Ze is al ruim tien jaar niet meer te zien op haar vertrouwde plek. Afgezien van enkele uitstappen naar internationale toplocaties blijft eenzame opsluiting haar deel. Sinds oktober 2010, toen Paul Huvenne het museum van Antwerpen (KMSKA) dichtdeed voor een grondige restauratie, is ze aan haar derde directeur toe. Huvenne werd opgevolgd door Manfred Sellink, die onlangs werd vervangen door Carmen Willems. Samen met duizenden andere kunstwerken wacht De Oestereetster (1882) ongeduldig op het einde van haar quarantaine en de heropening van haar vernieuwde onderkomen, dat schitterend belooft te zijn.
...

Ze is al ruim tien jaar niet meer te zien op haar vertrouwde plek. Afgezien van enkele uitstappen naar internationale toplocaties blijft eenzame opsluiting haar deel. Sinds oktober 2010, toen Paul Huvenne het museum van Antwerpen (KMSKA) dichtdeed voor een grondige restauratie, is ze aan haar derde directeur toe. Huvenne werd opgevolgd door Manfred Sellink, die onlangs werd vervangen door Carmen Willems. Samen met duizenden andere kunstwerken wacht De Oestereetster (1882) ongeduldig op het einde van haar quarantaine en de heropening van haar vernieuwde onderkomen, dat schitterend belooft te zijn. Maar ze mag niet mopperen. Tijdens de lange rustperiode wordt het vroege meesterwerk van James Ensor door Lene Smedts ontdaan van de vergeelde vernislaag die haar kleurenpracht versluiert, en recent zette conservator Herwig Todts haar op de website van het museum speciaal in de verf: ze is te zien in een aflevering van James Ensor in vogelvlucht, drie filmpjes over de achtergrond, de keukengeheimen en de bewonderaars van de Oostendse meester, 'postmoderne kunstenaar avant la lettre', en 'altijd op de vlucht voor het banale, altijd op zoek naar het gelukzalige'. Toen hij als 22-jarige zijn zus Mitche als Oestereetster schilderde, week hij naar Belgische normen behoorlijk af van het rechte pad. Het doek (twee meter hoog en anderhalve breed) werd doorgaans te groot bevonden voor het bescheiden onderwerp, het coloriet te schril, de compositie te slordig, de penseelstreek te brutaal en het onderwerp niet veel minder dan vrijpostig: een vrouw alleen aan tafel, met heel veel trek genietend van een oester en een exquise wijn. Ensor stuurde het werk in voor de Antwerpse Salon van 1982, maar het werd geweigerd. Het was de eerste maar lang niet de laatste weigering waarmee Ensor ondanks zijn groeiende internationale faam te maken kreeg. In een brief uit 1927 aan de Antwerpse verzamelaar, mecenas en kunstpromotor François Frank concludeerde hij vol bitterheid: 'De geesten die bij stilstand zweren, verfoeien mijn aanhoudende experimenten, en mijn gevoeligheid laat hen koud. Straks moeten we weer de lompe en stomvervelende oordelen trotseren van het publiek, van de achterlijke collega's en de strebers die het moeten hebben van winstgevende machinaties, want alles lijkt nu naar plannetjes en machinaties te ruiken.' De avant-garde stond pal en bouwde gestaag haar eigen netwerk, tentoonstellingen en tijdschriften uit. In 1904, na een bezoek aan een Ensortentoonstelling in haar geboortestad Luik, trok de 26-jarige kunstcritica en dichteres Emma Lambotte naar het atelier van de Oostendse meester. Ze werd er naar eigen zeggen ontvangen als een 'kerel', niet als een 'dame die beleefdheden behoeft'. Op haar knieën op het parket keek ze vol bewondering naar een heleboel uitgestalde etsen. Kort nadien tipte Lamotte haar Antwerpse kunstconnecties, en in het bijzonder François Frank. De mecenas deelde haar enthousiasme en deed nieuwe deuren opengaan. Aan de ontmoeting met Emma Lambotte hield Ensor een goede vriendin en een betrouwbare tussenpersoon over. In een brief aan André De Ridder omschreef hij haar als la Bouvière, de behoedster van zijn werk. Dat was allerminst overdreven. Toen De Oestereetster na jarenlang talmen in 1908 door de Luikse gemeenteraad op esthetische en morele gronden niet werd aangekocht voor het stedelijke museum besloten Lambotte en haar man om het doek samen met enkele andere werken van Ensor op te nemen in hun privéverzameling. Toen ze er in 1927 afstand van deden, werd De Oestereetster aangekocht door het museum van Antwerpen, waar zij tot nader order het bestaan van Schone Slaapster leidt.