathische soorten zouden bestaan. Hun ?signalen? hoeven dan niet de lichtjaren te overbruggen gedachten zijn immers niet beperkt door afstand. Maar de ?ontvanger? werkt niet. Onze reusachtige radio-astronomische antennes vangen hun boodschappen niet op. En wij, mensen van de aarde, zijn (nog) geen telepathische soort, hoezeer advertenties van ?helderzienden? ook het tegendeel suggereren. Wetenschappelijke onderzoekers op het gebied van de parapsychologie, zoals Robert Morris aan de universiteit van Edinburgh, moeten in hun laboratoria moeizaam een heleboel omstandigheden scheppen om ook maar het eenvoudigste experiment een wankele kans op slagen te geven. Nasa's programma Seti ( Search for Extraterrestrial Intelligence) bevat in feite een zoektocht naar signalen van een buitenaardse technologie op ons niveau. We zoeken, met andere woorden, naar dingen die we zelf kennen. Zoeken naar dingen die we niet kennen, zelfs niet vermoeden, is een lastige opgave. ?Deze wetenschappers,? beweert de Franse socioloog Pierre Lagrange, ?speuren naar collega's die dezelfde taal gebruiken als zij en dezelfde conceptuele en technische middelen. De evolutie van onze eigen beschaving lijkt ons natuurlijk, of is zelfs onvermijdelijk. Maar je belandt nu eenmaal niet automatisch van bij de Cro-Magonmens tot bij de decimetrische radiotelescoop.? Van de zeventiende tot het begin van deze eeuw lokaliseerden wetenschappers de buitenaardse beschavingen op andere hemellichamen in het zonnestelsel. Minder dan een eeuw geleden geloofden de Fransman Flammarion en de Amerikaan Lowell nog dat Mars en Venus bewoond waren. Toen de Italiaanse astronoom Schiaparelli op Mars kanalen meende te ontwaren, stelde iemand voor om op een grote vlakte op aarde met beplanting een geometrische figuur te vormen, die tot bij Mars zichtbaar zou zijn. Dat bleek toen de enig denkbare technologie voor interplanetaire communicatie de radio moest nog uitgevonden worden. Omdat wij, aardbewoners, momenteel wel met radiosignalen of lasterstralen kunnen werken, nemen we gemakshalve aan dat ook buitenaardsen wel via radiosignalen of laserstralen zullen communiceren. Eigenlijk redeneren we daarbij antropocentrisch. Maar kunnen we wel anders ? Welk soort signalen doorkruist op dit ogenblik misschien de ruimte ? Carl Sagan vergeleek ooit de mens met een zwaluw op een telefoondraad. Duizenden boodschappen flitsen onder zijn poten voorbij, terwijl hij aandachtig luistert of er verderop niet ergens een andere zwaluw fluit. Uiteraard zijn we in ons zoeken gericht naar een vorm van intelligentie, die min of meer verwant is met de onze. Zo'n intelligente soort kan dan, als het eropaan komt, nog altijd de meest exotische uiterlijke vorm aannemen. Daarom hoeven het nog geen griezels te zijn. Er bestaat een schat aan Nobelprijswaardige sciencefictionliteratuur, maar de SF-series en SF-films zeggen doorgaans meer over de aard van de mens in casu de fobieën van de Noord-Amerikaanse mens dan over buitenaardsen, in het Engels aliens. HELD WERD OORLOGSMISDADIGEROveral waar emotie en bewustzijn bestaat, moet er goed en kwaad zijn. Uitgedrukt naar buitenaarde beschavingen : E.T. 