Het jaar was 1968 en de 86-jarige Pablo Picasso had net zijn boezemvriend Jaime Sabartes verloren. Zijn gedachten dwaalden over hun liederlijke dagen als jonge kunstenaars in Barcelona anno 1900. Het was een eeuwigheid geleden dat hij zijn vaderland had teruggezien, maar het bleef door zijn hoofd spoken. Hij zette zich aan zijn tafel in Mougins en begon als een bezetene aan een reeks kleine prenten - de Suite 347 - waarin een oude hoerenmadam de hoofdrol opeist: La Celestina, losjes geïnspireerd op de koppelaarster en brengster van onheil in een tragikomedie van Fernando de Rojas (1499).
...

Het jaar was 1968 en de 86-jarige Pablo Picasso had net zijn boezemvriend Jaime Sabartes verloren. Zijn gedachten dwaalden over hun liederlijke dagen als jonge kunstenaars in Barcelona anno 1900. Het was een eeuwigheid geleden dat hij zijn vaderland had teruggezien, maar het bleef door zijn hoofd spoken. Hij zette zich aan zijn tafel in Mougins en begon als een bezetene aan een reeks kleine prenten - de Suite 347 - waarin een oude hoerenmadam de hoofdrol opeist: La Celestina, losjes geïnspireerd op de koppelaarster en brengster van onheil in een tragikomedie van Fernando de Rojas (1499). Goya had haar geschilderd, op een balkon achter haar mooiste meisje in de aanbieding. Hij had haar ook geëtst in zijn reeks Caprichos waarvan het Antwerpse grafiekmuseum De Reede een druk bezit. In 1904, toen Picasso in blauwe toonaarden de menselijke miserie weergaf, was het zijn beurt om La Celestina te schilderen. Zijn oude Barcelonese buurvrouw, bordeelhoudster Carlota Valdivia, stond model. Ze heeft een donkere kapmantel aan die alleen haar gezicht vrij laat. Strenge gelaatstrekken, het begin van een snor, een ziek oog, en toch geen karikatuur. Haar uitstraling komt van haar goede oog, dat alles ziet. Picasso's biograaf John Richardson zag er zowaar een gelijkenis in met het zelfportret uit 1901, het begin van de blauwe periode. Dat de kwakkelende kunstenaar zich aan het eind van zijn leven nog eens met haar zou identificeren, was niet echt een toeval. Het alziende oog, het naderende onheil van de dood, en een alibi om het te hebben over de etalage van jong vrouwelijk naakt, over potentie en impotentie, verleiding en intimidatie, kunst als sublimatie, schoonheid en verval. Het zijn weerkerende thema's in de 66 etsen die hij in 1971 uit zijn Suite 347 selecteerde voor het boek La Celestina, samen met de tekst van Fernando de Rojas. In Museum De Reede hangen de piepkleine etsen onder het waakzame oog van de grote Celestina uit de blauwe periode (althans een fraaie reproductie op ware grootte). Aan de muur, ter hoogte van haar goede oog, vertrekt een blauwe streep waarrond de etsen neergedwarreld lijken als noten op een notenbalk. De tafereeltjes hebben, letterlijk en figuurlijk, niet zo veel om het lijf. De Celestina is verschrompeld tot een onopvallende kleine kraai in de schaduw van de bloeiende maja's, de meisjes die zich schaamteloos blootgeven aan het bezoekende mansvolk, veel musketiers uit de pruikentijd. Bij uitzondering is er eens eentje dat bedremmeld kijkt wanneer ze zich moet ontdoen van een lange jurk. Er zijn momenten waarop meisjes en cliënten in een ontspannen conversatie gewikkeld zijn. Er is een intrigerende ets waarbij de voornaamste personages verenigd zijn voor een groepsportret rond een naakte oude heer met de fysionomie van een baby, Picasso in persoon. Maar doorgaans zien we de maja's stoïcijns provoceren met poses uit de catalogus van de erotische fotografie. Bij hun eerste expositie in Parijs werden ze onderworpen aan censuur. Meer dan de inhoud maakt de uitwerking de reeks zo bijzonder. Als schilder behoorde Picasso tot de verdedigers van het primaat van de lijn boven het volume en de vlek. Maar voor de Celestina-etsen maakte hij overvloedig gebruik van de techniek van de aquatint waarbij het vlekkerige verheven wordt tot een esthetische kwaliteit, zoals bij het aquarelleren. Ze dompelen de bordeelscènes in een groezelige sfeer die de erotische handel lijkt te situeren in de onderwereld, met arme spoken en hun schamel genot. Alleen in de lijnetsen klaart alles uit, en leiden de kringelende lijnen tot standjes die het minnespel een erg fantasievol karakter geven.