et de verkiezing van Barack Obama is Amerika in het reine gekomen met zijn 'geboorteafwijking', zoals minister van Buitenlandse Zaken Condoleezza Rice de rassenkwestie onlangs omschreef. De rassenrellen in Los Angeles in 1992 en de rauwe sociale kloof die de orkaan Katrina in 2005 in New Orleans blootlegde, wezen op een onverwerkt verleden in de Amerikaanse samenleving. Obama zet daar een punt achter. Hopelijk.
...

et de verkiezing van Barack Obama is Amerika in het reine gekomen met zijn 'geboorteafwijking', zoals minister van Buitenlandse Zaken Condoleezza Rice de rassenkwestie onlangs omschreef. De rassenrellen in Los Angeles in 1992 en de rauwe sociale kloof die de orkaan Katrina in 2005 in New Orleans blootlegde, wezen op een onverwerkt verleden in de Amerikaanse samenleving. Obama zet daar een punt achter. Hopelijk. Zijn succes was te danken aan zijn weergaloze redenaarstalent, zijn goed geoliede verkiezingscampagne, een strak geregisseerd netwerk van lokale vrijwilligers en een rijkelijk gevulde campagnekas (het negenvoudige van zijn Republikeinse tegenstander John McCain). Maar Barack Obama won in de eerste plaats omdat hij tot het hart én de verbeelding van zo velen wist te spreken, en de gemoedstoestand onder zijn landgenoten beter had ingeschat dan McCain. Hij bood hoop in bange dagen, terwijl McCain inzette op angst - voor de migrant, voor het terrorisme, voor Iran, voor Rusland - na acht jaar Republikeins bewind dat van angst zijn handelsmerk had gemaakt. De onverwachte financiële crisis en de dreigende recessie gaven te elfder ure de doorslag. Wanneer het over zulke thema's gaat, schenken de Amerikanen meer vertrouwen aan Democraten dan aan Republikeinen. Het bevestigt een oude waarheid in de politiek: wie met zijn thema de verkiezingscampagne kan domineren, komt ook vaak als winnaar uit de bus. Het is makkelijk te begrijpen waarom een deel van de Amerikaanse bevolking zo enthousiast reageert op Obama. Wat hij lijkt aan te bieden, is immers niets minder dan een nieuw sociaal contract. Een nieuw cement voor de Amerikaanse samenleving, die sinds de jaren tachtig steeds meer verdeeld was geraakt. Franklin D. Roosevelt heeft het hem voorgedaan in de jaren dertig van de vorige eeuw. Dat zo'n boodschap vandaag opnieuw aanslaat, is geen toeval. De voorbije jaren - dus lang voor de financiële en economische crisis toesloeg - kwam uit opinieonderzoeken steevast een beeld van Amerika naar voren als een land dat leeft in angst. Net als ten tijde van Roosevelt. De traditionele nieuwjaarspeilingen van Gallup leerden dat de Amerikaanse bevolking zowat de meest pessimistische ter wereld was geworden. Tachtig procent van de Amerikanen vond in april 2008 dat het met hun land de verkeerde kant uitging. De Amerikaanse publieke opinie worstelt met een gevoel van stuurloosheid en machteloosheid, alsof de controle over het dagelijks leven haar ontglipt. En ondertussen lijkt Amerika's invloed in de wereld steeds verder af te kalven. Die angst wordt vooral gevoed door de zware druk waar de Amerikaanse middenklasse aan blootstaat. De lonen stagneren, terwijl een ziekteverzekering en hoger onderwijs voor steeds meer Amerikanen onbetaalbaar worden. Armoede blijkt voor de modale Amerikaan een nieuw schrikbeeld te zijn. Dat gevoel raakte verstrengeld met toenemende wrevel over de groeiende kloof tussen wie profiteert van de mondialisering en wie niet. In de afgelopen jaren kregen veel Amerikanen het gevoel buiten de prijzen te vallen. Door de vastgoed- en kredietcrisis van 2007 en 2008 kwam 'angst voor de toekomst' helemaal bovenaan te staan op het zorgenlijstje van de Amerikaanse kiezer. Middle Class Angst, zo noemde columnist David Ignatius van The Washington Post dat gevoel van ongerustheid al in 2004. Zelfs het geloof in de American Dream, de diep verankerde overtuiging dat elke Amerikaan mits hard werken (en wat geluk) van arm naar superrijk kan opklimmen, blijkt aangetast. De kracht van die droom zorgde ervoor dat de Amerikanen in het verleden grote ongelijkheden hebben aanvaard. Recent onderzoek wijst evenwel op een omslag. De sociale mobiliteit in het land neemt af en de