'Het zijn harde tijden en het wintert in de Grauwzone. Naakte witte kinderen kruipen kriskras door het Hof van Leysen op zoek naar worstenbroodkruimels voor de bijna dode kraaien, daar gestrooid door uitgeleefde afgeleefde oudjes. In hun neusgaten bevriezen de groene snotpieten. In het gegeselde, bebloede vlees van hun billen hakt en kerft Creutzfeld-Jacob diepe etterende wonden, onverbonden. Langzaam, tergend langzaam slechts wordt nu de Heiland geboren en schallen alle zenders muzak de ether in.'
...

'Het zijn harde tijden en het wintert in de Grauwzone. Naakte witte kinderen kruipen kriskras door het Hof van Leysen op zoek naar worstenbroodkruimels voor de bijna dode kraaien, daar gestrooid door uitgeleefde afgeleefde oudjes. In hun neusgaten bevriezen de groene snotpieten. In het gegeselde, bebloede vlees van hun billen hakt en kerft Creutzfeld-Jacob diepe etterende wonden, onverbonden. Langzaam, tergend langzaam slechts wordt nu de Heiland geboren en schallen alle zenders muzak de ether in.'Het zijn inderdaad harde tijden als dit de aanhef van een heel boek kan zijn. En dat boek, Slecht nieuws voor Doctor Paf de Pierennaaier, Pandemonium in de Grauwzone (1998), blijft dan nog zo goed als onopgemerkt. Ook door de kritiek, die de schrijver voordien toch redelijk goed gezind was: J.M.H. Berckmans, met genegenheid omgedoopt tot 'nachtburgemeester van Antwerpen'. Hetzelfde gebeurde vorig jaar met Na het baden bij Baxter en de ontluizing bij Miss Grace. Niets van gemerkt. Op de eerste bladzijde: 'Ik kom door een zwaaideur binnen in het kamertje dat ze graag het zitzaaltje willen noemen, alhoewel het een wachtzaaltje is, iets als het afbladderende stationskot van Leopoldsburg, Kamp van Brazzaville, de stemmen van de doden klonken vanmorgen in de bijtende kou en de gietende regen tussen de Lemméstraat en de Lange Batterijstraat, onderweg op Pieters fiets, weer luider dan de stemmen van de levenden, die nochtans nog sprekend zijn maar ook niets meer te zeggen hebben dan dat ze dringend moeten gaan schijten in de riolen van de Lange Batterijstraat, met z'n velen, nee, met z'n allen.' Het probleem met Jean-Marie Berckmans is dat je er niet een klein beetje van mag lezen, en dat véél lezen minder eenvoudig is dan het lijkt. Het is compact, bewerkt proza, waar verschillende lagen van ironie doorheen lopen. Ook al lijkt het op het eerste gezicht allemaal over pis en kak en vuile onderbroeken te gaan. Waar menigeen dan ook op afknapt, net als op zijn gezeur. En zeuren kan hij, in het spoor van Louis-Ferdinand Céline, Charles Bukowski en Henry Miller. Met die schrijvers wordt hij vergeleken. Omdat ook zij niet om de anekdote of de plot bekommerd waren - wat hen betrof, mocht de butler het gedaan hebben. Het ging hen om het zoemen van de taal, het ritmische rag van bezweringen die, in de formule van die andere zeur Gerard Reve, als nutteloze bouwsels het leed van de wereld in zich moeten opnemen. Dat, en niet het verzinnen van vertelseltjes over Janneke en Mieke (dixit Berckmans) is immers het werk van de kunstenaar. ZWARTE LITANIEBerckmans mag wat langdradigheid dan niet schuwen, zijn specialiteit is de korte baan. De litanie, niet het epos. Er hoeft in zijn wereld niets te gebeuren, en meestal gebeurt er in de verhalen ook niets. Eigenlijk is dat maar beter, want het is zo al erg genoeg. Wat voor interessants of verheffends kan er ook plaatsvinden in de wereld van een meestal werkloos, met schulden beladen, lelijk en dom tooghangend lompenproletariaat in een lelijke provinciestad? Het boeiendste wat je daar kunt verwachten, is de komst van de deurwaarder, of de huiseigenaar die het half afgebroken krot komt inspecteren. Maar meestal gebeurt zelfs dat niet, en heeft alleen het hondje Charlowie de keuken weer eens vol drollen gelegd en wordt er gewacht tot iemand - wie? - die komt opruimen, en dan ineens ook de vaat onder handen neemt. Wie zijn die mensen over wie Berckmans obsessief schrijft, omdat hij dat zo beslist heeft? In interviews zegt hij: 'Er zijn een miljoen armen in België, dat is een leger, als die allemaal samen naar Brussel gaan, breken ze het parlement en het koninklijk paleis af.' Maar ze