Honderd jaar geleden kwam een einde aan een grote wereldslachting, maar ook aan de kolossale Donaumonarchie met Wenen als epicentrum. Jugendstilkunstenaar Gustav Klimt liet in hetzelfde jaar 1918 het leven, net als zijn gedoodverfde opvolger, Egon Schiele. Het veld lag open voor Oskar Kokoschka, een nog veel heviger expressionist dan de nieuwe mode voorschreef. Een crisismode weliswaar, geboren uit een overmaat aan pathetiek om de naakte, lijdende mens in een stormachtige tijd. Helemaal het andere uiterste van de decoratieve jugendstil waarmee de grootburgerij haar stadspaleizen had opgesmukt. We hebben Klimt intussen allang weer in de armen gesloten. Hij is dan ook een prima kapstok voor een expo die niet over hem gaat (de fans worden gepaaid met twee late portretten en een annex met de interactieve installatie Klimt's Magic Garden van Frederick Baker).

De Tweede Wereldoorlog sneed veel kunstenaars uit de vroegere Donaumonarchie definitief af van de westerse wereld.

Beyond Klimt in Bozar reconstrueert de bewegingen van de avant-garde in de landen die uit de ontbonden Donaumonarchie gevallen waren. Veel kunstenaars migreerden van het ene artistieke centrum naar het andere, maakten er deel uit van groepen die vaak op een erg eclectische manier principes oppikten uit alle mogelijke modernistische stijlen. Aan het eind van de jaren 1930, met de opkomst van 'het spook van het nazisme', was hun elan gebroken. De Tweede Wereldoorlog en aansluitend de oprichting van het IJzeren Gordijn sneed hen definitief af van de westerse wereld, waar de kunst onder Amerikaanse impuls nieuwe wegen opging. Oostenrijk kreeg een neutraal statuut en ontsnapte min of meer aan het isolement. Kunstenaars die naar het Westen emigreerden, vonden soms aansluiting bij de avant-garde.

Oost-Europa werd een blinde vlek op de kaart van de internationale kunst, en ook de kunst die er voor WO II werd gemaakt, belandde in de vergetelheid. De vele onbekenden op Beyond Klimt (1918-1938) komen uit die sfeer. De anderen, ontsnapt aan 'het spook van het stalinisme', werden gekoesterd in de rest van Europa (en Amerika!). Oskar Kokoschka, die beide spoken te vlug af bleek, belichaamt een zeldzaam succesverhaal. Hij kleurde in de periode tussen de tweede wereldoorlogen het kunstleven in Wenen, voor hij als 'ontaarde' kunstenaar asiel moest zoeken in Praag. Toen ook daar de grond onder zijn voeten te heet werd, maakte hij zijn opwachting in Londen. Hij is opvallend aanwezig op de expo, met sterk doorvoelde, beweeglijk geschilderde doeken, waaronder het helle kleurenfeest Macht van de muziek.

Alphonse Mucha en Alfred Kubin zijn oude bekenden, en ook met de Hongaar Laszlo Moholy-Nagy zijn we goed vertrouwd. Na het neerslaan van de radenrepubliek in Budapest (1919) vluchtte hij naar Wenen, voor hij in Weimar en later Dessau als bepalende figuur optrad in het Bauhaus, de progressieve kunstschool. De nazi's sloten de zaak en dreven hem in de emigratie. Via Amsterdam en Londen belandde hij in Chicago, waar hij er niet in slaagde om een New Bauhaus langer dan een jaar levend te houden. Van hem toont Beyond Klimt ontwerptekeningen voor theaterbelichting en voor een kinetisch spelsysteem.

De historische context van de expo mag razend ingewikkeld zijn, er worden honderden kunstwerken getoond die aanspreken of niet. Van de ons onbekende kunstenaars hebben we er het raden naar of de gekozen werken representatief zijn voor hun oeuvre, maar tot daar aan toe. Van Anton Janusch, Jidrich Styrsky, Josef Capek, Helene Funke, Lilly Steiner, Friedl Dicker-Brandeis, Gyula Derkovits, Marie-Louise von Motesiczky, Herbert Ploberger en Bela Kadar zouden we graag meer willen zien. En niet alleen via Google.

Tot 20 januari.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.