kloof tussen haves en havenots wordt groter. Steeds meer Amerikanen zien zich tot het kamp van de verliezers behoren. Een meerderheid vindt dat het vandaag een stuk moeilijker is om een goed inkomen te verwerven dan twintig of dertig jaar geleden. In 2005 hebben The New York Times en The Wall Street Journal gelijktijdig een lange reeks artikelen gewijd aan die verborgen klassenstructuur in de Verenigde Staten. ' Class matters', 'klasse doet ertoe', kopte de Times. Zelfs conservatieve commentatoren waarschuwden dat een langere periode van economische malaise dreigde als Amerika er niet in slaagde de sociale mobiliteit te herstellen. Michael Gerson, ooit tekstschrijver van president George W. Bush, vatte dat vorig jaar mooi samen in The Washington Post: 'Een samenleving die gelijk noch mobiel is, is een aristocratie. Conservatieven accepteren dat ongelijkheid nu eenmaal een economisch feit is, maar niet dat ze erfelijk en permanent is zoals in een klassenmaatschappij.' Al vrij snel in de campagne hebben de Democratische presidentskandidaten die angst van de middenklasse ontdekt als een politiek wapen tegen hun Republikeinse tegenstanders. Het campagneteam van Obama pikte meesterlijk op die stemming in, en de heruitgave van de krach van 1929 maakte van Roosevelt het na te volgen voorbeeld. Net zoals zijn voorganger driekwart eeuw geleden, wil Obama met zijn project het elementaire gemeenschapsgevoel onder Amerikanen herstellen. 'We gaan de weg niet alleen', zo klonk het eind augustus 2008 in een memorabele passage van zijn aanvaardingstoespraak als nominee van de Democraten. Martin Luther King sprak dezelfde woorden - 45 jaar eerder. Roosevelt maakte gebruik van de nieuwe massamedia radio en televisie om de band met de bevolking aan te halen. Obama doet het hem na met internet, YouTube en een ongelooflijke mobilisatie van de basis, die hij nu inschakelt als een nieuw communicatiekanaal tussen de publieke opinie en hemzelf. Vanuit diezelfde ambitie om het cement van de Amerikaanse samenleving te herstellen, had Obama het tijdens zijn campagne over de traditionele familiewaarden, terwijl hij tezelfdertijd ook de holebi's in zijn armen sloot. Zonder schroom appelleerde hij aan het zelfbeeld van de Amerikaan - 'we verdienen beter dan wat we de afgelopen acht jaar gehad hebben, want we zijn een beter land dan dat' - maar net zo goed plaatste hij de burger uitdrukkelijk voor diens individuele verantwoordelijkheid wat betreft opvoeding, milieu en criminaliteit. Die boodschap kan alleen aanslaan als die burger zich betrokken voelt bij een gemeenschappelijk project dat ook perspectief biedt. En dat vormt precies de kern van Obama's boodschap: hij belooft bescherming, maar tezelfdertijd ook uitzicht op vooruitgang. In de beste Democratische traditie bevestigt Obama daarbij expliciet dat hij de staat aan de zijde van de zwaksten in de samenleving ziet, en niet aan de zijde van 's lands welvarenden. De staat is er om de individuele burger te beschermen tegen risico's en problemen waartegen hij zich niet op eigen kracht kan indekken. Maar Obama's project beperkt zich niet tot bescherming bieden. Zoals Roosevelt - ' We have to fear but fear itself', 'wij moeten enkel onze eigen angst vrezen' - wil hij de angst overstijgen door wat hij een 'nieuwe gemeenschappelijke doelstelling' noemt. De omschakeling naar een broeikasvrije economie vormt daarbij de kern van een nieuwe progressieve vooruitgangsgedachte. In Amerika heeft Al Gore dit thema als eerste aangekaart. Thomas Friedman van The New York Times was in 2007 tot de conclusie gekomen dat ' green' de basis kan vormen van een nieuwe politieke beweging voor de 21e eeuw, een nieuw 'baken van vooruitgang, hoop en inspiratie'. Het Leefmilieuprogramma van de Verenigde Naties had het in oktober 2008 ook al over een ' green New Deal'. De opwarming van de aarde wordt door Obama nu naar voren geschoven als een kans op collectieve vooruitgang, een onontgonnen terrein dat kansen biedt om nieuwe technologieën te ontwikkelen die banen opleveren, zowel voor hoog- als voor laaggeschoolden. Hij is de eerste regeringsleider die die omschakeling in