Zeven weken voor de Amerikaanse presidentsverkiezingen op 4 november lijken de kansen te zijn gekeerd. De Republikein John McCain haalde de Democraat Barack Obama bij in de peilingen, en nam vier, vijf procent voorsprong. De geschiedenis wil dat een kandidaat zoveel achterstand in de tijd tussen de partijconventies en de verkiezingsdag zelf zelden goedmaakt. In de Democratische hoofdkwartieren neemt de vrees toe dat de winst bij de parlementsverkiezingen van twee jaar geleden weer verloren gaat.
...

Zeven weken voor de Amerikaanse presidentsverkiezingen op 4 november lijken de kansen te zijn gekeerd. De Republikein John McCain haalde de Democraat Barack Obama bij in de peilingen, en nam vier, vijf procent voorsprong. De geschiedenis wil dat een kandidaat zoveel achterstand in de tijd tussen de partijconventies en de verkiezingsdag zelf zelden goedmaakt. In de Democratische hoofdkwartieren neemt de vrees toe dat de winst bij de parlementsverkiezingen van twee jaar geleden weer verloren gaat. Toch maakt het campagneteam van Obama zich nog niet te veel zorgen. De kandidaat haalde in de maand augustus nog bijna vijftig miljoen euro op - een recordbedrag. Hij zal de komende weken elke cent nodig hebben om het laken in de verkiezingsstrijd weer naar zich toe te trekken. Zoals de krant International Herald Tribune enkele weken geleden schreef, kunnen de Democraten als ze nu niet winnen maar beter meteen een andere baan zoeken. Geen mens kan zich herinneren dat een regering het ooit zo slecht deed als die van de Republikein George W. Bush. Eigenlijk heeft de ommekeer nauwelijks met kandidaat McCain zelf te maken. Zijn ploeg werd versterkt met mensen die het vak bij Bush leerden. De Democratische econoom Paul Krugman waarschuwde in The New York Times voor de cultuur van de kleine leugentjes, die in 2004 John Kerry klein kreeg. Als een kandidaat de handen vol heeft met altijd proberen te weerleggen wat niet waar is, voert hij zelf geen eigen campagne meer. Zo heeft Obama nooit gezegd dat hij er voorstander van is dat kleuters seksuele opvoeding zouden krijgen. Maar het verhaal kreeg wel dagenlang ongelooflijk veel airtime. Met de keuze voor Sarah Palin als zijn kandidaat-vicepresident schoot McCain bij toeval in de roos. Hij had tevoren nauwelijks een kwartier met de gouverneur van Alaska gepraat. Hij kon niet weten dat ze zich op de Republikeinse Conventie met één rake toespraak zou ontpoppen tot de nieuwe schat van conservatief Amerika. Met Palin werpt McCain zich nu ook op als een hervormer. En dat was uitgerekend de kern van de boodschap waarmee Obama zijn Democratische rivale Hillary Clinton versloeg. Haar aanhangers kijken nu met meer dan een beetje leedvermaak toe hoe Obama met weer een andere vrouw worstelt. In de wetenschap dat die nooit zou zijn gevraagd, als Hillary een plek op het Democratische ticket had gekregen. Palin wordt nu goed afgeschermd en begeleid. Maar er komen kansen om aan te tonen dat ze niet de politieke wonderwoman is, die ze nu lijkt. In haar eerste, goed voorbereide vraaggesprek op televisie wist ze niet wat de interviewer bedoelde met een vraag over de Bush-doctrine: dat Amerika zich het recht toe-eigent om eerst toe te slaan, als het zich bedreigd voelt. Maar ze voelde zich wel klaar om de Russen aan te pakken, als die zich niet voegen. De campagne van Obama is wel glad en goed verpakt, maar zijn boodschap van verandering blijft tegelijk ook behoorlijk vaag. Dat geeft Sarah Palin de kans om uit te pakken met rake populistische oneliners. Als Obama de arbeiders en de middenklasse voor zich wil winnen, moet hij met concrete programmapunten laten zien dat hij aan hun kant staat. De puinhoop die George W. Bush achterlaat, biedt daarvoor meer dan ruimte genoeg. door Hubert van Humbeeck