A fstand moeten houden kan leiden tot een aanrakingssyndroom. Alleen goden lijken er geen hinder van te ondervinden. Als ze zich willen laten zien, nemen ze een menselijke gedaante aan, raken wie ze maar willen aan of roepen hun onaantastbaarheid in om huidhongerige stervelingen van zich af te houden. Het begint al in de oudheid, zoals we in het boek Aeneis van Vergilius (70-19 v.Chr.) kunnen lezen en op het schilderij De ontmoeting van Aeneas en Venus (ca. 1630) van Pietro da Cortona kunnen zien.
...

A fstand moeten houden kan leiden tot een aanrakingssyndroom. Alleen goden lijken er geen hinder van te ondervinden. Als ze zich willen laten zien, nemen ze een menselijke gedaante aan, raken wie ze maar willen aan of roepen hun onaantastbaarheid in om huidhongerige stervelingen van zich af te houden. Het begint al in de oudheid, zoals we in het boek Aeneis van Vergilius (70-19 v.Chr.) kunnen lezen en op het schilderij De ontmoeting van Aeneas en Venus (ca. 1630) van Pietro da Cortona kunnen zien. De Trojaanse held Aeneas, aangespoeld voor de kust van Libië, maakt een praatje met een schone jaagster die hem van alles voorspelt, vervolgens bekent dat zij eigenlijk zijn goddelijke moeder Venus is en dan prompt aanstalten maakt om te verdwijnen. Dat is het moment dat de schilder wilde vastleggen: de godin maakt een bezwerend handgebaar terwijl haar zoon een hand uitsteekt als in een poging om haar tegen te houden. Vergilius laat hem zeggen: 'Waarom ben jij zo wreed en misleid je je zoon zo dikwijls met je vermomming? Waarom mag ik nooit mijn hand in de jouwe leggen?' De Bijbel op zijn beurt bevat een passage over het aanrakingsverbod die kunstenaars tot op vandaag inspireert. De pas verrezen Christus verschijnt in de gedaante van een tuinman aan Maria Magdalena, die in de olijfgaard voor het lege graf is blijven treuren. Ze herkent hem pas wanneer hij haar bij de voornaam noemt. Daarop werpt ze zich voor zijn voeten en steekt een hand naar hem uit. ' Noli me tangere', 'raak me niet aan', zo weert hij haar af in de Latijnse vertaling. In het Grieks luidt het eerder: 'Houd me niet tegen', omdat hij op het punt staat om naar de hemel op te stijgen en zijn lichaam al deels vergoddelijkt is. Schilders moeten het doorgaans van zintuiglijkheid hebben en vinden de Griekse vertaling maar niks. Onder hen Giotto, Fra Angelico, Corregio of ook Titiaan (ca. 1487-1576). In een paradijselijk decor van glooiende heuvels, boerderijen en schapen onder het schemerlicht zette Titiaan het Noli me tangere-motief neer als het hoogtepunt van een intiem moment tussen geliefden die afscheid van elkaar moeten nemen. Ongelijke geliefden weliswaar, met een onaantastbare Christus en een talende Magdalena. Hun blikken drukken uit wat hun naar elkaar reikende handen niet mogen. In de Biblia Sacra Vulgatae Editionis (1967) gaf Salvador Dalí de Noli me tangere-passage een onheilspellende twist door de Christusfiguur voor te stellen als een onherkenbare schim die bij zijn verschijning had kunnen reciteren uit de coronasong van The Rolling Stones: ' I am a ghost, living in a ghost town' . De Amerikaanse Patricia Miranda volgde dan weer de voorstelling die Fra Angelico van het Bijbelse gebeuren gaf, zij het dat ze alleen het lege graf schilderde, de bomen en vooral twee paar dwalende handen in het pikkedonker (2005). Ze moet ook goed hebben gekeken naar de versie die Andy Warhol in 1984 maakte van De Annunciatie van Leonardo, waarbij hij de figuren wegliet en alleen de handen liet spreken. Warhol bracht het Noli me tangere-motief nooit in beeld. Wel gebruikte hij het in een korte passage in zijn autobiografie The Philosophy of Andy Warhol (1975). In een hotelkamer in Monte Carlo vergelijkt zijn vriendin Damian hem met een reptiel omdat dit de enige diersoort is die niet graag wordt aangeraakt. Daarop stormt ze op hem af en raakt hij in paniek wanneer ze met haar pink zijn elleboog aanraakt. Ze vraagt of hij soms bang is voor ziektekiemen. 'Nee, bang om te worden aangevallen.' Niet alleen na de aanslag op zijn leven in 1968, maar altijd al. Zelfs het aanbeden popicoon was niet zo ongenaakbaar als zijn goddelijke status liet vermoeden.