Beeldende kunst van de veertiende tot en met de twintigste eeuw, verspreid over de veertig tentoonstellingszalen van het museum: dat is de relance van het MSK. Het menu bij de herinstallatie van de collectie is overdadig, de kwaliteit wisselend, het parcours omgeleid door corona. Maar op deze nieuwe presentatie van de vaste verzameling is hard gewerkt. In de in wisselende kleurtjes geverfde zalen wordt de tijdslijn doorbroken door prikkelende themazalen, solo-ensembles en een experimenteerruimte voor een jong publiek.
...

Beeldende kunst van de veertiende tot en met de twintigste eeuw, verspreid over de veertig tentoonstellingszalen van het museum: dat is de relance van het MSK. Het menu bij de herinstallatie van de collectie is overdadig, de kwaliteit wisselend, het parcours omgeleid door corona. Maar op deze nieuwe presentatie van de vaste verzameling is hard gewerkt. In de in wisselende kleurtjes geverfde zalen wordt de tijdslijn doorbroken door prikkelende themazalen, solo-ensembles en een experimenteerruimte voor een jong publiek. De meeste toppers, van Jheronimus Bosch tot James Ensor en Raoul De Keyser, zijn goed ondergebracht - beter alvast dan Antoon van Dyck en Edgard Tytgat, die wat verloren hangen. Vaste waarden als Léon De Smet, Constant Permeke en George Minne komen extra uit de verf. Enkele herontdekkingen toch ook: zelden getoonde middeleeuwse sculptuurtjes in albast, indringende grootstadsgrafiek van Frans Masereel, een reeks etherische tekeningen met poëtische bijschriften (Les amours de Marthe) van Maurice Denis. Hier en daar is zelfs een lokaal curiosum vanonder het stof gehaald: op het schilderij De allegorie van de welwillendheid van Benjamin Sammeling biedt een gezonde vrouw haar kwelgeest brood en een schaal moedermelk aan. Het werk van heel wat anonieme, vooral vijftiende-eeuwse meesters in de collectie doet kwalitatief weinig of niets onder voor dat van de bekende namen. Het MSK pakt er dan ook nadrukkelijk mee uit. De hand van de paneelschilder van een Madonna met de Anjer wedijvert met die van Rogier van der Weyden; in een Bewening van Christus komt het genie van Hugo van der Goes tot leven; de schilder van Een man van smarten kwam overduidelijk 'uit de omgeving' van Robert Campin. Het onbekende talent dat een Zogende Maria schilderde, hoeft zelfs niemand naast zich te dulden, maar ging de geschiedenis in met de noodnaam Meester van de Legende van de Heilige Magdalena. Dat sommige experts twijfelen aan de authenticiteit van Bosch' Kruisdraging bracht het MSK niet van zijn stuk. Als het werk niet van Bosch is, dan zeker van zijn geniale dubbelganger, was de repliek van conservator Robert Hoozee (1949-2012). De discussie leidde tot de centrale, als zaaltekst geafficheerde vraag: 'Hoe belangrijk is de identiteit van de kunstenaar voor onze beleving van een kunstwerk?' De professionele en maatschappelijke context van de kunstwerken wordt helder uiteengezet. Het belerende vingertje bij Van Dycks Jupiter en Antiope, het tafereel waarin de oppergod zich vergrijpt aan de slapende waternimf, is te schuchter om te beweren dat de MSK-collectie nu aan een moreel oordeel onderworpen zou zijn. Bedenkelijker is dat de topzware presentatie van de negentiende-eeuwse kunst samengeperst werd onder het thema Progressief versus behoudsgezind. De stelling luidt dat kunstenaars toen aangewezen waren op 'de salons', 'georganiseerd door reactionaire kunstmiddens' (sic), wat impliceert dat ze dan ook reactionaire kunst zouden hebben gefabriceerd. Hun 'vooruitstrevende tegenhangers' stelden dan weer 'eigentijdse mensen van vlees en bloed voor, met een grote expressiviteit en diepmenselijke emotie'. Zo'n voorstelling is te kort door de bocht, al schuilt er een kern van waarheid in. Helaas blijkt de tegenstelling tussen de 'rivaliserende uitersten' niet uit de presentatie, die alles op een hoop gooit. Het probleem is dat de aanzienlijke verzameling negentiende-eeuwse kunst, naast absolute meesterwerken ( De Kleptomaan van Théodore Géricault) ook heel wat middelmaat bevat. Dat komt omdat dit stedelijke museum lange tijd zijn aanwinsten betrok uit de vaste aankopen van de stad op de jaarlijkse 'reactionaire' salons in Gent. Ook dit luik van De Collectie verdient een fijne kam in plaats van een grove borstel.