's (goed) en aliens (kwaad). Toch is de mensheid geneigd om te denken dat intelligentie samen gaat met een zeker moreel besef. Boeddha stelde al dat het kwaad voortspruit uit een gebrek aan bewustzijn. De ethiek vordert zoals de sterren op hun banen : in de korte tijdspanne van een mensenleven valt weinig vooruitgang waar te nemen. De ethische moet over ruimere tijdsafstanden ingeschat worden. Drieduizend jaar geleden gold oorlog onbetwistbaar als een roemrijk feit. Wat wij vandaag een oorlogsmisdadiger zouden noemen, heette toen een held. Zeker, onze eeuw kende twee wereldoorlogen, honderden plaatselijke oorlogen, uitroeiingskampen : als climaxen van geweld kan dat tellen. Daartegenover staan evenwel nieuwe fenomenen zoals internationale hulporganisaties, in wetten vastgelegde mensen- en dierenrechten, vredesbesprekingen en vredesbetogingen met honderdduizenden deelnemers, een internationale vredesmacht nog te jong om efficiënt te kunnen opereren, maar ze bestaat wel. Allemaal nieuwe feiten, zonder voorgaande in de geschiedenis. Evolutie heeft veel tijd nodig, maar zoals water uiteindelijk naar de zee loopt, voert meer intelligentie naar meer ethisch besef. Wat de mens in het buitenaardse zoekt, is een mensachtige intelligentie, zoals de Amerikaans wetenschapper Frank J. Tipler ze definieert : ?Intelligent leven is een levende soort, die in staat is om een technologie te ontwikkelen vergelijkbaar met of superieur aan de onze, die geïnteresseerd is in het exploreren en misschien koloniseren van de kosmos en in communicatie met andere intelligente soorten. Misschien vinden sommigen mijn eisen te beperkend, maar zo'n ras is het enige type dat we zouden kunnen ontdekken met de huidige technologie. Intelligente wezens die geen belang stellen in technologie, zullen geen radiozenders bouwen. Maar die intelligente wezens hoeven daarom fysiek niet op ons te gelijken. Ze moeten alleen zijn wat de grote evolutionist Gaylord Simpson humanoïde noemt. Humanoïde betekent : genoeg gelijkenis om communicatie mogelijk te maken, en meer niet.? Sedert de jaren zestig maakt de wetenschap werk van projecten om buitenaardse beschavingen te vinden. Dat gebeurt dus per definitie met de middelen waarover we op dat moment beschikken. Dat is trouwens al moeilijk genoeg. Het gamma van frequenties, die de interstellaire ruimte kunnen doorboren, strekt zich uit over zo'n 10 gigahertz. Dit betekent dat er tien miljard kanalen zijn om te beluisteren. De huidige ontvangers in de radioastronomie kunnen er daarvan slechts een duizendtal bestrijken. Het oudste project, Ozma, dateert van 1960 en mikte op slechts twee sterren, twee buursterren van onze zon : Epsilon Eridani en Tau Ceti. Het ging om een initiatief van Frank Drake, radioastronoom aan het observatorium van Green Bank. Epsilon Eridani gaf geen antwoord. Maar toen de telescoop op Tau Ceti werd gericht, liepen er signalen binnen, die nogal kunstmatig leken en dus wel van intelligente afkomst moesten zijn. Enkele dagen lang heerste er grote opwinding. Tot bleek dat de antenne eigenlijk signalen had opgevangen van een vliegtuig dat op zeer grote hoogte passeerde. Na enkele maanden gaf Drake het op. Zijn toch al zeer beperkte project vond niet voldoende financiële steun. En het had toch niets opgeleverd. Een aantal keren werden er ook bij toeval vermeende signalen opgevangen. De Pravda meldde in april 1965 dat het hemelobject CTA 102 signalen uitzond op de 32 cm band, die regelmatige variaties vertoonden. Maar enkele dagen voordien had in een Amerikaans astronomisch tijdschrift een artikel gestaan, waarin het gedrag van CTA 102 werd beschreven en verklaard als het gedrag van een quasar, een sterachtig, sterk radiofrequentiestraling producerend object. In 1967 ontdekte het observatorium van Cambridge in het sterrenbeeld Kleine Vos ritmische signalen met een precisie op 1,3 seconde. Na enkele weken van grote commotie, begrepen