De iconen van de tabaksreclame. Een nostalgische terugblik.
...

De iconen van de tabaksreclame. Een nostalgische terugblik. Toen Humphrey Bogart in 1957 (hij was net zo oud als de eeuw) aan keelkanker stierf, was dat nog Gods wil : in de necrologieën van die dagen was er niémand die alludeerde op de verwoestende werking van de sigaret die eeuwig in zijn mondhoek bungelde. Maar enige decennia later (het verband tussen roken en kanker was inmiddels onomstotelijk komen vast te staan) werden beroemde rokers als Jacques Brel en Serge Gainsbourg over het graf heen uitgelachen. Die hadden hun verdiende loon gekregen. Eigen schuld en dikke tumor. Er zijn natuurlijk andere voorbeelden. Jean-Paul Sartre had een penibele oude dag. Hij leed niet alleen aan incontinentie (zijn levensgezellin Simone de Beauvoir moest regelmatig zijn luier verschonen), maar hij was bovendien stekeblind en kon dus niet meer lezen of schrijven. Daarmee was de bodem onder zijn bestaan weggevallen, veronderstelde een verslaggever van het Amerikaanse weekblad Newsweek die de hoogbejaarde filosoof kwam interviewen. ?Meneer Sartre, waarvoor leeft u nog ?? Sartre stak er eentje op (hij rookte het merk Boyard, de dikste sigaret ter wereld), kreeg een hoestbui en antwoordde : ?Om nog een beetje te roken.? Of neem Ronald Reagan, die als jong Hollywoodacteur reclame maakte voor zijn favoriete stinkstokken ( ?I'm sending Chesterfields to all my friends. That's the merriest Christmas any smoker can have !?) en desondanks gewoon aan de ziekte van Alzheimer zal sterven. O, en voorgoed voorbij ! Als straks de wet op een algeheel verbod van tabaksreclame is goedgekeurd, zal dat allicht de volksgezondheid ten goede komen, maar tegelijkertijd verdwijnt een stukje cultuurbezit, om het zo maar eens te noemen. Naar de toekomst toe. Want meer nog dan vergeten automerken (de Borgward Isabelle !) waren sigarettenpakjes de iconen van de twintigste eeuw. De sigaretten Sprint, die Rik Van Steenbergen aan zijn regenboogtrui in Kopenhagen hielpen (zijn tegenstanders Rik Van Looy en André Darrigade rookten het verkeerde merk). De gevaarlijke schoonheid van de Tigra-vrouw, half-mens, half-tijger. De pakjes van Amadis, vijfentwintig stuks voor anderhalve frank, die naar natte matrassen smaakten. De minuscule gele pakjes Laurens van mijn opa, de Boule Nationale van mijn tante, de Lucky Strikes van de bevrijders : ?remember the way cigarettes used to taste, Luckies still do?. Het maïspapier van Hongroise, de eerste filtersigaretten in een kreukvrije box van Monaco. En natuurlijk de moeder van alle iconen, de dame-met-de-hoed van Belga. Toen zij met pensioen werd gestuurd, was het om zeep. Maar de tabaksindustrie is, zoals bekend, niet voor één gat te vangen. Het verbod om rookwaren nog langer met sport of avontuur te associëren werd in België al eerder succesrijk omzeild door de cowboy van Marlboro af te beelden met een lucifersdoosje dat hetzelfde logo droeg als de sigaretten. Die trouvaille wekte tot in Washington en Wladiwostok grote bewondering. Nu het Belgische parlement de duimschroeven verder wil aandraaien, moet het een koud kunstje zijn om de Tigra-vrouw et cetera te laten erkennen als Openbaar Kunstbezit. Wat is de Mona Lisa tenslotte meer dan Belga ? Wie denkt zij wel dat zij is ? En waarom zwijgt Jan Hoet ? Uitverkoop op de Boel-scheepswerven in Temse (Foto : Patrick de Spiegelaere)