Terwijl de Verenigde Provinciën, Engeland, Zweden, Denemarken en Frankrijk het ene met exotische waren volgeladen schip na het andere in hun havens verwelkomden, konden de Zuidelijke Nederlanden alleen toekijken. Al die glimmende stoffen, porseleinen kleinoden, exotische specerijen en kostbare edelstenen moesten ze van vreemde handelaars kopen. In het verdrag van Munster van 1648 had Spanje immers ingestemd met de sluiting van de Schelde, waarvan de monding in de Noordelijke Nederlanden lag. Daardoor hadden de Hollanders het monopolie over de handelsvaart uit de Spaanse Nederlanden in handen.
...

Terwijl de Verenigde Provinciën, Engeland, Zweden, Denemarken en Frankrijk het ene met exotische waren volgeladen schip na het andere in hun havens verwelkomden, konden de Zuidelijke Nederlanden alleen toekijken. Al die glimmende stoffen, porseleinen kleinoden, exotische specerijen en kostbare edelstenen moesten ze van vreemde handelaars kopen. In het verdrag van Munster van 1648 had Spanje immers ingestemd met de sluiting van de Schelde, waarvan de monding in de Noordelijke Nederlanden lag. Daardoor hadden de Hollanders het monopolie over de handelsvaart uit de Spaanse Nederlanden in handen. De vele reizen naar Oost-Indië staken de Vlamingen dan ook de ogen uit. Die schepen maakten hun eigenaars en aandeelhouders immers op slag rijk. Toen de Zuidelijke Nederlanden na de successieoorlog in 1713 met de Vrede van Utrecht in Oostenrijkse handen terechtkwamen, leek de tijd dan ook rijp voor een Vlaamse vaart op Indië. Maar dat was buiten de internationale compromispolitiek gerekend. De Verenigde Provinciën hadden immers de controle over ongeveer alle handelsactiviteiten in onze contreien. Alleen Oostende ontsnapte daaraan door het gelobby van de Engelsen en bleef de enige vrije Noordzeehaven van de Zuidelijke Nederlanden. Dat hadden die Engelsen goed gezien: in Oostende waren heel wat buitenlandse handelsmaatschappijen gevestigd, en er kwamen ontzettend veel schepen aan die onder Engelse vlag voeren. Reikhalzend keken de Oostenrijkse Nederlanden uit naar een stuk van de rijke handelstaart die de andere Europese mogendheden onder elkaar verdeelden. Maar het mocht dus niet: afspraken zijn afspraken. De Oostenrijkse keizer Karel VI vond echter dat die afspraken voor interpretatie vatbaar waren. Hij kon best een extra centje gebruiken. Dus zette hij het licht op groen voor een Oost-Indische compagnie, op voorwaarde dat die in het geheim zou opereren. Wat niet weet, niet deert. Het startkapitaal van 2,4 miljoen florijnen was snel samengeraapt. Daarmee werden in Londen twee schepen gekocht, zogezegd om voor Spaanse ondernemers naar Amerika te varen. In 1715 vertrokken kapitein Jacob Gerrebrantz naar de West-Indische kust en zijn collega Richard Guarragan naar de Indische havenstad Surate. Een jaar later keerden ze terug met tot de verbeelding sprekende waren en verhalen en, nog belangrijker, een vette winst. Met de opbrengst werden nog twee schepen gekocht en uitgerust. Die zetten koers naar het Chinese Kanton en naar de West-Indische kust. De volgende jaren zouden nog negen schepen uitvaren. En dat betekende concurrentie voor de Engelsen en de Hollanders, die dat niet bepaald konden appreciëren. De kaperoorlog die daar- op losbarstte, zou jarenlang duren. Een van de hoogtepunten uit die periode was de tocht die de Bretoense zeeman Gollet de la Merveille in 1718 met de 'Karel VI' naar Indië maakte. Van de soubab van Velour, Ali Khan, verkreeg hij het privilege om in naam van de keizer een factorij in Gabelon op te richten. Die eerste nederzetting van de Oostenrijkse Nederlanden kreeg de naam Sadatpatnam. Vlak daarvoor hadden de kapiteins Jacques Tobin en Jacobus De Winter van de Chinese keizer K'ang-Shi al een machtiging in handen gekregen om in de Chinese provincie Kanton een factorij te stichten. Dat succes joeg de andere