Voor een man met zijn faam heeft hij verbazend weinig ontworpen. Hij was per slot van rekening een der Belgische coryfeeën van de moderne architectuur, adept van peetvader Le Corbusier en diens ideeën over het primaat van het grondplan, het belang van kleurvlakken en ruimtelijke fluïditeit, licht en lucht. Door alle beschikbare bronnen geduldig door te pluizen, verzamelde architectuurcriticus Marc Dubois de belangrijkste elementen ter verklaring van de kleine erelijst van de grote Gaston Eysselinck.
...

Voor een man met zijn faam heeft hij verbazend weinig ontworpen. Hij was per slot van rekening een der Belgische coryfeeën van de moderne architectuur, adept van peetvader Le Corbusier en diens ideeën over het primaat van het grondplan, het belang van kleurvlakken en ruimtelijke fluïditeit, licht en lucht. Door alle beschikbare bronnen geduldig door te pluizen, verzamelde architectuurcriticus Marc Dubois de belangrijkste elementen ter verklaring van de kleine erelijst van de grote Gaston Eysselinck. Hij had een bloedhekel aan compromissen, onvergeeflijk in zijn vak. Met scherpe pen bekritiseerde hij tot zijn laatste snik al het gebouwde wat hem niet aanstond, en dat bleek nogal wat. De tegenstand dreef hem in het isolement, de administratieve procedureslag rond zijn Post-, Telegrafie- en Telefoniegebouw in Oostende matte hem af; de ziekte en vroege dood van zijn tweede levensgezellin gaf hem de genadeslag. Op 6 december 1953 maakte hij, 46 jaar oud, een eind aan zijn leven. Kunst en de toevalligheden van het leven maakten dat de architectuur van Eysselinck mij, een volslagen leek, persoonlijker raakte dan die van anderen. In 1986, als verslaggever getuige van de opening van het museum van moderne kunst in Oostende, vroeg ik me af welke vreemde gedaanteverandering dit gebouw had ondergaan. Ik herkende in de chaotische indeling noch het warenhuis dat het ooit moest zijn geweest, noch het moderne museum dat het nu pretendeerde te zijn, terwijl het zich behielp met schotten waartegen een overdonderende hoeveelheid picturaal geweld was gekwakt. De historische foto's in het boek geven een gezicht aan de winkelruimten die ik me als kind inbeeldde, wanneer mijn grootmoeder verslag deed over haar inkopen in dit in 1956 geopende warenhuis van de socialistische coöperatieve (SEO), gebouwd door Eysselinck, de gescheiden echtgenoot van haar goede vriendin. Dat mijn oom, René Meyer, het warenhuis mee hielp bouwen, lees ik nu pas bij Dubois. Maar de leerling raakte daarbij gebrouilleerd met zijn meester, die hem 'een gebrek aan inzet' verweet. De 'hartstochtelijke functionalist' zoals de auteur hem typeert, moest het niet meer meemaken hoe zijn SEO-concept, gebaseerd op de negentiende-eeuwse Franse warenhuizen, al na korte tijd achterhaald bleek door het tijdperk van de zelfbediening, dat om een andere functionele ordening van de ruimten vroeg. Een beter lot was de eerste van zijn twee grote publieke opdrachten beschoren, het Oostendse PTT-gebouw. In al zijn glorie gerestaureerd, heropende het in 2012 als cultuurcentrum De Grote Post, een schoolvoorbeeld van een geslaagde herbestemming. Dit meesterwerk van de veelgeplaagde bouwmeester wordt door Dubois omstandig beschreven en geduid binnen een opmerkelijke evolutie in zijn architectuur. Het vernieuwende, functionalistische concept van zijn - vooral in Gent gesitueerde - rijwoningen in de jaren 1930 bleek verrijkt met een meer klassiek moderne vormentaal, gekruid met eigentijdse accenten uit het organic design (met de introductie van gebogen oppervlakken) en volop inzettend op natuursteen in plaats van bepleistering. Bij dat vernieuwde idioom paste de integratie van monumentale kunst, in het geval van het PTT-gebouw de haast 'zwevende' sculptuur in geoxideerd koper van Jozef Cantré ( De vijf werelddelen) aan de voorgevel. Dat het beeld om besparingsredenen pas in 1963, tien jaar na de dood van Eysselinck, werd geplaatst, maakt deel uit van de tragische geschiedenis van een in volle bloei afgebroken oeuvre en zijn schepper, die groter wilde zijn dan zijn tijd toeliet.