de astronomen dat ze een nieuw type ster hadden ontdekt : de pulsar. Eén keer, in 1977, werd een raadselachtig signaal opgevangen, waarvan de aard nog altijd niet achterhaald is. Een onderzoeker van een afluisterproject aan de Ohio Universiteit zag in de gegevens van de vorige dag een zeer afwijkend signaal. Maandenlang heeft het team daarna de hemel afgeluisterd waar dit signaal was ontdekt. Maar de bron werd nooit meer teruggevonden. In 1983 werd het Seti-project gelanceerd. Met de 26 meter grote radiotelescoop van Harvard in Massachussetts werd gezocht naar intelligente signalen uit de ruimte. Carl Sagan had, om steun te krijgen, een internationale petitie opgesteld, ondertekend door 72 wetenschappers uit veertien landen. Er waren zeven Nobelprijswinnaars bij : David Baltimore, Melvin Calvin, Francis Crick (de ontdekker van de DNA-structuur), Manfred Eigen, Gerhard Hertzberg, Linus Pauling en Edward Purcell. Andere beroemde sypathisanten waren de computerwetenschapper Marvin Minsky, de Britse cosmoloog Stephen Hawking en de Russische astrofysicus Sjlovskii. Het project bloedde na enkele jaren dood. ZE WAREN HIER AL GEWEESTIn 1992 begon Nasa met een nieuw project. Mega-Seti startte op 12 oktober van dat jaar. Het omvat de studie van achthonderd sterren van hetzelfde type als de zon. Computers verwerken de gegevens. Dankzij de huidige computers is het mogelijk om 120 miljoen kanalen te beluisteren. Mega-Seti kan in één minuut een taak vervullen, die in 1960 van Frank Drake op Green Bank honderd jaar zou hebben gevergd. Maar in oktober 1993 legde de Amerikaanse Senaat de fondsen voor dit project droog. Met de hulp van privé-fondsen boert Mega-Seti voort en krijgt felle kritiek, ook vanuit wetenschappelijke hoek, over zich heen. In maart 1983 al liet de natuurkundige Frank J. Tipler van de Tulane universiteit zijn scepsis lekken in het Amerikaanse tijdschrift Discover. ?Ik beweer dat we waarschijnlijk de enige intelligente soort zijn, die ooit in onze galaxie zal voorkomen en zeer waarschijnlijk ook de enige die ooit heeft bestaan in het waarneembare heelal. Ik steun mijn bewering dat we alleen zijn in onze galaxie, op de gedachte dat interstellair reizen eenvoudig en goedkoop moet zijn voor een beschaving die zelfs maar een heel klein beetje vooruit is op de onze. Als er ooit een beschaving op ongeveer ons niveau had bestaan in de galaxie, dan zouden haar ruimteschepen hier al zijn. Gezien ze hier niet zijn, bestaan ze niet.? De tijdsgeest van 1983 legde natuurlijk heel andere klemtonen dan in de jaren zestig en zeventig, toen tijdschriften ook wetenschappelijke titels op de markt gooiden, zoals : ?We zijn niet alleen?. Typisch voor de moderne mentaliteit is dat twee astronomische tijdschriften nu gelijktijdig in hun recente juli-publicaties en in haast dezelfde bewoordingen het tegengestelde beweren. Het Amerikaanse Astronomy pakte uit met een omslagverhaal onder de titel : ?Are we Alone in the Universe ?? Het Franse Ciel et Espace bedacht : ?Et si nous étions seuls dans l'Univers ??Het bevreemdt dat wetenschappelijke bevindingen vaak meedrijven met de tijdsgeest. Twee Amerikaanse astronomen compileerden in maart 1996 waarnemingen van de ruimtetelescoop Hubble en de satelliet Copernicus en besloten daaruit dat de gemiddelde abundantie van koolstof in de sterren van onze galaxie tussen 175 en 275 atomen per miljoen atomen waterstof ligt. Dit is slechts de helft van de aanwezigheid van koolstof in onze zon tussen 350 en 470 atomen per miljoen atomen waterstof. Dit ?overschot? in