zeevarende mogendheden op stang. Dat was de afspraak niet! De zee is van ons! En om hun ietwat simpele woorden kracht bij te zetten, praaiden ze elk Oostenrijks schip dat ze in handen konden krijgen. Dat overkwam onder meer Jacobus De Winter, kapitein van de 'Marquis de Prié II' in 1718. De Hollanders onderschepten zijn schip voor de Afrikaanse Goudkust en gooiden de gezagvoerder in de cel. Op weg naar zijn berechting wist De Winter op het nippertje te ontkomen. Zijn collega Jan Willemsen had echter minder geluk en stierf nadat hij dagenlang was mishandeld. Alles is toegestaan in liefde en oorlog, maar ook in zaken. En dus hielden vooral de Hollanders jarenlang allerlei Oostenrijkse transporten tegen en mishandelden ze inboorlingen die voor de factorijen van de Oostenrijkse Nederlanden werkten. Dat was voor de Oostenrijkers echter geen reden om hun mercantiele droom op te geven. De reizen naar het Oosten gingen onverminderd verder en de oprichting van een officiële handelscompagnie onder auspiciën van de Oostenrijkse keizer leek steeds onvermijdelijker. Markies de Prié, gevolmachtigd minister van de Oostenrijkse Nederlanden, gaf de advocaat Patrick Mac Neny de opdracht om statuten voor te bereiden. Daarvoor ging hij vooral bij vooraanstaande Antwerpse handelaars te rade. De gewiekste handelsgeest van de Metropool was immers befaamd. Moeilijker bleek de keuze van de zeven bestuursleden van de compagnie die door de keizer moesten worden benoemd. Markies de Prié wilde in de eerste plaats de Antwerpse koopman Jacques De Pret aanstellen. Die twijfelde echter omdat hij niet goed kon zien, 'hetgeen mij belet van te werken bij de kaars, wat voor een handelaar, bestuurder van zulke zaak onmisbaar is'. Maar de klank van rinkelende muntstukken opende zijn ogen en hij aanvaardde uiteindelijk de job. Verder viel de keuze op de Italiaanse Antwerpenaar Charles Proli en diens stadsgenoot Lodewijk-Frans De Coninck. Om de schijn op te houden dat het niet uitsluitend een Antwerpse onderneming was, werden er ook drie Gentenaars bij betrokken: Jacques Maelcamp, die veel ervaring had opgedaan door handel met Spanje, en de reders Paul de Kimpe en Jakob Baut. En dan restte er alleen nog de obligate Oostendenaar: schepen Thomas Ray, die al jaren probeerde om de Indiëvaart vanuit zijn stad op gang te krijgen. Inpakken en wegwezen dus. Of toch niet? Toen De Prié de eedaflegging van de bestuurders wilde afnemen, stuitte hij op een njet. De slimme heren wilden eerst de statuten inkijken voor ze in de hele onderneming stapten. De gevolmachtigde minister kon niet anders dan daarop in te gaan en ontving al snel een hele waslijst met opmerkingen. Zo vonden ze het bedrag dat ze zelf volgens het charter moesten ophoesten veel te hoog en waren ze het niet eens met de fiscale heffingen op de goederen. Het geduld van Karel VI was zo goed als op: hij wilde niet langer wachten om nog meer graantjes mee te pikken van het succesvolle handelsverkeer vanuit de Zuidelijke Nederlanden. Bovendien hadden de initiatiefnemers hem een gouden leeuw beloofd in ruil voor een octrooi. Wie zou dat kunnen weerstaan? Dus keurde de keizer de nieuwe statuten snel goed en kondigde hij op 19 december 1722 de oprichting aan van de Generale Keizerlijke en Koninklijke Indische Compagnie Gevestigd in de Oostenrijkse Nederlanden. De maatschappij kreeg dertig jaar lang het alleenrecht om handel te drijven met Oost- en West-Indië en met de Afrikaanse kust. Een half jaar later werd de Antwerpse beurs overspoeld met kopers die een van de zesduizend aandelen van de compagnie wilden bemachtigen. In twee dagen tijd was het startkapitaal van 6 miljoen florijnen dan ook binnen. De eerste en belangrijkste aandeelhouders kwamen vooral uit Brusselse hofkringen. Markies de Prié had natuurlijk niet veel keuze en tekende voor de grootste inschrijving: 150 aandelen. Spijt kreeg hij daar niet