Mazal Renford is een Israëlische van Marokkaanse afkomst. Ze leidt een internationaal vormingscentrum in Haifa, dat in 1961 is opgericht voor de promotie van vrouwen in een proces van ontwikkeling en vrede.
...

Mazal Renford is een Israëlische van Marokkaanse afkomst. Ze leidt een internationaal vormingscentrum in Haifa, dat in 1961 is opgericht voor de promotie van vrouwen in een proces van ontwikkeling en vrede. 'In die periode werden veel landen in Afrika en Azië onafhankelijk. Ze erfden wel een infrastructuur, maar geen mensen om ze te bemannen. De ervaring die Israël inmiddels had, was die van een land waar niets was, en dat zich beetje bij beetje ontwikkeld had, met een basisbevolking van 900.000 mensen die in vijf jaar vervijfvoudigd was. Met alle problemen vandien: werkloosheid, integratie, gezondheidszorg, gebrek aan infrastructuur na de holocaust en de Tweede Wereldoorlog, de trauma's... Die ervaring wilden wij doorgeven aan de volkeren die ze nodig konden hebben.'En in Brussel bent u bezig geweest met het voorbereiden van de vrede?Mazal Renford: Ja, daar ben ik van overtuigd. Dit project laat toe contacten te leggen met volkeren waar je anders geen contact mee hebt. Ik geloof rotsvast in het doorgeven van ervaring, waarmee anderen de fouten kunnen vermijden die wij hebben gemaakt. Nu, met de conferentie van Barcelona en het vredesproces in het Midden-Oosten, hebben wij de mogelijkheid om deuren te openen voor onze buren. En ik voel mij persoonlijk moreel verplicht om iets te doen, om te vermijden dat die staat van oorlog en conflict blijft duren. Wat kunnen vrouwen, als opvoedsters, doen om de mentaliteit van de mensen te veranderen? Zodat onze kinderen kunnen opgroeien in een andere atmosfeer dan die van haat? Met andere schoolboeken dan de huidige, die het alleen maar over oorlog hebben? Zelfs in de rekenles, weet u dat? Als er honderd Israëlische soldaten zijn - of vice versa - en we schieten er vierentwintig dood, hoeveel blijven er over? Dat bestaat! Maar hoe meer we elkaar ontmoeten, hoe beter we mekaar begrijpen. Zij hebben kinderen, ik heb kinderen. Ik wil niet dat mijn kinderen naar de oorlog trekken, en zij wil dat evenmin voor haar kinderen. We hebben onze buik vol van de oorlog. Met de Palestijnen probeert u verder te gaan, voorbij de gewapende vrede?Renford: Dat hoop ik toch. Een jaar of vier geleden hadden wij een stage met Palestijnen. Ik heb die geopend met tranen in mijn ogen: na dertig jaar lang met 140 landen in de wereld te hebben gewerkt, van Fidji over China tot Ecuador, gingen we eindelijk iets doen met onze buren. De volgende ochtend om zes uur ontplofte een bom op de markt in Jeruzalem, veertig doden. Stelt u zich dat voor, zij en ik, in ons centrum. Hoe moest ik reageren? Met die beelden op de tv, de verwoesting, de vrouwen en kinderen. Ik was belachelijk met mijn toespraak vol hoop. En erg gekwetst. En zij - toen ik bij hen kwam - durfden me niet aan te kijken. Maar ik heb ze laten kiezen: geconfronteerd met de realiteit, konden we voortdoen met ons programma, of het afbreken en voortdoen met onze oorlog. Ze hebben voortgedaan met het programma. Ze zagen dat hier een kans lag om een brug te slaan. Er zitten extremisten aan beide kanten: bij hen én bij ons. Moeten die onze toekomst bepalen? Uiteindelijk zijn we de beste vrienden geworden. We zien mekaar, we bellen mekaar. Tien jaar geleden was dat nog ondenkbaar. En ziet u: zo'n klein groepje, die 25 mannen en vrouwen, die hebben familie. Vermenigvuldig dat met vijf, met tien, en ik heb al duizend mensen bereikt... Sus van Elzen