het centrum van zijn politieke project plaatst. Van zijn voorganger erft Obama een militair en economisch uitgeput land. Amerika is verwikkeld in twee oorlogen. De economie staat aan de vooravond van een recessie en de werkloosheid neemt toe, terwijl de overheidsbegroting een historisch tekort heeft bereikt. In het eerste tv-interview na zijn verkiezing bevestigde de toekomstige president dat de economie bovenaan op zijn agenda staat. Naar het voorbeeld van Franklin Roosevelt in 1933 kondigde hij meteen een grootschalig banenplan aan, met grote investeringen in infrastructuur en alternatieve energie - ook al kan het overheidstekort daardoor tijdelijk de pan uit rijzen. Het buitenland zal dus onvermijdelijk op de tweede plaats komen. Maar een aantal dringende kwesties kan niet op de lange baan worden geschoven. Afghanistan en Irak worden vaak genoemd als de eerste belangrijke internationale dossiers voor president Obama. Zelf heeft hij nog geen enkele indicatie gegeven over de eerste stappen die hij zal ondernemen, behalve de beloofde terugtrekking uit Irak. Tot op heden heeft hij evenmin laten blijken dat hij en zijn team zich bewust zijn van het meest cruciale vraagstuk waarmee de Verenigde Staten vandaag geconfronteerd worden: de afname van het soortelijk gewicht van Amerika in de wereld. Sinds zijn overwinningstoespraak heeft Obama het steeds weer over 'een nieuwe dageraad voor het Amerikaanse leiderschap'. Maar wacht de wereld daar wel op? En bezitten de Verenigde Staten überhaupt nog de macht om die rol te spelen? In een recente toekomstprojectie van de Amerikaanse inlichtingendiensten werd die vraag alvast negatief beantwoord. Toch is het niet zozeer de Amerikaanse macht die afneemt, maar wel die van de andere grootmachten die toeneemt. De capaciteit om een leidersrol te spelen, is evenwel direct afhankelijk van de machtsvoorsprong die een land heeft op andere mogendheden. Is die voorsprong er niet, dan zijn grote mogendheden aan elkaar gewaagd en is er sprake van een multipolaire wereldorde. Van oudsher spelen in zulke wereldorde twee wetten. De eerste wet is het komen en gaan van grote mogendheden. De geschiedenis van de wereld laat zich inderdaad lezen als een aaneenschakeling van wereldordes, die elkaar afwisselen op het ritme van opkomst en verval van grote mogendheden en hun onderlinge relaties. Dat is vandaag niet anders. Niet alleen wisselen de onderlinge machtsverhoudingen tussen grote mogendheden constant, als gevolg van verschillende groeiritmes en van politieke beslissingen. Nu komt daarbovenop nog de evolutie naar een 'postwesterse' wereld, waarin zelfbewuste groeilanden de bestaande machtsverhoudingen op de helling zetten. De hoogtijdagen van de Noord-Atlantische dominantie zijn voorbij, nu de motor van de wereldeconomie steeds meer verschuift in de richting van wat we ooit de derde wereld noemden. En als landen macht verwerven, dan plooien zij zich niet langer naar de wetten van de vroegere meesters. De tweede wet is ooit door Lord Palmerston, de legendarische negentiende-eeuwse Britse minister van Buitenlandse Zaken, vastgelegd in zijn onsterfelijke formule: 'We hebben geen eeuwige bondgenoten en we hebben geen eeuwige vijanden. Alleen onze belangen zijn eeuwig en permanent en het is onze plicht die te verzekeren.' Grote mogendheden zijn verwikkeld in een voortdurende competitie om invloed en macht. Afwisselend vinden zij elkaar als hun belangen gelijk lopen, maar ze botsen als hun belangen tegengesteld zijn. Geïnstitutionaliseerd wantrouwen is het wezenlijke kenmerk van zo'n wereldorde. In zo'n internationale omgeving zijn voorzichtigheid en bedachtzaamheid vereist, om te beletten dat crisissen op de spits worden gedreven. Barack Obama lijkt die twee kenmerken te bezitten. Dat bleek alvast uit zijn terughoudendheid in verband met het raketschild in Europa, dat zijn voorganger wou opstellen. Gelet op het enthousiasme waarmee zijn overwinning haast wereldwijd werd onthaald, zal Obama in de eerste maanden van zijn presidentschap ongetwijfeld de soft power - de politieke aantrekkingskracht, zeg maar - van de VS kunnen verbeteren. Maar Barack Obama