Aan de opvang en (gezins-)verpleging van de gestoorde medemens heeft 'de barmhartige stede' in de Kempen haar lot verbonden. Dat is een lange geschiedenis waarin - god weet hoe of wanneer - ook de legende van de heilige Dimpna een plaats kreeg. Een Ierse koningsdochter, christelijk opgevoed door haar moeder, belaagd door haar heidense vader, ontvlucht haar vaderland en begint een nieuw leven in Geel, waar de vaderlijke toorn haar alsnog treft en straft met onthoofding.
...

Aan de opvang en (gezins-)verpleging van de gestoorde medemens heeft 'de barmhartige stede' in de Kempen haar lot verbonden. Dat is een lange geschiedenis waarin - god weet hoe of wanneer - ook de legende van de heilige Dimpna een plaats kreeg. Een Ierse koningsdochter, christelijk opgevoed door haar moeder, belaagd door haar heidense vader, ontvlucht haar vaderland en begint een nieuw leven in Geel, waar de vaderlijke toorn haar alsnog treft en straft met onthoofding. Van in de middeleeuwen gingen geesteszieken op bedevaart naar Geel om er hun genezing af te smeken van de martelares. Ze mengden er zich onder de ingezetenen die een Sint-Dimpnakerk in Demergotiek bouwden en ook een ziekenhuis waar de gasthuiszusters augustinessen voor verpleging zorgden. Een voorzichtig modern beeld in zandsteen, hoog tegen de gevelmuur van het Sint-Dimpnacollege, toont de heilige met de vier vaste attributen die het gelovige volk ooit voor haar bedacht. Naast de kroon van haar koninklijke hoogheid en het boek van haar geloof, draagt ze het zwaard van haar eigen onthoofding, niet toevallig het wapen waarmee ze eerst de Satan, in de gedaante van de slang aan haar voeten, had verpletterd. De Gelenaren zagen eeuwenlang tekenen van de duivel in de symptomen van de waanzin, de ziekte die ze met hart en ziel wilden bestrijden. Geen Dimpna, geen gewijd boek, geen zwaard of baarlijke duivel rijmt nog met de psychiatrische praktijken die in Geel voorbeeldig worden toegepast. De augustinessen die armen, zieken en zwakzinnigen met de kracht van het christelijke geloof beter probeerden te maken, zagen de zalen van hun Oud Gasthuis veranderd in een museum - met alle toebehoren van het verleden - alsof het nu alleen aan wat goede wil van de buitenwereld ontbreekt om de oude behandelingswijzen in ere te herstellen. Als het aan Kris Kuypers, directeur van Cultuurcentrum De Werft, ligt, dan krijgt de 'barmhartige stede' een regelmatige injectie hedendaagse kunst om 'opnieuw te leren kijken'. Dat was de les van Jan Hoet bij de tentoonstelling Middle Gate (2013) in zijn geboortestad Geel, nu voor het eerst herhaald in Middle Gate II, waarvoor het M HKA de grondstof leverde. Het Antwerpse museum liet werken uit de eigen collectie 'inschrijven' (dixit M HKA-directeur Bart De Baere) in de context van vier locaties, en verbond ze thematisch met de attributen van de heilige: spiritualiteit en het boek in de Sint-Dimpnakerk, kroon en migratie in de kunstacademie; zwaard en (seksueel) geweld in de Halle, waanzin en de duivel in het Gasthuismuseum. Daar leerde ik opnieuw kijken naar een pijnlijk nauwkeurig bewaarde omgeving met voorwerpen van kloosterlijke vroomheid en ouderwetse gezondheidszorg, op subtiele wijze ter discussie gesteld door hedendaagse kunstwerken. In een kleine kloosterkamer hangt een werkje ( Sterven is oefenen) geschilderd met de fotografische precisie van het beelddocument waarop het gebaseerd is. Drie geüniformeerde meisjes omklemmen buiten in het donker een klasgenote die er stijf als een plank bij ligt en een fosforescerend licht afgeeft: houden de kinderen een heilige vast, een Dimpna, een martelares, slachtoffer van een klassikale wraakoefening? Zo verwelkomt Jan De Lauré in ons midden het absoluut vreemde, dat we voor de verdere duur van ons bezoek niet meer van ons afgeschud krijgen. We vallen ten slotte stil in een grote kamer bij de ontstellend jonge lijmsnuivers ( Glue Sniffers, foto's van Sergej Bratkov), aangestaard door de portretten van de Gasthuiszusters die hier de waanzin en de duivel en alle hopeloze gevallen van de wereld moeten hebben ontvangen zonder er ooit hun deemoed bij te verliezen.