Het weerzien is allerhartelijkst, na al die tijd. We kennen elkaar bijna veertig jaar, en in de ogen van de jonge verslaggever die ik in 1970 nog was, was hij toen al stokoud. Veel stokouder kon hij eigenlijk niet worden: dat craquelé in zijn stem had hij veertig jaar geleden ook al - hij is ermee geboren. En hij formuleert nog altijd even precieus. Optreden doet hij al geruime tijd niet meer, maar ter gelegenheid van zijn achtentachtigste verjaardag verscheen opnieuw een bundeltje met, voor zijn doen, tamelijk persoonlijke en neerslachtige verzen.
...

Het weerzien is allerhartelijkst, na al die tijd. We kennen elkaar bijna veertig jaar, en in de ogen van de jonge verslaggever die ik in 1970 nog was, was hij toen al stokoud. Veel stokouder kon hij eigenlijk niet worden: dat craquelé in zijn stem had hij veertig jaar geleden ook al - hij is ermee geboren. En hij formuleert nog altijd even precieus. Optreden doet hij al geruime tijd niet meer, maar ter gelegenheid van zijn achtentachtigste verjaardag verscheen opnieuw een bundeltje met, voor zijn doen, tamelijk persoonlijke en neerslachtige verzen. De stemming evenwel is minder blij Als 88 op de leeftijd slaat Dan wordt het allemaal wat schemerachtig De ogen worden zwak, 't gehoor vergaat De tred is niet gezwind meer, noch veerkrachtig Het spreken wordt ook minder consistent Het denkvermogen hoogstens twijfelachtig Straks is men nog, wie weet, incontinent Dan is de levensvreugde wel voorbij Maar 88 is een mooi getal Dat weten wij dan toch in elk geval DRS. P: Ik zou uw vraag zowel beknopt als breedvoerig kunnen beantwoorden. Als ik het breedvoerig maakte, zou ik alle ouderdomsklachten kunnen opsommen, waaronder achteruitgaande gehoormogelijkheden en een toenemende kippigheid. Ik zou het kunnen hebben over de verstrooidheid die bij mijn leeftijd pist - of laat ik zeggen past. Maar het moet een onbevangen en levenslustig gesprek worden! En dus zal ik jammerklachten achterwege laten. DRS. P: Liever niet. Die term is zo besmeurd dat ik mij daar niet mee wil encanailleren. In dit land, en waarschijnlijk ook elders, kan iedere willekeurige hansworst zich tegenwoordig dichter noemen. Noem mij desnoods een versificator. Dat klinkt zeer ambtelijk en ambachtelijk, en in feite is het dat ook wel. Maar ik heb een innige verachting voor mensen die zich niet storen aan rijm, metrum, grammatica en betekenis. DRS. P: Ruimschoots. Ik herinner me nog levendig en met grote wrevel een tekst van een zekere Hanlo, die begon met: oote oote boe. Op dat thema keuvelde hij nog een tijdje door en dat werd vervolgens niet alleen gedrukt, maar door sommigen ook nog geprezen omdat het zo spontaan was en los van alle conventies. Voor mij was het charlatanerie - en dan nog slechte ook. DRS. P: En Sinterklaas, niet te vergeten. 'Wat zal ik nu eens geven aan Jaap, zo dacht de scherpzinnige knaap...' Er wordt veel slecht gerijmd, dat zeker, maar voor wie kundig met de Nederlandse taal kan omspringen is het rijm een krachtig gereedschap, dat een tekst niet alleen een geraamte kan geven maar je ook op ideeën kan brengen. Rijmdwang kan heel interessant zijn. DRS. P: Oogrijm is een verplichting die ik alleen mezelf opleg. Ik wil andere mensen niet ontmoedigen die het al moeilijk genoeg hebben om blauw op rouw te laten rijmen; ze moeten hun gang maar gaan in hun gezwatel. DRS. P: Dat heb ik lang gedacht. Maar ik ben nu al jarenlang tot het besef gekomen dat je in het Nederlands veel meer capriolen kunt uithalen dan in het Engels, om van het Frans en het Duits nog maar te zwijgen. Ik heb ooit het aantal rijmklanken geturfd en ik kwam tot een aanzienlijk hoger aantal voor het Nederlands dan voor het Engels. DRS. P: Jazeker. Ik moest eens, in opdracht van een radioprogramma, de seizoenen bezingen. Ik heb daar toen van gemaakt: 'Zijn naam is Friso Winter. / Hij heeft al sinds zijn jeugd/ tot wanhoop van zijn keurige familie niet gedeugd. / De Oude Juffrouw Zomer, Baas Voorjaar, Meester Herfst,/ ze riepen driewerf: schande!