Eerwaarde Pierre-Joseph Peurette, een Luikenaar, leverde een extravangante bijdrage tot de Belgische letteren.
...

Eerwaarde Pierre-Joseph Peurette, een Luikenaar, leverde een extravangante bijdrage tot de Belgische letteren.Hoewel in het boek alle open deuren nog eens met volle kracht werden ingetrapt, ontstond onlangs in Franstalig België commotie rond ?De grote mythen uit de geschiedenis van België, Vlaanderen en Wallonië?, een compilatie samengesteld door professor Anne Morelli van de Université Libre de Bruxelles. Voorwerp van het over en weer gebrul was de manier waarop met de nagedachtenis van de Waalse voorman en socialist Jules Destrée werd gerammeld. De auteur van de beruchte open brief, waarin hij koning Albert I erop wees dat er geen Belgen bestonden, was namelijk een razende antisemiet. Die jodenhaat van Destrée was algemeen gekend ; hij had zijn aversie meermaals op papier gezet. Bovendien smeerde Robert Galand dit alles breed uit in ?Charles Van Lerberghe et le procès Zola?, in 1965 verschenen in het bulletin van de Académie Royale de Langue et de Littérature Françaises, de zogeheten kleine academie of... Académie Destrée, want door de antisemiet zelf gesticht. Deze wetenschappelijke bijdrage verwekte destijds niet de minste uitbarsting van wallingantische koorts. Niet zo met het boek van Anne Morelli, een Italiaanse van origine die door enkele Waalse heethoofden prompt met repatriëring werd bedreigd. Zei een nog steeds opgewonden Luikenaar, een medewerker van burgemeester Jean-Maurice Dehousse : ?Door pretentieuze Brusselaars, ze mogen dan als ULB-prof poseren, willen we niet gezegd krijgen hoe we Destrée moeten beoordelen.? MORELLI VERKEERT in goed gezelschap, namelijk dat van de Italiaanse dichter Francesco Petrarca. Die was in 1333 in Luik op zoek naar oude handschriften en kopieerde er onder meer de tekst van Cicero's verloren gewaande pleitrede Pro Archia. In een brief naar het thuisfront echter had Petrarca zich laten ontvallen in de zo beroemde stad Luik dus slechts met alle moeite van de wereld een beetje inkt te hebben gevonden. ?Hij was dan nog zo geel als safraan,? had de dichter eraan toe gevoegd. Dit onschuldige zinnetje wekte meer dan vijfhonderd jaar later de onstuitbare woede op van de Luikse historicus Ferdinand Hénaux. Die beschuldigde Petrarca in 1852 van laster in het Bulletin de l'Institut Archéologique Liégeois. ?Wat !? pende een ziedende Henaux verontwaardigd neer. ?In Luik, met bibliofielen binnen haar muren ; in Luik dat de teksten van de klassieke auteurs van het oude Rome voor het nageslacht bewaarde, daar zou geen inkt te verkrijgen zijn geweest ?? Praatjes die volgens Hénaux te dwaas waren om los te lopen. ?Mocht zo'n absurde leugen zijn verkocht door een obscuur toerist, men zou ze hooghartig naast zich leggen,? oordeelde Hénaux. ?Maar komende van Petrarca wordt ze geloofwaardig !? Goswin de Stassart, de toenmalige secretaris van de Belgische academie, poogde Hénaux nog te bedaren met : ?Het is mij ook al overkomen geen inkt te vinden, zelfs in zeer grote steden en in de beste afspanningen.? Maar Hénaux was niet meer in te tomen. Petrarca had Luik belasterd, en hij, Hénaux, zou de malafide Italiaan zijn woorden laten inslikken. Dit alles om aan te geven dat het volgende gespreksonderwerp uitermate kies is. Want het draait hier om een man, de eerwaarde Pierre-Joseph Peurette, een Luikenaar, wiens extravagantie, om niet te zeggen krankzinnigheid meestal door Brusselaars is beschreven. Vooral Joe Diericx de Ten Hamme, de Xenofoon van het negentiende-eeuwse