wordt president van de Verenigde Staten, niet van de wereld. Met veel van zijn landgenoten deelt hij het - voor niet-Amerikanen irritante - messianistische geloof in de uitzonderlijke positie van de Verenigde Staten. Maar belangrijker, hij zal op de eerste plaats opkomen voor de belangen van de Verenigde Staten. Dat zal onvermijdelijk aanleiding geven tot wrijvingen en conflicten, misschien zelfs vlugger dan velen denken. In een aantal dossiers wijkt Obama immers niet wezenlijk af van het huidige Amerikaanse beleid. Soms kwam hij zelfs harder uit de hoek dan George W. Bush en John McCain. Zo verklaarde hij tijdens de campagne zonder omwegen dat hij niet zou aarzelen om militaire operaties in Pakistan te bevelen (McCain was veel omzichtiger). En al verklaarde hij te willen praten met de Iraanse president Mahmoud Ahmadinejad, de Iraanse uraniumverrijking was voor hem wel degelijk een casus belli (McCain wou die mogelijkheid niet uitsluiten als dat gebeurde onder strenge internationale controles). Obama's expliciete steun aan Israël bracht hem - en zijn minister van Buitenlandse Zaken Hillary Clinton - ertoe om Jeruzalem tot de onverdeelde hoofdstad van Israël uit te roepen. Een standpunt dat niemand in de wereld onderschrijft, omdat het een onoverkomelijk struikelblok opwerpt voor elk vredesakkoord tussen Palestijnen en Israëli's. Zijn verzet tegen de Amerikaanse oorlog in Irak en de belofte het gros van de Amerikaanse troepen binnen de 16 maanden na zijn ambtsaanvaarding terug te trekken, werden geprezen door progressief Amerika. Maar dat verloor daarbij uit het oog dat Obama er steeds aan toevoegde dat dit met de nodige omzichtigheid moest gebeuren. Daardoor spoort dit campagnestandpunt redelijk goed met het recente Amerikaans-Iraakse akkoord om tegen eind 2011 het gros van de Amerikaanse strijdkrachten terug te trekken, met behoud van vele tienduizenden steuntroepen ter plaatse. Op het vlak van het zogenaamde internationale terrorisme hanteren Barack Obama en zijn minister van Defensie Robert Gates grotendeels hetzelfde, intussen achterhaalde clichébeeld als de regering-Bush, namelijk dat het terrorisme een existentiële bedreiging vormt voor het Westen. Ook zijn standpunt over Afghanistan wijst eerder op continuiteit dan op een breuk met het verleden. Het is zonneklaar dat hij zelfs een grotere inzet van Europa in Afghanistan verwacht. Zal Obama de belangen van zijn land kunnen laten samenvloeien met die van de overige grote mogendheden, in een min of meer gelijklopende visie op de grote wereldproblemen? Dat wordt de belangrijkste vraag wat betreft zijn buitenlands beleid. Als er tussen grote mogendheden geen overkoepelende doelstelling bestaat, dan golft de wereldpolitiek op het ritme van hun onderlinge machtsstrijd, van hun opkomst en hun verval én van elkaar opvolgende crises. Vandaag wordt de internationale competitie tussen grote mogendheden in een multipolaire wereldorde verhevigd door een nieuwe wedren op grondstoffen en energie, en door de ongelijke effecten van de opwarming van de aarde. De leidersrol van grote mogendheden wordt daarenboven pas aanvaard door de rest van de wereld als die onderworpen is aan vaste regels (en des te meer als geloofwaardige internationale instellingen daarop toezien) en als die macht ingezet wordt op een manier die ook de belangen en de behoeften van minder machtige mogendheden ten goede komt. Zonder zo'n gemeenschappelijk perspectief, gedeeld door de andere grote mogendheden en aantrekkelijk voor kleinere landen, zal de multipolaire wereldorde ook vandaag op haar best opnieuw een regelloze arena van wisselende bondgenootschappen worden, het resultaat van het geïnstitutionaliseerde wantrouwen tussen grote mogendheden. Precies deze dynamiek heeft in het verleden zo vaak tot instabiliteit en conflicten geleid. Zal president Obama in staat zijn om mee te werken aan zulk een gemeenschappelijk perspectief, een internationaal sociaal contract als het ware? Het antwoord op die vraag zal beslissen of de verkiezingsoverwinning van Barack Obama ook voor de wereldpolitiek een historische gebeurtenis mag worden genoemd. DOOR RIK COOLSAET