/ Juffrouw Zomer het driewerfst.' DRS. P: Onbegrijpelijke poëzie heeft mijns inziens geen recht van bestaan. Er is een man die zich met de benaming dichter tooit - Ilja Leonard Pfeijffer - en die heeft eens verklaard dat het er helemaal niet toe doet of lezers zijn teksten begrijpen. Dat vind ik buitengewoon onhebbelijk. Wie iets schrijft en via een uitgever laat verspreiden, richt zich tot een publiek. Dat publiek moet je bedienen, weliswaar niet serviel, maar in ieder geval toch hoffelijk. Begrijpelijkheid is een vorm van hoffelijkheid. DRS. P: Niet echt. De radeloosheid van 'waar moet ik het nu over hebben' ken ik niet. Ik heb veel in opdracht geschreven, voor de radio onder meer, en ik was altijd dankbaar wanneer men mij onderwerpen aangaf waar ik niet de minste affiniteit mee had. Het wiskundige getal pi bijvoorbeeld, of groente en fruit. Ik weet natuurlijk wel hoe een aardappel smaakt en hoe een komkommer eruitziet, maar het zou overdreven zijn te beweren dat ik me verbonden voel met zulke gewassen. Toch bezing ik liever schorseneren en prei dan de liefde of de glimlach van een kind. Ik schrijf liever over Maagdenburger Halve Bollen dan over ( gnuift) de Derde Wereld. De kans dat je in clichés vervalt is dan een stuk kleiner. DRS. P: Ik houd wel van het effect van wreedheid en akeligheid in een humoristische tekst. Tekstschrijvers die lollig willen zijn, beschrijven vaak geslachtsverkeer - ik houd het liever bij rampspoed. Bovendien is het wereldgebeuren niet bepaald een onderwerp waarbij we, twinkelend met onze ogen, een vrolijk danspasje verrichten. Ik zou het helemaal niet erg vinden als de mensheid verdween, door een meteorietinslag bijvoorbeeld, en de aarde een park werd voor allerlei gedierte. Maar maakt dat van mij een mi-santroop? DRS. P: Die omschrijving behaagt mij wel. Ik heb zeer weinig verwachtingen van de toekomst. Werkelijk waar, ik heb nog nooit zo'n roteeuw meegemaakt als de eenentwintigste, en die is nog maar net begonnen. Ik vond de twintigste eeuw tamelijk goed te verdragen, waarbij ik onmiddellijk signaleer dat ik de Eerste Wereldoorlog niet heb beleefd en de Tweede Wereldoorlog ongeschonden ben doorgekomen. En toch, het leven was toen wat overzichtelijker en gemoedelijker dan het nu is. Ik noem één voorbeeld: in restaurants en cafés mag niet meer worden gerookt! Ik vind dat een aanslag op de levensvreugde van mensen die graag roken. De verbetenheid waarmee men ons daar van af probeert te brengen vind ik werkelijk mensonterend. Alcohol heeft veel schadelijker uitwerkingen dan nicotine, is mijn opvatting. Van sigaren sla je geen belachelijke, domme taal uit. Je gaat er niet van braken. Je valt niet machteloos op de grond, je bent niet onzindelijk. Als ik ergens niet mag roken, bespringt mij een zekere neerslachtigheid. Maar normaal gesproken ben ik toch redelijk opgewekt of op zijn minst bedaard. DRS. P: Dat was niet al te dramatisch hoor. Ik had voor een studentenblad in Rotterdam een verhaaltje geschreven voor de bijzonder onrijpe jeugd, onder het pseudoniem tan-te Pol-lie. Tussen twee lettergrepen stond altijd een streepje om het lezen te vereenvoudigen. 