Brussel, heeft in zijn ?Souvenir du Vieux Bruxelles? de nagedachtenis van Peurette in de definitieve plooi gelegd. In Luik daarentegen was, tot voor kort, niet iedereen overtuigd dat Peurette zonder meer bij de literaire gekken kon worden gerangschikt. Extravagant, buitenissig, origineel, waren etiketten die Peurette zelf gaarne aanvaardde. Of hij zijn bijzetting in het pantheon van de lettergekken op prijs zou hebben gesteld, is zeer de vraag. De man was immers nogal lichtgeraakt. De Fransen, bijvoorbeeld, zijn over hun lettergekken bijlange niet zo beschroomd als wij. Integendeel, er werden zelfs trotse bibliografieën samengesteld, onder meer door Charles Nodier, waarin de werken van de Franse lettergekken op kritische wijze werden gerepertorieerd. In België kennen we alleen ?Les fous littéraires? van André Blavier, een bibliothecaris uit Verviers. Blavier heeft, als gewezen gabber van René Magritte, een fijne speurneus voor dit soort studieobjecten. Onbevooroordeeld als hij is, ruimde hij zelfs plaats in voor één van de weinige Vlaamse lettergekken die naam waardig, Jac(ques) Lambrecht, (wellicht een Kortrijkenaar) die in het Frans en in het Nederlands schreef en meestal in de twee talen tegelijk. Zijn uiterst zeldzame ?Jugulaire, wellingtonienne en vingt-deux épigées? opgedragen aan Emile Zola ! is van het verdienstelijkste dat Vlaanderen op dit terrein ooit te lezen gaf. BLAVIER HEEFT DUS niet geaarzeld in zijn standaardwerk ruime aandacht aan Pierre-Joseph Peurette te besteden. Dat was gewaagd, want toen zijn boek in 1982 verscheen, beschikte hij niet over het doorslaggevende bewijs voor de literaire gekte van Peurette. Dat bewijs werd pas op het einde van de jaren '80 opgedolven door de Brusselse uitgever/antiquaar en erudiet Emile van Balberghe en in 1990 door de Leuvense drukkerij Ceuterick als nieuwsjaarsattentie voor de huisvrienden uitgegeven. Het gaat om een affiche, onder de titel Les rouges, vol met baarlijke nonsens. Want dat is uiteraard de eerste vereiste voor de literaire gek : wat hij op papier zet moet compleet maf zijn. En dat was, in een eerste periode, niet altijd het geval met Peurette. Hij werd trouwens als bonafide publicist/pamflettist opgenomen in de Biographie en Bibliographie Nationale en in de Bibliographie liègeoise. In zijn ?Dictionnaire des anonymes et pseudonymes? wees Jules De le Court weliswaar op de buitenissigheid van Peurette, maar hij kwam er niet toe hem gek te verklaren. Peurette liet zich graag met abbé aanspreken. Maar in werkelijkheid was deze brouwerszoon, die in 1799 in Luik werd geboren en die zijn studies bij de jezuïeten aanvatte, nooit verder geraakt dan diaken. De priesterwijding haalde hij nooit. Die mislukking had bij hem een niet aflatende haat doen opborrelen voor de kerk en voor de jezuïeten in het bijzonder. Daarom bestookte Peurette de Luikse bisschop Cornelis Van Bommel met pamfletten. Zijn beruchtste was ongetwijfeld ?De la fausseté des principes émis par M. Van Bommel, évêque de Liège, et les organes des partis rétrogrades sur l'instruction primaire, secondaire et universitaire, l'amovibilité des curés, le flamand hollandisé etc.? verschenen bij De Mat in Brussel. Van Bommel, een godsvruchtige Nederlander, kon het ondanks waarschuwingen van vrienden niet laten Peurette van antwoord te dienen. Wat dan weer de haat van de gebuisde pastoor aanwakkerde. Omdat hij de kerk met zijn wraakoefeningen bleef achtervolgen, vloog Peurette tijdens een verblijf in Rome achter de tralies. ?Blootgesteld aan cholera, aan fysieke en morele