Als een alien nietsvermoedend neerdaalt op aarde en eerst in een tentoonstelling met schilderijen van Fernand Léger (1881-1955) belandt, dan moet hij denken dat de blauwe planeet een paradijs voor machines en machinemensen is. Constructies, raderen, buizen, geometrische vormen en knetterende kleuren. De moderne industrie staat er in volle bloei, zozeer dat ze ook een nieuw type mens naar haar beeld en gelijkenis aflevert. De ongebreidelde groeikoorts van de nijverheid in de eerste helft van de 20e eeuw, fascineerde zowel futuristen met een zwak voor het fascisme als kubisten met communistische sympathieën.

Een zo onvoorwaardelijke vooruitgangsoptimist als Léger was toch eerder uitzonderlijk. Een buitenbeentje was hij sowieso: meedrijvend met de kubistische stroom, tot hij door Louis Vauxcelles ontmaskerd werd als tubist. De spitse criticus bedoelde daarmee iemand die de industrieel maakbare mens weergeeft, een collectief ingesteld wezen, geheel opgetrokken uit buizen, tubes zo men wil. Ik slaag er maar moeilijk in om te begrijpen hoe Léger dat geloof volhield gedurende twee wereldoorlogen. De eerste maakte hij zelfs aan den lijve mee op het knekelveld van Verdun. Na afloop omschreef hij broodnuchter de massaslachting als 'de academie van het kubisme', een ongelukkige vergelijking tussen lichamen die aan stukken vliegen in de oorlog en gefragmenteerd worden in de kubistische kunst.

Léger schilderde de industrieel maakbare mens, een collectief ingesteld wezen, geheel opgetrokken uit buizen.

Het is anders heerlijk toeven in de wereld van een man die het zo voorstelt dat de hemel op aarde ligt, een illusie die het sterkst aanslaat in zijn superformaatschilderijen. In Le Transport des Forces is de hemel een gezellig met geometrische figuren gedecoreerde fabriek bij een ontketende waterstroom, een duurzame regenboog, een hoogspanningsmast en een spoorlijn waar de trein net voorbij gesneld is. Légers medewerkers voerden het werk niet toevallig uit voor de Internationale Tentoonstelling van Kunsten en Technieken in het moderne leven (Parijs, 1937), een manifestatie die perfect beantwoordde aan de sociale functie die de kunstenaar zijn werk toekende. De boog stond echter niet altijd gespannen. In de Compositie met twee papegaaien is het paradijs verplaatst naar de open lucht waar opblaasbare figuren sierlijk poseren met twee papegaaien onder een blauw wolkendek dat uit steen gehouwen lijkt.

Dol op alles wat modern was en een groot publiek aantrok, experimenteerde Léger naar hartenlust met het nieuwe medium cinema. Voor L'Inhumaine van Marcel L'Herbier putte hij uit zijn geometrische vormenarsenaal voor het decor van een futuristisch lab dat gaat schudden en beven in een poging om de zieltogende heldin uit de dood terug te halen. In zijn eigen film Le Ballet mécanique verknipte hij heterogene figuren uit zijn hele repertoire en liet ze onder hels geroffel en in een strak tempo over het scherm rollen. De stoet opent en sluit met Charlot cubiste, een variabele assemblage uit beschilderde houten plaatjes met de karakteristieken van de onsterfelijke Charles Chaplin.

Duizendpotig als geen ander deed Léger ook zijn ding met letters, boeken, circusnummers, fotografie en de bouwkunst van met name Le Corbusier, voor wie hij het belang van kleur in de architectuur demonstreerde. Schoonheid alom dus, de expo heeft zijn titel niet gestolen. Een soort schoonheid die bijna altijd razend modern en statisch klassiek tegelijk geformuleerd is. Met opzet zo blijkt. Hij zei: 'Schoonheid is overal, in de schikking van kookpannen tegen een witte keukenmuur, meer nog wellicht dan in uw achttiende-eeuwse salon of in officiële musea.'

Tot 3 juni.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.