Op 12 februari 2009 zal het tweehonderd jaar geleden zijn dat Charles Darwin geboren werd. Darwin is de man die de gedachte dat soorten evolueren gedetailleerd uitwerkte en documenteerde in misschien wel het belangrijkste boek dat ooit geschreven is: het op 22 november 1859 verschenen On the Origin of Species by Means of Natural Selection. In 2009 vieren we dus zowel de 200e verjaardag van Darwin als de 150e verjaardag van zijn evolutietheorie.
...

Op 12 februari 2009 zal het tweehonderd jaar geleden zijn dat Charles Darwin geboren werd. Darwin is de man die de gedachte dat soorten evolueren gedetailleerd uitwerkte en documenteerde in misschien wel het belangrijkste boek dat ooit geschreven is: het op 22 november 1859 verschenen On the Origin of Species by Means of Natural Selection. In 2009 vieren we dus zowel de 200e verjaardag van Darwin als de 150e verjaardag van zijn evolutietheorie. De theorie steunt op drie sterke pijlers: een enorme variatie in eigenschappen tussen individuen, een overproductie aan geboortes in verhouding tot wat een omgeving aankan, zodat er een grote sterfte is, en de fameuze natuurlijke selectie waardoor alleen de individuen overleven die het best zijn aangepast aan het milieu waarin ze moeten gedijen. En hoewel wij dankzij onze recente culturele ontwikkelingen (vooral de geneeskunde) een steeds grotere greep krijgen op de natuurlijke selectie, zijn ook wij permanent onderhevig aan de wetten die de basis vormen van Darwins theorie. Darwin was zo briljant dat hij meer dan alleen maar de grote lijnen zag. Hij had snel door dat de natuurlijke selectie niet volstond om de evolutie van alle levensvormen te verklaren. Er is ook zoiets als seksuele selectie in het spel: het ontwikkelen van kenmerken die vooral dienen om indruk te maken op potentiële partners. De waaierstaart van de pauw is het klassieke voorbeeld, een staart die de overleving van zijn drager eerder hindert, want hij kan minder gemakkelijk uit de voeten als het nodig is, maar die een geweldig instrument is om mee te pronken. Onze schoonheidsidealen zijn voor een groot deel gevormd door het succesvol reageren op signalen die een goed nakomelingschap bevorderen. In Het Succes van Slechte Seks wordt geschetst hoe ons doen en laten wordt gestuurd door de principes achter natuurlijke en seksuele selectie. Een kleine greep uit de vele behandelde onderwerpen als voorsmaakje van het boek. Chimpanseemannen vallen voor kenmerken zoals verhakkelde oren en rotte tanden die ouderdom signaleren. Chimpanseemannen spannen zich meer in om oudere vrouwen te bevruchten dan jongere. Bij mensen is dat omgekeerd. Mensenmannen vallen voor signalen van jeugdigheid, zoals een strak lichaam en blonde haren. Het essentiële verschil tussen beide soorten is dat er bij chimpansees geen merkbare afname van de vrouwelijke vruchtbaarheid met de leeftijd is. Oude chimpanseevrouwen zijn ervaren moeders. Daarenboven biedt het feit dat ze zo oud geworden zijn een concurrentieel voordeel, want zo verhoogt de kans dat ook hun kinderen (en die van de bevruchter) oud zullen worden. Een aantrekkelijke theorie ter verklaring van de vrij hoge leeftijd die de mens al tienduizenden jaren haalt, is de stelling dat oma's zich nuttig zijn gaan maken door te helpen met het grootbrengen van de kleinkinderen. Kleinkinderen die een deel van oma's genen dragen, zodat hun inzet ook voor henzelf biologisch belangrijk is. Men gaat ervan uit dat door de zware last die het moederschap op een vrouw legt, grootmoeders zich nuttiger kunnen maken door mee voor de kleinkinderen te zorgen dan door zelf nog kinderen te krijgen. Vandaar de ontwikkeling van de menopauze. Zo kan een aanzet gegeven zijn tot een langer mensenleven, omdat oma's de genen die hen toelieten lang te leven via hun kleinkinderen versterkt naar de volgende generaties doorgaven. Er zijn geen aanwijzingen dat mannen een rol spelen in de oma-als-helpercontext. Om te beginnen blijft een man in principe tot zijn laatste snik vruchtbaar, hoewel zijn zaadproductie (en zijn libido) met het ouder worden wel begint te sputteren. Vervolgens is er het breekpunt dat een grootvader nooit helemaal zeker is dat zijn kleinkinderen zijn genen dragen, omdat er altijd het risico is dat er onderweg een kink in de kabel is gekomen, door de ontrouw van een schoondochter, bijvoorbeeld, of van zijn eigen vrouw. Oma's lopen minder risico, vooral als ze zich extra voor de kinderen van hun dochters inzetten. Natuurlijk niet. Genen worden tot expressie gebracht in interactie met de omstandigheden waarmee ze geconfronteerd worden. Als het maximaal voortplanten van genen naar de volgende generaties de absolute drijfveer zou zijn, zouden spermabanken veel succes moeten hebben, want ze bieden een man de kans om met een minimale inspanning (tien minuten met één hand) een maximale verspreiding van zijn genetisch