De door paranoia getekende ?Bekentenissen? van Jean-Jacques Rousseau : een literair hoogstaande en intrigerend gênante biecht.
...

De door paranoia getekende ?Bekentenissen? van Jean-Jacques Rousseau : een literair hoogstaande en intrigerend gênante biecht.?Ik weet dat de lezer er niet veel behoefte aan heeft dit allemaal te weten?, bekent Jean-Jacques Rousseau ootmoedig op een van de meer dan zevenhonderd bladzijden van ?Confessions?, ?maar ik, ik heb er behoefte aan het hem te zeggen.? Deze curieuze mengeling van zelfrelativering en zelfoverschatting maakt van ?Bekentenissen? voor het eerst volledig en uitstekend in het Nederlands vertaald een bijzondere belevenis, een mengeling van extreme ergernis en intens genot. Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) begon in 1766 aan zijn memoires. Hij teerde daarbij op de herinneringen aan een welgevuld leven van filosoferen, mediteren en vooral intrigeren. Het eerste deel van de ?Confessions? werd drie jaar na zijn dood gepubliceerd, het tweede nog eens zeven jaar later. Het publiek was gecharmeerd door zijn mooie frasen, maar ook verontrust door de ongebruikelijke openhartigheid. Alleen al de titel brengt de zo door Rousseau beoogde objectiviteit in het gedrang. Het gaat inderdaad niet om belijdenissen, zoals meer dan dertien eeuwen eerder bij de ?Confessiones? van Augustinus, maar om bekentenissen. Maar wie bekent, heeft eerst verzwegen. Of hij haast zich toe te geven wat hem wordt aangewreven om andere zaken verborgen te houden. Een bekentenis is nooit helemaal van ganser harte, en wie ?bekennen? zegt, zegt ?schuld?. Schuld is alvast geen inhoudsloze notie voor iemand die zijn hele jonge leven heeft geleden onder het besef dat zijn beminnelijke moeder stierf bij zijn geboorte. Of voor iemand die een opvoedkundig boek ?Emile? schreef dat tot in de twintigste eeuw alternatieve pedagogen is blijven beïnvloeden, maar die zijn vijf eigen kinderen aan de poort van het weeshuis afzette. Door voortdurend te hameren op de waarheid van wat hij vertelt, wordt de lezer argwanend. Rousseau slaagt er hooguit in zijn memoires een schijn van objectiviteit mee te geven. Hij respecteert zoveel mogelijk de chronologie, en overlaadt zijn relaas met oeverloze details uit schrik dat er iets relevants aan zijn aandacht zou ontsnappen. Hij laat verschillende klokken luiden, ook de minder flatterende. Oprecht is hij wel, maar de aandachtige lezer van dit meedogenloze zelfproces stipt daarbij onmiddellijk aan dat oprechtheid vaak karakterzwakte als keerzijde heeft. EEN PSYCHOLOGISCHE CASE-STUDYNu is een autobiografie altijd een parti-pris, maar wie zich de moeite getroost om deze bijwijlen uitzonderlijk goed geschreven memoires en tegelijk ongelooflijk gênante egotripperij tot op het einde door te nemen, heeft recht op een antwoord : zijn Rousseaus ?Bekentenissen? werkelijk zo objectief als hij ons wil doen geloven ? Wat heeft de toch niet banale filosoof ertoe bewogen om zichzelf zo meedogenloos te blameren ? Wat maakt dat dit boek interessanter is als psychologische of zelfs pathologische case-study dan als mijlpaal in de geschiedenis van het zelfbewustzijn ? Want zoveel is zeker, ongeremde gevoelens vormen een wankele basis voor een objectief zelfportret, a fortiori als het om de gevoelens van een ?overgevoelige? geest gaat. Rousseau verantwoordt voortdurend zijn werkwijze. Geen overbodige geste, want het door hem bedreven literaire genre is nieuw op het einde van de achttiende eeuw. Hij geeft hierbij herhaaldelijk aan hoe uniek hij wel is alsof hij daarmee het uitvoerige relaas over zijn zonderlinge levenswandel zou kunnen rechtvaardigen. Dit leidt tot bizarre formuleringen. Deze kunnen worden geduid als uitingen van gezwollen romantiek, maar wijzen eerder op de paranoia die de wijze van Genève algemeen wordt toegeschreven. Welk zinnig mens verklaart immers zonder verpinken dat zijn temperament ?het lichtst ontvlambare, maar tegelijk meest schuchtere (is) dat de natuur mogelijk ooit heeft voortgebracht? ; dat geen hartstochten ?ooit tegelijk heviger en zuiverder? waren dan die van hem ; dat hij ?alles