De etappe van vandaag: 122 kilometer en 2770 hoogtemeters. Dat zijn cijfers om van te duizelen. Stel je een ritje voor van Brugge naar Charleroi, waarbij je onderweg twee keer Alpe d'Huez beklimt. Als gewone recreatieve fietser maak ik me daar een tikje nerveus over. Een gevoel dat nog eens wordt aangewakkerd door de drie wielrenners in de groep.
...

De etappe van vandaag: 122 kilometer en 2770 hoogtemeters. Dat zijn cijfers om van te duizelen. Stel je een ritje voor van Brugge naar Charleroi, waarbij je onderweg twee keer Alpe d'Huez beklimt. Als gewone recreatieve fietser maak ik me daar een tikje nerveus over. Een gevoel dat nog eens wordt aangewakkerd door de drie wielrenners in de groep. Maar daar fiets ik dan, bij Monte Castello, zonder een druppeltje zweet, de zoveelste helling op. Geen gehijg. Lachend haal ik een van de coureurs in, die meer lijkt te ploeteren dan ik. Oké, toegegeven, ik ben heel licht, dat helpt, en mijn speedpedelec staat op de hoogste stand. Maar dat het zó makkelijk kon zijn om de Apennijnen te trotseren, nee, dat had ik niet voor mogelijk gehouden. Een dag eerder zijn we vlakbij Milaan met een achtkoppige fietsgroep van start gegaan. Een beetje eng was het wel, zo'n vliegensvlugge e-bike, waarmee je al snel met veertig kilometer per uur over het asfalt zoeft, langs de rivier Ticino, met plaatsjes als Turbigo en Boffalora Sopra Ticino. Pastelkleurige gevels, de verf soms wat afgebladderd, houten luiken, stenen bruggetjes. Op het onverharde pad door de risotto-rijstvelden is het even flink hobbelen. Maar al snel went het, die snelheid. De platte Povlakte gaat op dag twee over in hellende vlakken met wijngaarden. 'De snelle reiziger ziet niet méér, maar slaat méér over', appt een vriend sceptisch. Maar als drie boeren een zware kar vol druiven de weg optakelen, stapt iedereen spontaan af om even te kijken. Verderop begeleidt een hippe geitenhoeder (koptelefoon om de nek) zijn dieren naar een weiland. Nee hoor, geen enkel detail ontgaat ons. Voordeel van de hogere snelheid is dat je met gemak 120 kilometer op een dag kunt wegtikken. Normaal gesproken kruip ik door het landschap, nu zie ik in één week Lombardije, Emilia-Romagna, Toscane, Umbrië en Lazio. Sierlijke bergtoppen met snoezige kerken gaan over in bossen, waar de weg haarspeldbochten maakt. Een waterval klettert in een vallei. Later zal de fietsroute de zee aantikken, waarna de mistige heuvels van Toscane verschijnen, Umbrië zijn ruigheid toont en het meer Lago di Bolsena schittert in de zon. Witte muiltjes met goudkleurig stiksel staan de tweede avond klaar in de slaapkamer van Castello di Gambaro, een oud klooster dat is omgebouwd tot kasteel. 'We ontvangen graag fietsers en wandelaars', vertelt eigenaar Valentino Alberoni, die later met zijn vrouw de goddelijkste maaltijden zal opdienen. 'Paddenstoelen, zoals eekhoorntjes- brood, haal ik uit het bos, forellen uit de beek.' Zeven jaar heeft het stel ge- daan over de renovatie van hun monument, dat volledig was overwoekerd. We doen grootse steden aan als Pavia, Lucca en Siena. Het middeleeuwse San Gimignano heeft keurig schoongepoetste steegjes, die vol zitten met toeristenwinkels. Het leukst zijn misschien wel de toevalstreffers: het kasteel van Valentino, of het plaatsje Pontrémoli, waar de rivier Magra doorheen kronkelt. Middeleeuwse huizen, een kasteel en een waanzinnige stenen brug. Het is maar goed dat ik niet bij iedere pittoreske plaats stop, anders zou ik over een maand nog aan het fietsen zijn. Soms lijkt het alsof de huizen vastgeplakt zijn aan een helling. Bij Grotte di Castro bijvoorbeeld, en Calcata, dat vlak voor Rome ligt. Wie heeft dat toch ooit verzonnen, om zo te gaan bouwen? Calcata werd in de jaren dertig verlaten. De bewoners waren bang dat de vulkanische rotsen waarop de stad ligt zouden instorten. Tegenwoordig is ze bewoond door een artistieke gemeenschap. Echt goed zou ik niet slapen, denk ik, daar op die hoogte. Dan liever een nacht in de Agriturismo Streda bij Vinci, de geboorteplaats van Leonardo da Vinci. Daar werden na dag vier direct de wijnflessen opengetrokken. Achteroverleunend in de stoel keek ik er uit op de heuvels van Toscane. 'Wie komt er een baantje trekken?' 'Het is geen wedstrijd hè', roept begeleider Peter Droogers, als het tempo aan het eind van de week weer eens omhoog gaat. De Zweedse dertiger Maria Persson kan de groep desondanks prima bijhouden. Begin dit jaar kocht ze haar eerste mountainbike, nooit eerder fietste ze in de bergen. Het afdalen gaat nog wat onwennig, maar de achterstand haalt ze in tijdens de klimmetjes. Met een grote glimlach op het gezicht. De snelste fietsers kom je vanzelf weer tegen op het terras, waar de obers pasta's, espresso's, doppio's en cappuccino's serveren. Een beetje gemeen is het wel, als je met je speedpedelec langs de zoveelste wielrenner snelt en je in de achteruitkijkspiegel dat gepijnigde gezicht ziet. Een heerlijke macho-Italiaan - tattoos op de arm, stoere zonnebril op - wil zich niet laten kennen en komt puffend naast me rijden: ' What kind of bicycle do you have?' Op de laatste dag ruiken de meesten van onze groep stal. Met Benno Ponds fiets ik in de achterhoede. Zoals hij dat al de hele week doet, tuurt hij voortdurend om zich heen, op zoek naar nóg mooiere weggetjes. Alsof hij thuis, aan de hand van kaarten en fietsapps, nog niet lang genoeg is bezig geweest met het maken van de routes. Bij de metershoge stadsmuur van Nepi blijft hij even staan. 'Kijken wat daarachter ligt?' Zonder op een reactie te wachten, rijdt hij naar binnen. We ontdekken er een flink kasteel en een oude boog, bedekt met planten. Achter het stadje doemt een vallei met waterval op. Waanzinnig. Aan het balkon van een huis, gebouwd op een klif, hangt iemands was te drogen. Later lees ik dat de Engelse romantische schilder William Turner in 1819 een schets maakte van het kasteel, genaamd Rocca dei Borgia. De snelle reiziger kan best méér zien, als hij maar af en toe een keertje stopt. Maar goed, nu doorrijden naar Rome, want ik wil ook weer niet de laatste zijn.