materiaal te verkrijgen. Toch kampen vele spermabanken voortdurend met een tekort aan goede donoren. Een biologisch raadsel. Ook het feit dat wij in gemiddeld kleine gezinnen leven, net in een periode dat wij bij gratie van onze geneeskunde kindersterfte bijna volledig onder controle hebben, is moeilijk uit te leggen. Mogelijk betreft het een onbewuste sociale terugkoppeling om overbevolking tegen te gaan, gedreven door de grote zorg die wij in een comfortabele maar complexe maatschappij in de opvoeding van onze kinderen moeten investeren. In ontwikkelingslanden kan de ravage die aids aanricht voor eenzelfde soort terugkoppeling om overbevolking te counteren zorgen. De interactie tussen genen en omgeving is een eindeloos proces. Niet alle individuen zijn altijd en overal even goed aangepast. Genencombinaties veranderen onophoudelijk, net als de omgevingsomstandigheden. Maar recent zijn er op lichaamsniveau duidelijk problemen vast te stellen. Door onze culturele verwezenlijkingen krijgen wij een stevige greep op onze omgeving. We leggen de natuurlijke selectie voor een deel aan banden door sterfte op jonge leeftijd terug te dringen, en door via onze sociale zekerheid ook minder goed aangepaste mensen kansen op een leven van aanvaardbare kwaliteit te bieden. De op til zijnde epidemie van zwaarlijvigheid lijkt een gevolg te zijn van het feit dat mensen zich niet vanzelf aan een bijna permanente beschikbaarheid van voedsel aanpassen. Onze genetica zorgt er nog altijd voor dat wij vetreserves aanleggen in tijden van overvloed, om ons door periodes van schaarste te loodsen. Er zijn echter geen periodes van schaarste meer, zodat er altijd meer reserves aangelegd worden, met overgewicht als gevolg. Daarenboven blijven wij eten alsof wij elke dag de boer op moeten en fysiek actief moeten zijn om onze kost te vinden of te verdienen, ondanks het feit dat de meeste mensen bij ons een overwegend zittend leven leiden. Het is normaal dat de biologie van een lichaam het moeilijk heeft om die snelle omgevingsveranderingen bij te benen. Geslachtelijke voortplanting is de regel in de natuur, hoewel ongeslachtelijke voortplanting zoveel sneller kan gaan. Eén zich ongeslachtelijk voortplantende slak kan een grote populatie beestjes met seks in vijftig generaties overwoekeren. Geslachtelijke voortplanting heeft ook het grote nadeel dat de helft van de genen in je nakomelingen van iemand anders zijn (je partner). Toch plant meer dan 99 procent van de dieren zich geslachtelijk voort. De voordelen moeten enorm zijn. Geslachtelijke voortplanting is uitermate geschikt om de grote variatie tussen individuen te bevorderen, die een efficiënte evolutie in de hand werkt. Ze is de enige manier om kinderen te maken die beter zijn dan jezelf (hoewel het omgekeerde uiteraard ook kan). En ze kan genetische fouten wegwerken of toch op zijn minst maskeren, door een back-up te voorzien via de inbreng van de partner. Geslachtelijke voortplanting is zo succesvol dat zelfs hermafrodieten zich geslachtelijk voortplanten. Als trage dieren zoals een slak of een regenworm lang moeten zoeken naar een partner, en hij of zij stoot op een individu van het verkeerde geslacht, is er een probleem. Hermafroditisme verdubbelt de kans op een ontmoeting met een geschikte partner. Maar in de hermafrodietenwereld wil iedereen alleen de mannelijke rol spelen: bevruchten zonder zelf bevrucht te worden, zich voortplanten met een minimale eigen investering. Hermafrodieten hanteren ingewikkelde rituelen die wij als vreselijk zouden bestempelen, om te voorkomen dat ze bevrucht worden zonder zelf te bevruchten. Weerhaken op de geslachtsorganen, penisduellen en brandend sperma zijn maar enkele voorbeelden van de mechanismen die circuleren om vals spelen uit te sluiten. Een wereld waarin niemand de vrouwenrol wil, is geen aangename wereld. Om dat te weten te komen moet u het boek lezen, maar de vraag past in de kwestie van de overgang van seks als een middel om zich voort te planten naar seks als middel om genot te zoeken. Genot dat aanvankelijk via het aan de zaadlozing van de man gekoppelde orgasme naadloos aan de voortplanting gelinkt was. De overgang tussen beide types seks verklaart een aantal maatschappelijke veranderingen van de jongste decennia. Dat politicus Wilfried Martens vlak nadat hij premier af was scheidde van zijn vrouw om te trouwen met zijn veel jongere secretaresse, met wie hij bijna meteen kinderen kreeg, was perfect biologisch verklaarbaar. De man wilde zich voortplanten, zoals voorzien in zijn genen. Dat hij recent opnieuw trouwde, met zijn oude liefde Miet Smet, illustreert dat hij op zijn oude dag alsnog een moderne, door cultuur gestuurde man is geworden. Kinderen zijn niet meer aan de orde. Samen waardig oud worden wel, ongetwijfeld in een context van verhoogd genot (maar dat weten we natuurlijk niet zeker).