bij elkaar genomen de beste mens (is) die er rondloopt? ; dat zijn levenslot ?onder de stervelingen zijn weerga niet heeft? ? Gelukkig bekent hij : ?Ik geloof niet dat er ooit een vertegenwoordiger van de menselijke soort heeft bestaan die van nature minder zelfingenomen was dan ik.?In zijn ?methodologisch? te noemen passages benadrukt Rousseau voortdurend zijn bedoeling. Gaat het hier om een artistiek exploot, een onpartijdig relaas of een regelrechte rechtvaardiging, ja zelfs een verdediging ? Wellicht heeft het van dat alles wat, maar van de twee laatste het meest. Hijzelf zegt met zijn memoires het nageslacht de nodige informatie te willen aanreiken opdat het, ongehinderd door de geruchten en kwaadsprekerij die hem zijn leven lang hebben achtervolgd, zou kunnen oordelen over de vervolgingen waarvan hij het slachtoffer was. Openhartigheid is Rousseaus belangrijkste en, in zijn ogen althans, laatste troef. De filosoof zat in slechte papieren toen hij aan zijn memoires begon. Hij voelde zich door iedereen verlaten en bedreigd. Van zijn talrijke omzwervingen had hij niets overgehouden om op terug te vallen en hij begon aan zijn boek in Engelse ballingschap. ALTIJD DE VERKEERDE VROUWENRousseau had alle krediet verloren met zijn onhandige sociale en amoureuze manoeuvres. Zo werd bijvoorbeeld zijn afwijzing van alle eerbetoon naar aanleiding van zijn opera ?Le Devin du village? hem niet in dank afgenomen. Bovendien werd hij om de haverklap verliefd op de verkeerde madames : de Warens, d'Houtetot, d'Epinay, de Larnage... Nog erger was dat hij omwille van zijn cultuurfilosofische denkbeelden zwaar werd aangevallen door onder anderen Voltaire. Die verweet hem dat hij de mens weer op vier poten wilde doen lopen. Ook zat hij in nesten door zijn godsdienstige overtuigingen het over en weer flaneren tussen calvinisme en katholicisme, maar vooral de deïstische geloofsbelijdenis van de Savoyaardse kapelaan in ?Emile?, werden hem in een tijd van religieuze intolerantie zwaar aangerekend. En met zijn politieke bemoeienissen had hij zich in de tumultueuze staatkundige constellatie van die dagen ook al op gevaarlijk terrein begeven. Het conflict tussen het provocerende, utopische denken en het klaarblijkelijk onvermogen om alle cultuurfilosofische, opvoedkundige, theologische en staatkundige principes in de praktijk om te zetten, blijft in ?Bekentenissen? opvallend op de achtergrond. Rousseau besteedt weinig aandacht aan zijn denkbeelden. Hij gaat wel uitvoerig in op het doolhof van intriges en complotten waarin hij met zijn achtervolgingswaanzin het noorden is kwijtgeraakt. Alsof hij vooral hierom werd verguisd, en niet om zijn provocerende geschriften. Het zwaartepunt ligt dus in de paranoïde strijd van een onzelfzekere, naar erkenning hengelende, sociaal onaangepaste eenling tegen een door hem als onvriendelijk gepercipieerde omgeving vol reële en ingebeelde vijanden. De ?Bekentenissen? van Rousseau zijn vooral interessant als het zelfportret van een zieke en in de loop van zijn zelfanalyse almaar zieker wordende geest. De oorzaken en symptomen van Rousseaus paranoia hebben zich over het hele boek uitgezaaid : van de meest onschuldige zijn bijziendheid tot de allerexplicietste. Maar er zijn ook : ?hevige angsten bij het ritselen van een blad? ; ?denkbeeldige kwalen, die voor mij wreder zijn dan de werkelijke? ; de almaar terugkerende herinnering aan misstappen ; de zelfverloochening en schuldgevoelens ; de grote gevoeligheid voor complimentjes en erkenning (in schril contrast met zijn voortdurend verheerlijken van isolement en eenzaamheid) ; het afschuiven van verantwoordelijkheid ( ?het is mijn hart dat spreekt en daar kan ik niets tegen doen?) ; het onvermogen om te genieten (meestal laat hij het vergallen door op het verlies ervan te anticiperen) ; de nauwgezetheid in de vertolking van zijn gevoelens, die duidelijk niet is ingegeven door louter stilistische bekommernissen ; het vervelende streven naar volledigheid. En wat te denken van iemand die zich, op het ogenblik dat iedereen hem al bespot, begint te hullen in Armeense klederdracht ? PRATEN