martelingen en aan ongedierte,? getuigde Peurette naderhand. Het verblijf in de Romeinse cel kwam zijn relatie met de kerkelijke overheid zeker niet ten goede. Peurette, die de Belgische onafhankelijkheid had toegejuicht, droeg het liberale principe van de vrije meningsuiting hoog in het vaandel behalve voor wie het met hem oneens was. Hij deed als gevolg daarvan, zo getuigde hij zelf, de drukpersen zuchten. De bekendste en meest lezenswaardige van zijn publicaties waren ?Mélanges?, een keuze eigenlijk een roofdruk uit de geschriften van de door hem bewonderde Franse liberale priester Félicité Lamennais, en de ?Almanach de la comète? waarvoor hij het pseudoniem Pierre le Rouge hanteerde. PEURETTE WAS TEGELIJK uitgever, hoofdredacteur, journalist en, volgens Carlo Bronne, wellicht de enige lezer van de geheel aan geestelijke en wetenschappelijke vooruitgang toegedane periodieken als L'Union, Le Conservateur en Le Remorqueur de laatste titel was een eerbetoon aan de spoorwegen. Hij verplaatste zich het liefst met een vehikel dat hij De Ark der Nieuwe Wereld noemde. Dat was, tot grote gêne van de ingehuurde voerman, een bootvormige wagen op vier wielen, getrokken door een muilezel. Op de wagen was een klokkenspel gemonteerd, dat Peurette meteen aanzwengelde wanneer hij één van zijn vijanden in het straatbeeld opmerkte. Volgens Diericx de Ten Hamme genoot hij met zijn ark bij de Brusselaars meer bekijks dan de koninklijke karos. Uit onvrede met de Luikse kerkelijke overheid, die hem het dragen van de titel abbé wilde doen ontzeggen, verbleef Peurette in de hoofdstad, waar hij een huis betrok in de Broekstraat. Opgetuigd met zijn soutane en zijn knalrode hoofddeksel, dat het midden hield tussen een canotier en een kardinaalshoed, was Peurette een dagelijkse, opgemerkte klant in het befaamde café Mille Colonnes vlakbij De Munt. Daar hield hij zich bij voorkeur op in de zaal voor niet-rokers waar de lokale politici elkaar vonden en die daarom door de Brusselaars het Blaguorama werd genoemd. Als hij niet in de Mille Colonnes verpoosde of achter zijn schrijftafel zat, achtervolgde de eerwaarde de tweelingdochters van zijn huisbaas een procureur met zijn attenties. Wat bij de jongedames en bij papa niet in goede aarde viel. Het liefst wilde de magistraat zijn al te extravagante huurder zo snel mogelijk buiten, ook al omdat de abbé de vervelende gewoonte had de muntstukken waarmee hij de huur betaalde vooraf in scharlaken rood te schilderen. Het maandelijks schoonmaken van de munten was voor de huisknecht van de procureur een hoogst tijdrovende besogne. Uiteindelijk was het de verloofde van één van de dochters die het vertrek van Peurette bespoedigde, door hem op een dag in één van de vijvers van het Brusselse park te duwen. Peurette heeft de Brusselaars deze farce nooit vergeven en keerde ijlings terug naar Luik waar hij finaal wegkwijnde en in 1879 stierf. Er bestaat een portret van Peurette, getekend door de Luikenaar Victor Lemaître. Het werd een keer afgedrukt in het Franse tijdschrift Bizarre, dat daarom alleen al wordt gezocht. Om de zeldzaamheid ervan te respecteren, zullen we het hier niet afdrukken. Want bij verzamelaars van rariora krijgt Pierre-Joseph Peurette nog steeds een aparte plaats. ?Tenslotte is het dankzij de Luikenaar,? zo schreef Francis Sartorius, een connoisseur van het negentiende-eeuwse Brusselse pers, ?dat wij, Belgen, niet hoeven te blozen voor onze Belgische lettergekken.? Rik Van Cauwelaert Le Rouge : het definitieve bewijs van de literaire gekte van Pierre-Joseph Peurette.