'Dolf en Ben wa-ren dik-ke vriend-jes. Zij haal-den sa-men heel wat kat-ten-kwaad uit. Maar toen werd oom Sam, de veld-wach-ter heel boos. Hij nam een dik-ke knup-pel en ging daar-mee naar het dorp. En wie kre-gen toen een pak voor de broek? Dat kun-nen jullie wel ra-den.' De SS zag er de humor niet van in. Er is toen een rechtszaak van gekomen en ik belandde in de strafgevangenis van Scheveningen, maar ik ben daar niet slecht behandeld. Het voedsel kwam op gezette tijden en het was eigenlijk wel een gemakkelijk en overzichtelijk bestaan. Ik heb er geen trauma aan overgehouden. DRS. P: Dat is een goede vraag, waarop ik geen doelmatig antwoord heb. Mijn grootvader was een man naar mijn hart. Hij was reislustig, hij sprak zijn talen, hij kende kopstukken als Karl Liebknecht, Karl Kautsky en August Bebel persoonlijk, hij heeft in Italië zelfs Karl Marx nog als tolk gediend, en hij is zijn hele leven socialist gebleven - ook toen hij het op Java als koffieplanter tot miljonair had gebracht. Maar hij vond niet dat het socialisme iemand veroordeelde tot een leven van nooddruft. Hij schepte behagen in interessant voedsel, rechtschapen wijn en andere lijfelijke geneugten, hij was, zoals de Duitse term luidt, ein Lebenmann. Het socialisme zoals het mijn grootvader voor ogen stond was nog een hooggestemde droom, een oprecht en fatsoenlijk ideaal, maar het is intussen, zoals iedere ideologie, geheel verkalkt en ontaard. Er is alleen nog een vage echo van over. DRS. P: Ik ben ouderwets - dat is iets anders. Ik distantieer mij van e-mails, computers, dvd's en al die snorrepijperij. Ik beschouw de twintigste eeuw nog altijd als mijn habitat - toen snapte ik nog wel ongeveer alles wat zich voordeed. Ik houd van sierlijkheid in de omgang, en die is aan het uitsterven. DRS. P: Misschien wel, al had je toen natuurlijk nog de vliegende tering en allerlei ander ongerief. Ik heb me ook altijd zeer aangetrokken gevoeld tot de periode na de Eerste Wereldoorlog. Ik was toen weliswaar al geboren maar nog te jong om bewust deel te nemen aan het culturele leven, dat toen, zeker in een stad als Berlijn, buitengewoon kleurrijk was. Ik had tóén volwassen willen zijn. Het was een tijdperk van doodsangst en uitgelatenheid, of om het met een buitengewoon versleten cliché te zeggen: de dans op de vulkaan. DRS. P: Het allerprilste begin bevindt zich in mijn studententijd. Als eerstejaars was je eigenlijk nietswaardig, maar op de studentensociëteit stond een piano en door mijn pianospel kon ik de ouderejaars op een afstand houden. Er werd ook wel gezongen, maar fijnbesnaard of erg volwassen kon je de liederen die daar werden aangeheven niet noemen. Dus vond ik het wenselijk om iets inventievers ten gehore te brengen. DRS. P: Nee, maar ik had toch, mag ik wel stellen, enig muzikaal talent. Ik had een ongeschoolde stem en ik zong misschien niet welluidend, maar dat was ook mijn ambitie niet. Ik heb nooit enig zangonderricht genoten, noch begeerd. Ik had liever dat het publiek naar mijn tekst luisterde dan dat het gelukzalig opging in mijn stemgeluid. Mensen die prachtig zingen leiden de aandacht van de tekst af. Ik vond het vertolken van mijn eigen teksten wel een prettig bestaan. Ik hoefde er geen speciale kledij voor aan te trekken en ik hoefde ook niet, zoals acteurs genoodzaakt zijn te doen, andermans teksten uit het hoofd te leren. DRS. P: Er was geen enkele dwingende aanleiding. Het had ook niets te maken met keelklachten of wat dan ook. Ik weet het nog precies: ik bevond mij op de trein naar Strombeek-Bever, alwaar ik moest kwinkeleren. Het was fraai weer, de trein deed zijn plicht en ik voelde me bijzonder