OVER DE VLIEGENTegen het einde van het boek treft de paranoia zelfs de lezers : Rousseau verdenkt hen ervan dat ze ?klaarstaan om mij gevoelens toe te schrijven die zo slecht zijn dat ze zelfs niet in het hart van een mens kunnen opkomen.? Daarmee is de maat vol en wordt de zelfpijniging enkel nog gecompenseerd door het onmiskenbare literaire genie en de intrigerende vraag of hij zichzelf op een minder gunstige manier heeft voorgesteld dan in werkelijkheid zijn bedoeling was ! Wat de sociale onaangepastheid van de filosoof betreft, is het optreden van de zoemende vlieg hilarisch te noemen. Dat is het beeld waarmee Rousseau het uitgeholde society-vertoon genadeloos vastlegt. Hij schrijft hoe hij die met de pen zo goed overweg kan, oog in oog met levende mensen verstrikt raakt in zijn eigen verlegenheid en onhandigheid, en alle alertheid mist die nodig is om bij te dragen tot het algemene welbehagen. Hij valt ten prooi aan uitzichtloze verveling bij de eindeloze small-talk-sessies waarbij je moet zitten praten ?over het weer of over de vliegen die rondzoemen.? De verplichte roddelsessies bij Madame de si of de la blijkbaar onvermijdelijk voor een filosoof met ambitie zijn voor Rousseau des te rampzaliger omdat hij er niet in slaagt zijn mond te houden en met zijn lullige opmerkingen velen ongewild tegen de schenen schopt ! Met de hem kenmerkende zin voor dramatische overdrijving besluit hij : ?de talenten waaraan het mij in het maatschappelijk verkeer heeft ontbroken, zijn de oorzaak geweest van de teloorgang van mijn werkelijke gaven.?Over dit soort sociale perikelen heeft Rousseau het meest te bekennen. We zien hoe zijn achterdocht enorme proporties aanneemt en hoe de pleitbezorger van het eenvoudige, teruggetrokken leven in de natuur verzuipt in een wirwar van verplichte bezoekjes, onmogelijke liefdes, bitterzoete herinneringen aan vervlogen geluk... Uiteindelijk ziet hij zich gedwongen om te vluchten langs een achterpoort, weg uit de maatschappij die hij zoals na zijn dood zal blijken zo diepgaand heeft beïnvloed. De paranoia maakt Rousseau ook zeer sceptisch tegenover alles wat hem nog te wachten staat. Tegelijk geeft hij zich over aan nostalgie. ?Ik zie in de toekomst niets meer dat me aantrekt, alleen de terugkerende beelden van het verleden kunnen me nog bekoren en de zo scherpe en levensechte beelden uit die periode maken me vaak gelukkig, ondanks mijn ongeluk.? De structuur van ?Bekentenissen? weerspiegelt die tweespalt : deel 1 beschrijft de onbezorgde jeugd, deel 2 de rancuneuze volwassenheid. Rousseau schrijft die ommekeer toe aan zijn klim op de sociale ladder : bovenaan vind je veel minder onbedorven naturen, en kan je dus niet anders dan ongelukkig zijn. Het verschil in literaire kwaliteit is frappant. In deel 1 vertelt hij met onmiskenbaar plezier over zijn jonge jaren. Zijn beschrijvingen sprankelen, de anekdotiek is rijk en interessant, de personages komen tot leven en spreken tot de verbeelding. De taal is, hoewel barok, altijd fris en verfijnd. In het minder interessante en minder geloofwaardige tweede deel is het relaas veel minder uitgebalanceerd ; de auteur wisselt oppervlakkige opsommingen af met uitdiepingen van bagatellen. Zijn wassende waanzin heeft hier nadrukkelijker zijn sporen achtergelaten. ZIJN MEMOIRES EN DE LIEFDEIn de twee jaar tussen de voltooiing van het eerste en het aanvatten van het tweede deel gaat Rousseaus gemoedstoestand er niet op vooruit. Dat heeft als interessant neveneffect dat de lezer zich niet alleen kan verdiepen in de chronologisch weergegeven opeenvolging van de belangrijkste gebeurtenissen, maar ook in zijn ziekte waarvan we in ?Bekentenissen? in toenemende mate de symptomen kunnen ontwaren. De breuk tussen de beide boekdelen wordt ten overvloede aangekondigd. Deze kunstgreep sorteert een omgekeerd effect. Door voortdurend op de ?rampspoed? te hameren die volgens Rousseau een definitief einde aan zijn onbezorgdheid heeft gesteld, vermindert hij de impact van de gebeurtenissen. De lezer is inmiddels al op zijn hoede voor de achtervolgingswaan en ziet de spankracht van het tweede deel in