doen dat niet, want ze zijn te vernederd en te geslagen om op straat te komen. Niemand hoeft wat Berckmans zegt of de cijfers die hij lanceert voor evangelie aan te nemen - maar dít is zijn werkterrein. Op een eerste niveau toch, op het eerste gezicht. Over wat daar leeft, of niet leeft, en wat daar gedacht wordt, heeft hij intussen een tiental boeken geschreven. Berichten van onder de puinhoop. Wat maakt zijn werk interessant? We zouden kunnen denken dat wat een manisch-depressieve dompelaar die nauwelijks nog voor zichzelf kan zorgen te melden heeft, niet boeiender kan zijn dan Amerikaans vuil realisme à la Hubert Selby. Dat kan niet eens aan Miller of Bukowski tippen. Bovendien zijn die Amerikaanse boeken al geschreven - tot in den treure zelfs - dus dat hoeft niet meer. We zouden ons vergissen. Het is altijd verkeerd om in dit land over Bosch en Bruegel te spreken, maar bij Berckmans is het onvermijdelijk. Wat hij doet, is een parallelle, paranoïde wereld scheppen, die wel raakpunten met de concreet bestaande wereld heeft - een stad, straten, cafés, het OCMW, herkenbare mensen met naam en toenaam - maar er in feite los van staat. Ongeveer zoals het Gotham van de Batman-films wel op Manhattan gebaseerd is, maar toch iets helemaal anders is. Die wereld, die bijeengelezen moet worden uit een opeenvolging van verhalen en fragmenten in Berckmans' boeken, zou je een langgerekte, monumentale metafoor kunnen noemen. Een structuur die bijna op zichzelf kan staan, maar naar iets anders verwijst, iets dat verder weg en onzegbaarder is. Het klopt bijvoorbeeld dat grote stukken van Antwerpen, waar hij zijn verhalen haast altijd situeert, afzichtelijk zijn en met recht de Barakstad genoemd kunnen worden. Alleen geldt dat nu net niet voor de Grauwzone, de buurt waar Berckmans het over heeft. Dat is een grotendeels net en soms zelfs chic stuk Antwerpen-Zuid tussen de Nationalestraat en de Mechelsesteenweg. Het Hof van Leysen is een park met prachtige bomen. De Lemméstraat, waar de schrijver verblijft, is een treffelijke straat. Maar Café De Raaf, ook wel Het Spetserke genoemd, moet toch wel een krocht zijn in de diepten van de onderwereld? In realiteit is het een heel gewoon café-zoals-een-ander. En de mensen die er komen, het zogenaamde uitschot, de dompelaars - in de boeken worden zij heel verraderlijk zo voorgesteld zonder dat er eigenlijk stáát dat ze het zijn - zijn meestal arm noch wanhopig, en al evenmin werkloos. Dat alles is decor, grondstof voor metamorfosen. Daarmee gaat Berckmans aan het werk. Hij neemt het op en maakt het groter en vooral grotesker: als het nu eens zo was dat... Als de Dood nu eens Sus van Waltery zou heten en in het café zat, en de vaste klanten heten Kernwinkel, Kromsky, Raimundo van Bedaf, Leonski Leon, en Jeanien het Poepmasjien, dan zou dat apocalyptische en onwaarschijnlijke toestanden kunnen opleveren. Ook Szukalski is erbij, niet toevallig de beeldhouwer van de spoken. Alles is baldadig. Omdat de levenden toch niets anders te melden hebben dan cafépraat, stadsmythen en dronkemanslatijn, beeldt Berckmans zich in wat ze zouden zeggen als ze allemaal nog een paar stappen verder gingen. Het zou de wereld niet vrolijker maken, maar wel een stuk expressiever. Dan komt er uitgangsverbod in de Grauwzone en rijdt 's nachts de Zuiveringsmilitie rond, en de Beul van Bekkevoort, de Killer van Kaggevinne. Wie door hen gepakt wordt, mag het vergeten.EEN SPIEGELPALEISDenk nu niet dat Berckmans het met al zijn provocaties en ijskoude humor gezellig maakt. We zijn niet bij Kamagurka. Berckmans ontwerpt en projecteert zijn fantastische spiegelpaleis, soms bijna in stripbeelden, tegen de nachtelijke hemel. Maar ook dat is weer decor. Daarbinnen schrijft hij zijn échte verhalen, vaak niet meer dan vignetten, een monoloog hier, een onbeweeglijke episode daar. Ze zijn niet allemaal even geslaagd, want soms is het wat dicht op een toch nog mogelijke werkelijkheid geschreven. De verhalen gaan over armoede, treurigheid, uitzichtloosheid en vernedering - en weer wordt dat uitvergroot, verschrikkelijker, lelijker, viezer en gemener gemaakt dan lezers gewend zijn in boeken tegen te komen. Want 'de