Een van de pressiegroepen die lang gestreden heeft voor het openhouden van de Limburgse mijnen, is de Vriendenkring Zwartberg-Limburg. De groep nam onder leiding van de legendarische Désiré Dylst initiatieven om de steenkool te ontginnen voor carbochemische toepassingen. Zo vond in november 1976 in het toenmalig Limburgs Universitair Centrum een symposium plaats over 'de chemische valorisatie van steenkolen'. Het verslag van de bijeenkomst, die inspeelde op de eerste oliecrisis in 1973 en haar impact op de energieprijzen, kreeg de welluid...

Een van de pressiegroepen die lang gestreden heeft voor het openhouden van de Limburgse mijnen, is de Vriendenkring Zwartberg-Limburg. De groep nam onder leiding van de legendarische Désiré Dylst initiatieven om de steenkool te ontginnen voor carbochemische toepassingen. Zo vond in november 1976 in het toenmalig Limburgs Universitair Centrum een symposium plaats over 'de chemische valorisatie van steenkolen'. Het verslag van de bijeenkomst, die inspeelde op de eerste oliecrisis in 1973 en haar impact op de energieprijzen, kreeg de welluidende titel 'Benzine uit de Limburgse steenkolen'. In 1980 werden die inspanningen om steenkool in olie om te zetten opgedreven door de oprichting van een Europees Studiecomité voor de Chemische Valorisatie en de Herwaardering van de Steenkolen. Een groot aantal academici, (mijn)ingenieurs, technische kaderleden van (petro)chemi-sche bedrijven en ambtenaren maakte er deel van uit. De beschermheren waren politieke zwaargewichten zoals Gaston Eyskens (toenmalige CVP), Willy De Clercq (toenmalige PVV) en Rik Vandekerckhove (toenmalige VU). Korte tijd leek het comité ook resultaat te boeken omdat de toenmalige leiding van Tessenderlo Chemie brood zag in carbochemie, en daartoe in Neeroeteren een nieuwe mijn zou worden geopend. Maar de bazen van de Kempense Steenkoolmijnen (KS) blokten die plannen af. Het studiecomité gaf niet op en klampte in 1986 premier Wilfried Martens (CVP) aan om minstens een aantal mijnen in Limburg open te houden. Maar op 31 december van dat jaar tekende zijn regering een contract met manager Thyl Gheyselinck om een einde te maken aan de steenkoolontginning in Limburg. Gheyselinck deed dat zo efficiënt dat hij vier jaar eerder dan gepland klaar was: in 1992 ging de laatste mijn, die van Zolder, dicht. Ook in die fase liet het studiecomité nog van zich horen met een nieuw symposium in september 1991, en door op de valreep in een brochure voor de allerlaatste opendeurdagen van de KS een pleidooi voor het openhouden van de mijnen te smokkelen. Tevergeefs. Zover wil Stijn Bijnens, directeur van de Limburgse Reconversiemaatschappij(LRM), niet gaan. 'Ook voor carbochemie moet steenkool worden opgehaald. En dat is de LRM niet van plan. Maar ik heb waardering voor de zoektocht van het studiecomité naar een alternatieve aanwending van de steenkool. Het heeft trouwens zijn sporen nagelaten bij de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO). Dankzij de secure metingen van de mijningenieurs van de KS is nergens anders ter wereld zoveel bekend over de omvang van de steenkoolreserves en de spaghetti van mijngangen in de Limburgse ondergrond. Die kennis is cruciaal voor de nieuwe energieprojecten van de LRM.' Patrick Martens