elkaar zakken. Zijn openhartigheid en het zichzelf wegcijferen bezorgen hem alleen gêne, irritatie en op den duur onverschilligheid misschien wel de ergste vorm van verbanning. Rousseau wil met de verheerlijking van zijn verleden niet alleen te ontkomen aan zijn echte en ingebeelde vijanden. ?Het zoete geluk van het teruggetrokken, huiselijke leven moest me compensatie bieden voor de schitterende toekomst die ik vaarwel zei.? Huiselijkheid dus liefst ver van de boze wereld en met uitzicht op een weids landschap. De verheerlijking van het landschap en de natuur vinden we voortdurend terug. Rousseau legt daarbij een uitgesproken voorkeur aan de dag voor alleen door hemzelf bewoonde eilanden. Maar een comfortabele kleine woning in een rustig kasteelpark kan er ook best mee door. Zijn mecenassen hebben er vaak voor gezorgd, met een gulheid die scherp contrasteert met de slechtheid die hij de meesten onder hen aanwrijft. Andere compensaties voor zijn psychisch leed vindt de opgejaagde in zijn eigenzinnige vorm van natuurreligie waarvan de dilettantische studie van de botanica (om ?geen ruimte te laten aan de waanzin van de verbeelding?) een afgeleide is en in het schrijven van zijn memoires en in de liefde. Wat dat laatste betreft bestond het leven van onze promeneur solitaire uit een aaneenschakeling van stommiteiten en onhandigheden waarmee de autobiografie dan ook ad nauseum wordt opgefleurd. In het feit dat Rousseau zijn moeder nooit heeft gekend, herkent de eerste de beste zielknijper onmiddellijk de aanzet tot een tot mislukken gedoemd liefdesleven. Zijn relatie met de dertien jaar oudere Madame de Warens, die hij ?Maman? noemde, ervoer hij zelf als lichtelijk incestueus. Zijn uiteindelijke levensgezellin, de eenvoudige Thérèse Levasseur, ?de enige werkelijke troost die de hemel me in mijn ellende heeft geschonken?, bedacht hij ook al met een erg familiaire koosnaam : ?Tante?. OEVERLOOS GEZEURTussen deze beide uitersten van bereikbaarheid de nooit meer terug te winnen, ideale Maman, en de al te aanwezige, niet bijzonder snuggere maar hondstrouwe en huiselijke Tante ontrolt zich een respectabele lijst van minnaressen, lichtekooien, toevallig passerende freules wier oogopslag de licht ontvlambare Jean-Jacques als de opperste gelukzaligheid treft, strenge beschermbaronessen met opvallend veel geld en geduld,... Tot een echt harmonieuze verhouding komt het nooit. Rousseau heeft een enigszins masochistisch gekleurde seksuele voorkeur, zoals blijkt uit de voor zijn tijd erg vrijmoedige beschrijving van zijn eerste seksuele ervaring. Hij prefereert een niet door seksuele verlangens bezoedelde vriendschap voor een persoon van het andere geslacht ?ik hield te veel van haar om haar te begeren?, schrijft hij ergens. Uiteraard slaagt de filosoof er ook in de liefde niet in om droom en daad op elkaar af te stemmen. Uiteindelijk restte Rousseau, filosofisch uitgepraat en door de door hem aangevallen maatschappij uitgespuwd, niets anders dan het schrijven van zijn memoires. Of hij beter is geworden van zijn gênante seculiere biecht valt niet met zekerheid te zeggen. Als het zijn bedoeling is geweest om zich te verdedigen of te verrechtvaardigen, is hij op dramatische wijze mislukt. Zijn oeverloos gezeur wekt in het beste geval medelijden op, maar waarschijnlijk vooral verveling en afkeer. Veelzeggend is dat Madame d'Epinay, een van zijn vroegere weldoensters, de politie liet aanrukken om de bijeenkomsten te verbieden waarop hij uit zijn ?Bekentenissen? voorlas. Aanvankelijk wilde Rousseau zijn ?Confessions?, die stoppen op het ogenblik dat hij naar Engeland vluchtte (1766) met een derde deel aanvullen. Dat kwam er niet, toch niet in dezelfde vorm. Wel schreef hij ?Rêveries d'un promeneur solitaire? (1776), door velen beschouwd als het afsluitende deel van zijn autobiografie (en alweer als een meesterwerk in de Franse literatuur). Rousseau klinkt hier onthechter, èchter ook, en vooral : tot rust gekomen. Pascal Cornet Jean-Jacques Rousseau, ?Bekentenissen?, vertaling Leo van Maris, De Arbeiderspers, Amsterdam (Privé-domein nr. 211), 770 blz., 1980 frank.