Waarom zelf beelden bijmaken als er al een overvloed aan is? Dat is de vraag van het postmodernisme. Als jonge kunstenaar wilde Douglas Gordon (°1966, Glasgow) liever een eigen draai geven aan bestaand materiaal dat diep in het collectieve geheugen gegrift staat. Zo was er Alfred Hitchcocks thriller Psycho (1960), die de grenzen van horror in de cinema verlegde. Gordon liet de film vertraagd afspelen, zodat hij geen 109 minuten maar een etmaal duurt, en hij presenteerde hem zonder klank in een kunsthal in plaats van in de bioscoop. Als filminstallatie laat 24 Hour Psycho (1993) de ruimte en de tijd anders ervaren, brengt onvermoede details aan de oppervlakte en laat de expressies, de beeldcompositie en het spel van licht en donker...

Waarom zelf beelden bijmaken als er al een overvloed aan is? Dat is de vraag van het postmodernisme. Als jonge kunstenaar wilde Douglas Gordon (°1966, Glasgow) liever een eigen draai geven aan bestaand materiaal dat diep in het collectieve geheugen gegrift staat. Zo was er Alfred Hitchcocks thriller Psycho (1960), die de grenzen van horror in de cinema verlegde. Gordon liet de film vertraagd afspelen, zodat hij geen 109 minuten maar een etmaal duurt, en hij presenteerde hem zonder klank in een kunsthal in plaats van in de bioscoop. Als filminstallatie laat 24 Hour Psycho (1993) de ruimte en de tijd anders ervaren, brengt onvermoede details aan de oppervlakte en laat de expressies, de beeldcompositie en het spel van licht en donker helemaal tot zijn recht komen. In 1995 nam de kunstenaar de westernklassieker The Searchers (1956) van John Ford onder handen. Als kind vroeg hij zich al af hoe een vijf jaar durende queeste van een schuldbewuste man (John Wayne) naar zijn ontvoerde nicht - de wanhoop en de twijfels, de angst - in godsnaam kon worden samengeperst tot twee uur. Hij rekte hem uit tot zijn duur in reële tijd in de filminstallatie 5 Year Drive-By, wat een beklemmende ervaring oplevert voor wie het geduld opbrengt om er een kwartier naar te kijken en moet vaststellen dat hij slechts een fractie van een seconde in cinematografische tijd heeft gezien. Gordon graaft in het geheugen, het zijne en het collectieve, het onze. Hij drukt herinneringen uit in tijdsduur en geeft ze daarmee een soms ondraaglijk gewicht. Voor de installatie Something Between My Mouth and Your Ear (1994) liet hij in een volledig lege, blauw verlichte kamer dertig popsongs uit 1966 - het jaar van zijn geboorte - na elkaar afspelen. Van I'm a Believer (The Monkees) en Wild Thing (The Troggs) tot Summer in the City (The Lovin' Spoonful): nummers uit de hitparade die mijn moeder zeker moet hebben meegezongen en die mij via haar oor hebben bereikt in de moederschoot, zo dacht hij. Die tijd spookt nog door zijn hoofd, want de popcultuur van midden jaren 60 duikt opnieuw op in de schilderingen uit zijn reeks obsederende variaties op het thema Paradise (2020). Ditmaal maakt hij gebruik van plaatjes met meisjes, gerecupereerd uit Playboy en andere publicaties met film- en societyiconen. Ze documenteren het erotische klimaat uit die periode, en zijn moeder moet die ook hebben bekeken terwijl ze in verwachting van hem was. Het leek dan onvermijdelijk dat Douglas Gordon als beeldend kunstenaar werd aangezogen door het werk van Andy Warhol, sterkunstenaar van de popart: diens zeefdrukken van Marilyn Monroe en Jackie Kennedy, naast diens ontelbare filmportretten, opgenomen in realtime. Vergreep hij zich in 2007 rechtstreeks aan de gezichten van Warhols iconen door hun reproducties met de brander en stukken spiegelglas te lijf te gaan (de reeks Self-Portrait of You and Me), dan behandelt hij in Paradise de meisjes uit Playboy veeleer zoals Sigmar Polke in 1966 deed op zijn Bunnies-schilderijen: als vale schimmen. Gordon posteert hun afdrukken schijnbaar lukraak op vuile, dunne doeken vol brandgaten, intrigerende sporen en stempels, verfklodders, stukken spiegelglas. Behandeld met het oplosmiddel aceton, zijn ze nog amper zichtbaar, maken ze deel uit van een leeg universum in staat van ontbinding. De twee video's en de neoninstallatie die Paradise complementeren, bevestigen de indruk dat het paradijs, voor zover het ooit bestaan heeft, zich in 1966 in de moederschoot bevond, en intussen al lang Paradise Lost moet heten.