levenslustig. Juist het feit dat het niet nodig was, leek mij een aanwijzing om ermee op te houden. Mij stond het schrikbeeld voor ogen van een wrak als Frank Sinatra, of van Heintje Davids, die de ene afscheidstournee na de andere hield. Mensen die geen andere wereld kennen dan het podium, zijn te beklagen. Ik wilde in geen geval doorgaan tot het moment dat iedereen prevelde: als hij nu maar eens ophield, want zijn stem is niet meer zo parelend! DRS. P: Van mezelf heet ik, zoals u weet, Heinz Polzer. Ik ben een fiere Zwitser en ik heb ook nooit de aanvechting gevoeld om me tot Nederlander te laten naturaliseren. Niet dat ik lang in Zwitserland vertoefd heb, maar ik wil toch wijzen op de voortreffelijke Zwitserse spoorwegen, de onnavolgbare horloges, op het illustere Zwitserse legerzakmes, en nog meer deugden. Mijn moeder was een Nederlandse, maar Heinz Polzer is, althans in Nederland, niet meteen een geschikte artiestennaam. Doctorandus P was een idee van de televisiemaker Willem O. Duys. En het stond mij onmiddellijk aan: het is heel kort, wat veel tijd bespaart bij het signeren, het is gemakkelijk te onthouden en je maakt er weinig spelfouten in. DRS. P: Aloïs Müchenspucher, zult u bedoelen. Ik heb ook wel gepubliceerd onder de naam Karin Bloemengracht, een nogal beredderige juffrouw van een weekblad voor het ganse gezin. Dat soort dingen heeft me altijd geamuseerd. Ik heb me altijd aangetrokken gevoeld tot maskerades, want dat geeft je toch een zekere bewegingsvrijheid. DRS. P: Alleen op de televisie. Ik word er nogal mismoedig van. Het lijkt mij nogal grof geworden en het berust naar mijn smaak veel te veel op grimassen. Iemand als Wim Kan had geen omslachtige gebaren en andere kunstgrepen nodig om een tekst te onderstrepen. DRS. P: Heel slecht. Je hebt nauwelijks nog straatzangers. Ik herinner mij nog met weemoed hoe ik, toen ik nog in Rotterdam woonde, een markt bezocht waar van die versleten, moedeloze 78 toerenplaten werden verkocht met levensliederen. Daar heb ik er toen een aantal van meegenomen en het heeft me destijds geïnspireerd tot het schrijven van Het hart ener deerne bijvoorbeeld. Het levenslied moet vooral niet cynisch, ironisch, satirisch of sarcastisch zijn. Het moet recht uit het hart komen. Hoe goedkoper, hoe liever, want hoe goedkoper, hoe echter. Een zeeman die verdrinkt, een onschuldig meisje dat verleid wordt door een rijke schavuit, een moedertje dat in de verte tuurt - iedereen snapte meteen waar het over ging en dacht: ach wat zielig. Het was zo oprecht dom. Maar het is helaas verloren gegaan. DRS. P: Misschien wel. Ik denk nog dikwijls met een smartelijk verlangen terug aan de tropen, aan Indonesië, waar ik gewoond heb, maar ook aan de reizen die ik gemaakt heb in Latijns-Amerika. Het klimaat was er heel verstandig: om een uur of zes in de ochtend kwam de zon op, en die bleef schijnen tot zes uur 's avonds. Je kon er je verlustigen in fraaie landschappen. En ook het feit dat je er belaagd kon worden door een vogelspin - niet dat het me ooit overkomen is, maar het was denkbaar - voegde iets toe aan de kleurrijkheid van het bestaan. Hier is alles zo voorspelbaar, en dat staat mij enigszins tegen. DRS. P: Het is niet om in marmer te beitelen, maar ik zou zeggen: kijken wat het wordt. Dat krijg je op mijn leeftijd. Ik verzet me tegen het banale, alledaagse beeld dat men heeft van de krasse, oude baas die nog op zijn praatstoel zit en nog iedere dag zijn ommetje maakt. Dat gemaakt vrolijke. Ouderdom - ik kan het niemand aanbevelen. DRS. P, '88', NIJGH & VAN DITMAR, AMSTERDAM, 20 BLZ., 4,95 euro. DOOR PIET PIRYNS