onze zon rijmt met de hypothese van een explosie van een supernova in onze buurt tijdens de vorming van het zonnestelsel. Dit betekent dus wel dat de mate van voorkomen van koolstof in onze zon niet opgaat voor alle sterren in onze galaxie en dus hoogstwaarschijnlijk evenmin in andere galaxieën. Deze grote hoeveelheid koolstof koolstof is noodzakelijk voor het ontstaan van leven zou dus, met andere woorden, zeer uitzonderlijk kunnen zijn. NIET VOOR HERHALING VATBAARIn juni 1994 schreef de astrofysicus Roger Bonnet in Ciel et Espace : ?Het speuren naar leven in het heelal is enorm belangrijk en niet alleen in wetenschappelijk opzicht. Het heeft te maken met de fundamentele nieuwsgierigheid van de menselijke soort, met filosofie ook. Maar in de plaats van vislijnen te werpen in een oneindige oceaan, zonder de zekerheid of er daar wel vis is en zoja, of hij ons aas wel lust, denk ik dat we veeleer moeten investeren in de concrete exobiologische experimenten. Zijn er fossielen op Mars, prebiotische moleculen op Titan, in het ijs van de kometen ? Hoe vormen planeten rond sterren zich ? Hoe vinden we ze ? Op deze wetenschappelijke vragen moeten we heel spoedig een antwoord kunnen vinden. Seti daarentegen is het meest antropocentrische werkmiddel, het meest beperkte van alle methoden die de wetenschap ter beschikking staan.? De bioloog Stephen Jay Gould zet zich op dezelfde lijn van de evolutionisten, maar niet zonder enige nuance. ?Frank Tipler beweert dat, als er intelligente buitenaardsen bestonden, hun machines al lang hier hadden moeten zijn. Ik ben doorgaans al verbijsterd door de gedachten en verwezenlijkingen van andere menselijke wezens in andere culturen. Ik mag dus doodvallen als ik met zekerheid kan bevestigen wat een of andere buitenaardse bron van intelligentie zou kunnen denken of doen.? Gould vraagt zich af of attributen die wij zouden identificeren als intelligentie, ook kunnen voorkomen bij schepselen van om het even welke vorm : ?Bobbels, vliezen, sferen van pulserende energie, of diffuse en uitermate vreemde vormen die de begrensde verbeelding van de meeste SF-schrijvers nog ver overtreffen. Alle evolutionisten hebben dit heftig ontkend en ik schaar me bij hen.? Gezien het hoge aantal probaliteiten van de geschiedenis, erkent Gould het unieke en onherhaalbare van elke levende soort. Maar tegelijk wijst hij op de probabiliteiten voor de herhaling van een algemeen thema en niet van specifieke details. Bijvoorbeeld, het vliegen. Gould : ?Het vliegen heeft zich ontwikkeld en dat gebeurde afzonderlijk bij insecten, vogels, pterosaurussen (een voorhistorisch vliegend reptiel) en vleermuizen. De aërodynamische principes zijn gelijk, maar morfologieën verschillen. Vogels gebruiken veren, vleermuizen en pterosaurussen gebruiken een membraan, maar vleermuizen strekken het tussen verschillende vingers, terwijl de pterosaurussen er maar één hadden. Behoort intelligentie tot de categorie van fenomenen die te ingewikkeld en te historisch bepaald zijn om voor herhaling vatbaar te zijn ? Ik denk dat het unieke van intelligentie op aarde zo'n besluit verrechtvaardigt. Maar, in een andere vorm op een andere wereld, kan intelligentie misschien even gemakkelijk evolueren als het vliegen bij ons.? NOOIT SNELLER DAN HET LICHTMaar totaal vreemd aan het onze kan buitenaards leven niet zijn. Overal in het heelal bestaan dezelfde chemische samenstellingen. Sinds 1969 al hebben radioastronomen in verre interstellaire stofwolken de microgolf-spectra waargenomen van zo'n vijftig