Felix De Boeck (1898-1995), vroege vogel van de abstracte kunst in België, kreeg na zijn dood een eigen museum van de Vlaamse Gemeenschap. Het staat in Drogenbos waar hij had geleefd en gewerkt, in de week als boer, 's zondags als schilder. Wil het niet wegkwijnen als een bloedeloos eenmansmausoleum, moet het museum zijn bestaansrecht bewijzen door de 1500 werken van de huiskunstenaar in almaar nieuwe verbanden te tonen.
...

Felix De Boeck (1898-1995), vroege vogel van de abstracte kunst in België, kreeg na zijn dood een eigen museum van de Vlaamse Gemeenschap. Het staat in Drogenbos waar hij had geleefd en gewerkt, in de week als boer, 's zondags als schilder. Wil het niet wegkwijnen als een bloedeloos eenmansmausoleum, moet het museum zijn bestaansrecht bewijzen door de 1500 werken van de huiskunstenaar in almaar nieuwe verbanden te tonen. Ook in een zo buitenissige expo als Camouflage, Behind the Abstract Pattern: Art-Nature-War werd De Boeck binnengesmokkeld met enkele schilderijtjes die een zeker gevoel voor humor laten doorschemeren. Een gordijn van even lichtkleurige als smeuïge blokjes verf vormt een patroon dat niet zou misstaan als een vingeroefening in pure abstractie. Maar het werk heet Kip in een boomgaard. Beweren dat het witte hoentje verstopt zit in het abstracte patroon zou overdreven zijn, maar zijn schimmige aanwezigheid doet minstens enkele vragen rijzen. Camoufleerde de kunstenaar zijn intentie om een zuiver abstract schilderij te maken door er een levend wezen in onder te brengen, of wilde hij een simpel boerentafereeltje wat meer cachet geven door het weg te moffelen in een decoratief patroon? De kip van De Boeck bekijken vanuit het oogpunt van camouflage is kinderlijk eenvoudig en erg besmettelijk. In een doek van geestgenoot Edmond van Dooren, opgebouwd uit mat gekleurde vlakken en volumes, blijkt een liefdespaar van dezelfde geometrische makelij verwerkt. Wilde de schilder Het Paar (1920) met de modieuze mantel van het postkubisme bedekken, en zo ja: waarom? En daar houdt het niet op: het zo goed als onherkenbaar maken van een onderwerp leek wel standaard te behoren tot de verschillende richtingen in de begintijd van de moderne kunst.De enige Belgische futurist Jules Schmalzigaug drenkte zijn wervelende composities in een oogverblindend licht. Zo doet alleen de titel vermoeden dat we met een Interieur van een balzaal in Antwerpen (1914) te maken hebben. Rik Wouters, doorgaans toch van een bekoorlijke helderheid, verborg de personages op de Ontmoeting in het bos (1914) in gebladerte van een uitbundig fauvistisch coloriet. Het toeval wilde dat camouflage rond diezelfde tijd opgang maakte in de militaire sector. In de Eerste Wereldoorlog werd grof geschut soms verborgen achter vreemd beschilderde doeken, uniformen kregen matte kleuren die in hun omgeving opgingen, boten werden beschilderd met zebrastrepen die er een moeilijker te traceren doelwit van maakten. Mobiele observatieposten vermomde men weleens als boom. De expo toont zo'n exemplaar van het Belgisch leger, naast een filmpje waarin Charlie Chaplin, in de gedaante van een stronk, achter de vijandelijke linies opereert en een trits pinhelmdragers onschadelijk maakt. Niet op de expo: de considerabele bijdrage van het Frans leger dat tot 3000 camoufleurs inzette, bij voorkeur gerekruteerd onder kubistische schilders, 'om het uitzicht van een object totaal te vervormen'. Wellicht geïnspireerd door De Boeck en zijn kippen, zocht het FeliXart Museum het camouflagethema vooral te verankeren in de natuur. Er wordt hulde gebracht aan de Amerikaanse pionier Abbott Handerson Thayer. Als wetenschapper ontwikkelde hij de theorie dat dieren zich door de kleuren van hun vacht bedienen van optische illusies, hetzij om een prooi te misleiden, hetzij om geen prooi te worden. Als schilder sloeg Thayer een pover figuur. Gelukkig voor de expo leverde de natuur ook frisse ideeën op. Zo is er een oogverblindend camouflagefresco van Lieven Segers, compleet met zebrastrepen en opgezette beesten.