Cornelis II Floris bond de kat de bel aan toen hij een serie maskers ontwierp die door Frans Huys werden gegraveerd en door Hans I Liefrinck gedrukt en uitgegeven. Deze expressieve smoelen met hun beestachtige, plantaardige en schrikbarend menselijke trekken brachten in de 16e eeuw in onze lage landen en ver daarbuiten een rage van groteske ornamentele kunst op gang. Dat de reeks in de verzameling van het Museum Plantin-Moretus belandde kwam allicht omdat Christoffel Plantin ze via zijn wereldwijde handelsnetwerk aan de man hielp brengen. Ook Hans Vredeman de Vries liet zich niet onbetuigd. Hij was de ontwerper van een commercieel succesvolle serie prenten van zuiltjes in de vorm van vrouwen, enkel bekleed met fijn gebladerte. Met d...

Cornelis II Floris bond de kat de bel aan toen hij een serie maskers ontwierp die door Frans Huys werden gegraveerd en door Hans I Liefrinck gedrukt en uitgegeven. Deze expressieve smoelen met hun beestachtige, plantaardige en schrikbarend menselijke trekken brachten in de 16e eeuw in onze lage landen en ver daarbuiten een rage van groteske ornamentele kunst op gang. Dat de reeks in de verzameling van het Museum Plantin-Moretus belandde kwam allicht omdat Christoffel Plantin ze via zijn wereldwijde handelsnetwerk aan de man hielp brengen. Ook Hans Vredeman de Vries liet zich niet onbetuigd. Hij was de ontwerper van een commercieel succesvolle serie prenten van zuiltjes in de vorm van vrouwen, enkel bekleed met fijn gebladerte. Met deze zogenaamde kariatiden betrok De Vries, zelf architect, de bouwkunst bij de groteske stijl. Van zijn zoon Paul ontdekte het museum onlangs in de eigen verzameling 31 ontwerptekeningen voor prenten van huismeubilair, versierd met groteske motieven. Uit de modelboeken, uitgegeven door Hieronymus Cock, valt te leren dat ook houtsnijders, glasschilders, pottenbakkers en edelsmeden in deze stijl aan de slag waren. Daar zijn niet alleen mooie plaatjes van bewaard gebleven. Het museum etaleert een stukje van een glas-in-loodraam met een soort paaldanseres avant la lettre, een gouden hanger, een spiegellijst, een drinkschaal op hoge voet en een prachtig uit het hout gesneden sater, toegeschreven aan Pieter Coecke van Aalst. Hij diende ooit als korbeel of steunbalk in de overdekte galerij van het Antwerpse woonhuis Den Grooten Sot. Niet toevallig eveneens in het Europese kunstmekka Antwerpen komen we een anonieme Meester van de Paardenhoofden tegen. Van hem is de geestige en erg verfijnd uitgewerkte gravure van een ornament waarin een engeltje, een sater en groteske figuren te midden van dicht gebladerte de gek met mekaar houden. Op dit werkje is goed te zien waar al die 16e-eeuwse kunstenaars uit het noorden de mosterd haalden. In Rome hadden archeologen de restanten blootgelegd van het megalomane paleis van keizer Nero, de Domus Aurea. Ze hadden er wandschilderingen in een luchtige stijl aangetroffen, vol gefantaseerde figuren van mensen en dieren, maskers en zuiltjes, omringd door wijnranken, fruitslingers en engeltjes. Als ware aanbidders van de klassieke oudheid lieten kunstenaars van de renaissance er zich graag door inspireren. We gebruiken de term grotesk ook in de breedste zin voor alles wat er excentriek, bizar, belachelijk of schrikwekkend uitziet, een aanfluiting van het klassieke schoonheidsideaal. Voor kunsthistorici is alweer de 16e eeuw een vruchtbare vindplaats, met dank aan Jheronimus Bosch en Pieter Bruegel, hier respectievelijk vertegenwoordigd met een heerlijke gravure van de Triptiek met het einde der tijden, de hemel en de hel door een adept van Bosch, en drie gravures naar ontwerpen van Bruegel waarin de hoogmoed, de gulzigheid en de tovenarij op de hak worden genomen. Op het einde van de 19e eeuw vonden ze een waardige opvolger in James Ensor. Die presteerde het onder meer om een boosaardige verdraaiing te realiseren van Bruegels schilderij De val der opstandige engelen. Duivels rossen engelen en aartsengelen af, zo heet het op een handgekleurde ets met een massa apocalyptische gewelddaden, ragfijn getekend weliswaar. Een glimp van het metier en de subversieve geest van baron Ensor schemert door in het grafische werk van Walter Vaes (1882-1958) en Adriaan Marin, met zijn 22 jaar de jongste in de rij fakkeldragers van het groteske genre.?