Dichters zijn dan wel geen goden, maar ze hebben één ding met hun schimmige broeders gemeen: ze willen uitersten met elkaar verbinden. Hubert van Herreweghen (1920) schrijft in Karakol (1995), zijn voorlaatste bundel: 'gij staat apart en in verband,/ in vreze om het subtiel beschik,/ dat kantelen kan elk ogenblik.' Het is de duidelijkste draad waarmee je door het steeds kronkelender en intrigeren...

Dichters zijn dan wel geen goden, maar ze hebben één ding met hun schimmige broeders gemeen: ze willen uitersten met elkaar verbinden. Hubert van Herreweghen (1920) schrijft in Karakol (1995), zijn voorlaatste bundel: 'gij staat apart en in verband,/ in vreze om het subtiel beschik,/ dat kantelen kan elk ogenblik.' Het is de duidelijkste draad waarmee je door het steeds kronkelender en intrigerende oeuvre van Van Herreweghen je weg kan vinden. Ook Dirk De Geest, die in de onvolprezen reeks Dichters van nu een bloemlezing samenstelde uit het werk van de dichter die merkwaardig genoeg evolueerde van klassiek naar postklassiek is een betrouwbare gids. Hij toont overtuigend aan dat Van Herreweghen niet bepaald de grootste innovator van na de Tweede Wereldoorlog is, maar dat hij zijn klassieke poëzie van binnenuit vernieuwd heeft. Vanaf zijn debuut in 1943 wou hij al een actuele toets aan de klassieke zegging geven. De meerstemmigheid, die hij in zijn latere werk vanaf de jaren tachtig nog versterkt door te variëren in de versvorm en de taalstructuur, was onderhuids vanaf het begin aanwezig. De mens staat altijd centraal en op een zinnelijke manier wordt zijn band met de natuur opgeroepen, maar van een symbiose is geen sprake. Behalve in een zeldzaam gedicht als het prachtige Zwart lam: 'Zie me daar dan/ gebeeldhouwd in de kou/ staan wenen om een lam/ dat uit zijn moeder kwam/ te vroege vrolijkheid in de armen van een man/ die het schoonwreef met stro./ Een zwart lam. En het zong/ lamsgewijs.' Zo zingt Van Herreweghen zich ook los van de menselijke beperkingen, in een poging om natuur en cultuur met elkaar te verzoenen, terwijl hij de tegenstellingen al evenzeer bewaart in Korf en trog (1993) en Karakol. Op een merkwaardig lichtvoetige manier wordt hij steeds meer een wandelaar tussen heden en verleden, ook in zijn stijl en taalgebruik, om 't raadsel te tonen en er zelf deel van uit te maken, zoals in Een Brussels tuintje: 'Zo zacht valt niemand meer./ Mijn hulde, avond, om zo zacht te vallen, buiten de stad, binnen de wallen./ Dit is geen vallen, dat doet elders zeer.' Paul Demets