organische moleculen, waaronder chemicalieën die gebruikt kunnen worden om DNA, RNA en eiwitten aan te maken. In het zonnestelsel zijn organische substanties gevonden op Jupiter, Saturnus, verschillende van hun manen, en in kometen en in koolstofhoudende meteorieten. Het stemt tot nadenken dat het geloof in buitenaardse intelligentie almaar verder terugkrabbelt. In maanmannetjes geloven we al eeuwen niet meer. Mars en Venus konden best bewoond zijn, al was het maar door sprinkhanen, tot in de jaren zeventig onze ruimteverkenners er langs vlogen. Toen gingen we nabije sterren bestuderen op zoek naar beschavingen. We kregen geen teken van leven te zien. Wel ontdekten we extra-solaire planeten. Maar die zijn te zwaar, draaien te dicht rond een zon of rond een ongeschikte zon. Met onze radiotelescopen speuren we in een steeds wijdere kring. Tot nu toe bleef het ontgoochelend stil in het heelal. Mochten we toch ooit van ergens een teken van leven opvangen, een signaal van een buitenaardse technologie, dan zal het een oud signaal zijn, een fossiel. Want de natuurkundig snelst mogelijke communicatie kan nooit sneller plaatsvinden dan het licht. De meest nabije ster, waarvan we nu weten dat ze planeten heeft, bevindt zich op acht lichtjaar. Er is daar blijkbaar geen intelligent technologisch leven te bekennen. Maar mocht het er zijn, dan ligt er tussen ons woord en hun wederwoord een afstand van acht jaar. De informatie, die we via signalen kunnen vergaren, zal ook beperkt zijn. We hebben tussen menselijke culturen onderling al moeite om elkaar te begrijpen. We verdiepen ons pas sinds een paar jaar in dierenpsychologie. Hoe gaan we een eventueel hogere intelligentie begrijpen als we nog niet eens een lagere en een gelijkwaardige intelligentie kunnen verstaan ? De kans is groot dat we intelligentie op een veel grotere afstand moeten zoeken. Op honderd lichtjaar bijvoorbeeld, maar dit houdt de vondst in van een signaal dat honderd jaar geleden werd uitgestuurd. Onze galaxie heeft een doorsnee van 100.000 lichtjaar. De meest nabije galaxie, Andromeda, staat op 2,2 miljoen lichtjaar. We zullen dus andere en snellere communicatiemiddelen moeten verzinnen. Toch telepathie, misschien ? Recent onderzoek suggereert summiere mogelijkheden in die richting. Maar het lijkt een prille eigenschap, die zich misschien mettertijd verder kan ontplooien zoals ook de intelligentie een tijdrovend werk van de evolutie is geweest. Maar een eigenschap, die ook kan stagneren. Natuurlijk is dit voor een groot deel speculatie. Het verzinnen van nieuwe technologieën en het ontdekken van natuurwetten baseerde zich evenwel vaak op een soortgelijk speculatief denken. Als de dag ooit aanbreekt dat we op andere telepathische soorten of post-relativistische technologieën stoten, dan is de mensheid klaar voor een multiraciale, galactische en zelfs intergalactische beschaving van gelijktijdige communicatie. Zoniet, dan kunnen we het wel vergeten. Dan blijven we koningskinderen, voor wie niet het water, maar wel de lichtjaren te diep zijn. Lode Willems De Orion Nebulus : het geloof in buitenaards leven krabbelt terug.E.T. : de mens kan buitenaards leven alleen maar overwegen vanuit een verwantschap met zichzelf.Andromeda, de meeste nabije galaxie. Afstand : 2,2 miljoen lichtjaar.Zo fotografeerde de ruimtetelescoop Hubble Supernova 1987A : veel minder koolstof dan bij ons.Kan er ergens intelligentie ontstaan zoals bij ons, bijvoorbeeld, vogels en vleermuizen vrijwel simultaan en toch op een andere manier leerden vliegen ?