enige nog resterende hoop is de wanhoop'. En: 'Pa. Ge zoudt eens moeten kunnen komen zien, de hele maatschappij is in elkaar aan het storten, ge zoudt het plezant vinden. Gevonden hebben.' Dat komt dichter bij Jean-Marie Berckmans zelf en wat hij te zeggen zou kunnen hebben. Een van zijn beste verhalen is Café De Raaf nog steeds gesloten. Dat gaat zo: 'Mosje en Linda hebben gelijk. De Moloch is aan de macht. Hij heeft de touwtjes stevig in handen. Alberto heeft ook gelijk. Ze kunnen het beter niet vertellen. Aan niemand. Ze houden het beter onder ons.' De waarheid die te erg is om mee te delen, en die ook de schrijver alleen maar kan aanduiden door over iets anders te praten. De stof van Bosch en Bruegel en van oude griezelverhalen. Het is een ondankbare taak voor de schrijver: 'Misschien moet je gewoon een ander verhaal verzinnen. Een volkomen uit de lucht gegrepen fabel. Gekruid met pittige details. Exotisch. Interessant. Begrijpelijk.' Liever dan dat te doen, gaat hij naar het café, bij 'de lui van alledag. Het gepeupel dat de kroegen bevolkt hier en overal elders'. We kunnen blijven citeren, tot we op een vers stoten: 'Verder schrijven? Of niet meer verder schrijven? Hoor de wind eens huilen.' Daarmee belanden we bij Jan Arends. De dichter-schrijver-kamerknecht Jan Arends, klein oeuvre, grote wanhoop. Hij pleegde zelfmoord in 1974. Of J.M.A. Biesheuvel: knettergek, depressief, meester op het heel korte verhaal, alleen gered door zijn Eva. En Louis Paul Boon uiteraard, die soms hoorbaar aanwezig is.IN DE VAL GELOKTJean-Marie Berckmans is een literair vakman. Zijn proza is niet gestroomlijnd, maar wel bewerkt. Hij doet haast geen toegevingen. Ook niet aan Nederland. Al schrijft hij - als hij geen Vlaamse of Antwerpse woorden, ritmes en uitdrukkingen aan het opkrikken is - zuiverder Nederlands dan het lijkt. Vaak is het moeilijk leesbaar, en af en toe onleesbaar. Dan gaat hij de rap- of rock-'n-rolltoer op en halen ritme en onomatopee het van elke betekenis. Maar altijd weet hij wat hij doet. De ene keer begint hij te zingen. Ook dan zal er wel betekenis zijn, zoals er ook in de namen en de bijnamen van zijn personages betekenissen en verwijzingen schuilen. Maar die mag je niet zoeken, en als je ze toch vindt, mag je er niet in geloven. Dan trap je immers in de door Berckmans gezette val. Overal staan ook citaten, verwijzingen, pastiches, objets trouvés: wie ze vindt, kan ze smaken. Met dat soort grappen maakt een schrijver zich uiteraard niet populair bij het grote publiek, dat uiteindelijk maar 847 van zijn boeken koopt. Berckmans neemt echter alleen zijn literatuur ernstig, niet zijn verkoopcijfers. Personages, figuranten en decors dienen om - samen met woorden, beelden, ritme en muziek, en met die enorme, surrealistische metafoor van de stad - in verschillende trappen aan te duiden en vorm te geven aan wat op een andere manier onzegbaar is. Dát is een mogelijke definitie van poëzie. Wat is die onzegbare waarheid? Dood en Liefde, natuurlijk. En dat het nooit meer goedkomt, dat de Dood deze keer niet heldhaftig is, maar vies, treurig verpletterend. Met die Dood valt misschien nog wel te praten, maar met de Liefde zeker niet. Het heeft dus geen zin om een beetje Berckmans te lezen. Om de spookstad te zien, moet de lezer het oeuvre verteren. Alleen dan zal op een gegeven moment de IJsman of Sus van Waltery aanpikken, en zal hij verkocht zijn. Maar hoe begin je eraan? Bij het debuut, Geschiedenis van de Revolutie (1977), heruitgegeven als Brief aan een meisje in Hoboken. Dat was zijn enige romanpoging, en is als roman volledig mislukt. Toch is het een hilarisch boek dat veel volgende Berckmansen aankondigt. Nooit kan iemand na het lezen ervan nog aan het lied Tiritomba denken zonder een hysterische lachstuip te krijgen. De bloemlezing Berckmans' Beste is een goede keuze uit de daaropvolgende verhalenbundels: Het zomert in Barakstad (1993), Taxi naar de Boerhaavestraat (1995), Na het baden bij Baxter en de ontluizing bij Miss Grace (2000), enzovoort. Nog één zin: 'Er komt een tijd dat de blaren niet meer vallen maar rotten en die tijd is nu.' Het zou een Antwerpse haiku kunnen zijn.Sus van Elzen