Nobelprijswinnaars Derek Walcott en Joseph Brodsky hadden lovende woorden voor hem en hij staat sinds enkele jaren op de lijst van de ernstige kandidaten om zelf de Zweedse hoofdvogel te treffen, maar bij ons is de Australische dichter Les Murray nauwelijks bekend. Australië is op de kaart van de hier doorgedrongen literatuur, behalve met de romans van Patrick White, nog redelijk onontgonnen. En Murrays roots zijn dat zowaar nog meer: hij is in 1938 geboren in Bunyah, een afgelegen dorpje op zo'n tweehonderdvijftig kilometer ten noorden van Sydney. Zijn voorouders aan vaders zijde waren arme Schotse boeren, die in het midden van de negentiende eeuw een nieuw leven in Australië begonnen. Murrays vader werkte in Bunyah als houthakker en had later een kleine melkveehouderij.
...

Nobelprijswinnaars Derek Walcott en Joseph Brodsky hadden lovende woorden voor hem en hij staat sinds enkele jaren op de lijst van de ernstige kandidaten om zelf de Zweedse hoofdvogel te treffen, maar bij ons is de Australische dichter Les Murray nauwelijks bekend. Australië is op de kaart van de hier doorgedrongen literatuur, behalve met de romans van Patrick White, nog redelijk onontgonnen. En Murrays roots zijn dat zowaar nog meer: hij is in 1938 geboren in Bunyah, een afgelegen dorpje op zo'n tweehonderdvijftig kilometer ten noorden van Sydney. Zijn voorouders aan vaders zijde waren arme Schotse boeren, die in het midden van de negentiende eeuw een nieuw leven in Australië begonnen. Murrays vader werkte in Bunyah als houthakker en had later een kleine melkveehouderij. Les Murray trok wel naar Sydney om er met de nodige zin voor eclecticisme vanalles te studeren en door zijn groeiende bekendheid als dichter komt hij wel vaker over de grens, maar sinds 1985 woont hij terug in zijn geboortedorp. Dat toont al aan hoezeer Murray verbonden is met zijn wortels, en ook zijn poëzie bewijst dat. Murray noemt zichzelf nogal graag een "hersen-boer" en in die omschrijving tonen zich de twee polen waartussen zijn poëzie slingert: het ongebondene, ongebreidelde van de natuur, met daartegenover het kunstmatige, rationele van de stedelijkheid. Het is precies die vermenging die zijn poëzie zo bijzonder, en zeker tot meer dan doodgewoon ecologisch verantwoorde natuurpoëzie maakt. Maar toch kiest Murray in zekere mate partij voor het natuurlijke, want hij vindt dat de academische kritiek elke originaliteit in de kiem smoort en het publiek onnodig betuttelt. Dat valt af te lezen uit de slotregels van het gedicht Elke ochtend weer als nieuw, waarin hij van leer trekt tegen "de omzwermde, bezeverde, gefantaseerde / woord-atomen van het Testament der critici". ZONDIG TEGEN BONENDe bloemlezing "De slabonenpreek" geeft een mooi beeld van Les Murrays dichterschap. Hij treedt hier vooral naar voren als de auteur van plastische, meestal exuberante, ironische of wrange gedichten, waarvoor hij als een poeta doctus allerlei invalshoeken hanteert, alhoewel zijn maatschappelijk geëngageerde kant wat onderbelicht blijft. Er zit in Murrays gedichten vaak een grote brok rauwe, barokke werkelijkheid van de natuur en het landbouwleven. In de bloemlezing staan gedichten over een regenwatertank op het erf, of over een bloeiende eucalyptus in de herfst. Het gedicht De slabonenpreek, waarnaar de bloemlezing is genoemd, geeft een mooi beeld van de manier waarop Murray met de werkelijkheid omgaat: "Op elk uur van het daglicht // verschijnen er meer dan je over het hoofd zag: rijpe, knobbelige, / vlezig-dikke, dun-halvemaanvormige, breed gefronste, vogelschouderige, / kielgebogene, / geknokkelde bonen of met een enkele bult, zogende piepkleine groene / dolfijnen." Hier spreekt wellust en overdaad uit, typisch voor een stijl vol binnenrijmen en alliteraties en een losgeslagen, maar toch traceerbaar ritme, dat soms aan Afro-Amerikaanse muziek doet denken. Murray plaatst zijn natuurbeschouwingen altijd in een taalkader: ze zitten vol ongewone beelden, neologismen en kunstmatige zinswendingen. En bovendien staat er in de beginregels van het titelgedicht een uitspraak van de bonen ("zondig zachtjes tegen ons"), die een oproep lijkt om ons over te geven aan die overdaad van de bonen in de tuin, en meteen dus aan de overdaad van beelden waarmee ze beschreven worden. In die overdaad en in de elementen uit de spreektaal, die met kunstmatige zinswendingen vermengd worden, zitten misschien wel resten van de Schotse volksmuziek. In elk geval was het een traditie die Les Murray kende, want ze werd door zijn familie in Australië in stand gehouden.DOODSNOOD VAN DE KOENog merkwaardiger dan de natuurbeschouwingen zijn de dierengedichten in deze bloemlezing, vooral omdat Murray bij monde van die dieren spreekt. Dat doet hij bijvoorbeeld in het beklemmende Koeien op slachtdag, waarin hij heel plastisch de angst en de nervositeit van de koeien beschrijft vanuit een versplinterd standpunt: alle koeien zijn ikken die hetzelfde lot beschoren zijn: "Het is bezig in de hals van ik / en het vreselijke stroomt naar buiten, zompig en schuimend. Alle ik doen / de Brul." Van boerenzoon Murray valt natuurlijk niet te verwachten dat hij zo'n slachtdag beschrijft als een buitenstaander, maar vertaler Maarten Elzinga verwijst in zijn uitstekende nawoord in dat verband niet onterecht naar de negentiende-eeuwse priester-dichter Gerald Manley Hopkins, omdat die met zijn gedichten de inscape van de dingen zichtbaar wou maken. Met die term bedoelde Hopkins dat hij via de taal in de dingen wou kruipen, om hun essentie bloot te leggen. Dat klinkt bijna religieus en niet zonder reden, want poëzie en religie liggen volgens Murray in elkaars verlengde. Hij schrijft: "Religies zijn gedichten. Ze verenigen / ons daglicht-ik en onze dromende ziel, ze brengen / onze emoties, instinct, adem en aangeboren gebaren / bij elkaar in het enige hele denken: poëzie." Maar dat betekent niet dat zijn poëzie bestaat uit lofprijzingen van de schepping, want daarvoor zitten er toch te veel weerhaakjes in zijn werk. Er valt genoeg beeldmateriaal uit de stedelijke cultuur bijeen te lezen - in een gedicht over de emoe vallen bijvoorbeeld woorden als Beatles, periscoop of plastic. De bloemlezing bevat ook een serie Machineportretten en vooral: er zit in sommige gedichten een vreemde fascinatie voor wat de orde van de werkelijkheid kan verstoren. Zo sluipt er een vreemde dreiging in het vreedzame portret van het Autopettend jongetje: "Zijn vervoering te verdragen, / te glimlachen, erin te delen, vraagt om de blik / die het verst verwijderd is van moord". En dat is dus helemaal iets anders dan het zogenaamde zieltjes redden van de religie. Les Murray, "De slabonenpreek", Meulenhoff, Amsterdam, 125 blz.Paul Demets