In Het boek van de lach en de vergetelheid (1979) schreef Milan Kundera: 'De moord op Allende bedekte al snel de nagedachtenis van de Russische invasie in Tsjecho-Slowakije, het bloedbad in Bangladesh deed Allende vergeten, de oorlog in de Sinaïwoestijn overschreeuwde het gehuil in Bangladesh, de slachting in Cambodja deed de Sinaï vergeten, enzovoorts, enzovoorts, enzovoorts, tot het volkomen vergeten van alles door allen.'
...

In Het boek van de lach en de vergetelheid (1979) schreef Milan Kundera: 'De moord op Allende bedekte al snel de nagedachtenis van de Russische invasie in Tsjecho-Slowakije, het bloedbad in Bangladesh deed Allende vergeten, de oorlog in de Sinaïwoestijn overschreeuwde het gehuil in Bangladesh, de slachting in Cambodja deed de Sinaï vergeten, enzovoorts, enzovoorts, enzovoorts, tot het volkomen vergeten van alles door allen.' Op 17 april 1975 - nu veertig jaar geleden - trok de communistische Rode Khmer zegevierend de Cambodjaanse hoofdstad Phnom Penh binnen. Het was het begin van een 'volkerenzelfmoord' die vooral dankzij de Amerikaanse bioscoopfilm The Killing Fields toch nog enigszins in het collectieve geheugen is blijven hangen. De complete bevolking van Phnom Penh werd door de Rode Khmer de stad uitgejaagd. Leider Pol Pot draaide de klok terug naar 'het jaar nul': hij installeerde een regime dat niet zozeer steunde op de theorieën van Marx en Lenin, maar op dwangarbeid, martelpraktijken, standrecht en terreur. Tussen 1975 en 1979 kwamen naar schatting twee miljoen Cambodjanen in de rijstvelden om het leven. Wat aan dat bloedbad voorafging, is wel in de vergetelheid geraakt. Tot 1970 heerste in Cambodja peis en vree: het was het gezegende land van de goedlachse prins Norodom Sihanouk, 'het Zwitserland van Zuidoost-Azië'. Nadat de prins van zijn troon was gestoten, begonnen de Amerikanen het Cambodjaanse platteland te bombarderen in de hoop de vluchtroutes vanuit buurland Vietnam af te snijden. De gevolgen waren desastreus: honderdduizenden boeren zagen zich gedwongen hun buffels te slachten en naar de hoofdstad te trekken. Phnom Penh werd onleefbaar. En de Rode Khmer, in 1970 nog een zootje ongeregeld van 4000 man, groeide in 5 jaar tijd uit tot een georganiseerd leger van 70.000 soldaten. De val van Phnom Penh - en twee weken later Saigon in Vietnam - betekende een keerpunt in de Amerikaanse buitenlandpolitiek. Ruim een kwarteeuw zouden de herinneringen aan het debacle in Zuidoost-Azië Amerikaanse presidenten weerhouden van rampzalige interventieoorlogen aan de andere kant van de wereld. Tot George W. Bush in Afghanistan en Irak de vergissingen van Richard Nixon herhaalde - met vergelijkbare gevolgen. Maar behalve hun bloeddorst en hun barbarij hebben de IS en de Rode Khmer nog wel meer met elkaar gemeen. Een voorgeschiedenis, bijvoorbeeld. Piet PirynsOok de Rode Khmer was in het begin maar een zootje ongeregeld van 4000 man.