van. Na drie dagen waren de aandelen al 12 procent in waarde gestegen, terwijl die van de Hollandse Indische Compagnie kelderden. Meteen zetten de Hollanders het tegenoffensief in en sleurden de Engelsen in hun protestactie mee. Die domme Vlamingen zouden hen een beetje belachelijk maken? Nooit! Dat verontrustte Karel VI, want hij had geen zin in oorlog met het halve continent. Toch won de commerçant in de keizer het van de strateeg, en hij zette zijn plannen gewoon door. Dus restte er nog één vraag: wáár zou de compagnie opereren? Antwerpen was kandidaat, maar maakte weinig kans omdat de Schelde nog altijd gesloten was. Daardoor werd het een duel tussen Oostende en Brugge. Oostende had daarbij twee belangrijke pluspunten: een rechtstreekse zeehaven en een bevolking van zeebonken. Want ook in oorlogstijd ? in die periode haast de gewone gang van zaken ? had de kaapvaart er gebloeid. Dus was de keuze snel gemaakt en stond de maatschappij binnen de kortste keren bekend als de 'Oostendse Compagnie'. Alles moest snel gaan, want de schepen konden het best in januari uitvaren om de Indische moessonwinden in de zeilen te hebben. Hoewel zeelieden én investeerders uit heel Europa met interesse de voorbereidingen gadesloegen, was de compagnie toch op eigen volk aangewezen. Onder meer Frankrijk en Engeland hadden hun burgers verboden om 'hulp of medewerking te verlenen aan de Oostendse Compagnie'. De kapiteins werden geselecteerd, hun bemanningen samengesteld en het klooster van de paters Karmelieten in Brugge leverde de nodige aalmoezeniers. Na heel wat gebakkelei over wie met welke kapitein en op welk schip naar welke bestemming zou varen ? eergevoel en ambitie zijn van alle tijden ?, vertrokken de drie schepen in februari 1724. De 'Sint Carolus' zette koers naar Bengalen, 'De Arent' en de 'Heilige Elisabeth' naar Kanton. Het feestelijke kanongebulder was nog maar amper uitgestorven of de schepen werden net voorbij Duinkerke door de Fransen gepraaid en de kapiteins, Michiel Cayphas, Balthazar Roose en Nicholas Carpentier, werden gevangengezet. Het leverde met- een een vertraging van twee maanden op. Een slecht voorteken bleek het echter niet te zijn, want de kapiteins konden hun vaart aanvankelijk behouden voortzetten. De meereizende handelaars konden de muntstukken al ruiken die straks als vanzelf in hun handen zouden vallen. Daartoe waren de schepen volgeladen met ruilgoederen, vooral zilverstaven. Niet dat het een somptueuze cruise was, de bemanning en de kooplieden moesten de buikriem aanhalen. 'Een groot deel van het volk weet van zeeziekte, maar dat is dan weer drie dagen eten uitgespaard', schreef een van de opvarenden van de 'Sint Carolus' aan het thuisfront. De bemanning van dat schip was zelfs licht euforisch toen ze op 15 juli 1724 na vijf maanden in Gabelon, vlakbij de Oostenrijkse factorij, aanmeerden. Kapitein Michiel Cayphas en zijn mannen hadden alleen nog een tocht over de Oegli, een zijarm van de Ganges, voor de boeg. Toen ging het mis. De 'Sint Carolus' kwam in een orkaan terecht en verging. De weinige overlevenden wisten een Franse nederzetting te bereiken, waar ze ? ondanks het verbod om opvarenden van Oostenrijkse schepen te helpen ? werden opgevangen. De 'Heilige Elisabeth' en 'De Arent' hadden meer geluk. Om vijandige aanvallen te kunnen afweren, voeren ze de hele tocht broederlijk naast elkaar. Het zilver en lood dat ze naar China meenamen viel erg in de smaak in de Oostenrijkse factorij aan de Tchou-khiangrivier in Kanton. In augustus 1725 lokten ze honderden mensen naar de Oostendse kade om hun gigantische oogst te bewonderen. Kisten vol Chinees porselein, kratten thee, zakken met parels, beschilderde zijde... De Oostendenaars keken hun ogen uit terwijl de aandeelhouders van de compagnie breed grijnzend hun geld begonnen te tellen. Maar niet iedereen was even opgetogen: in het Engelse parlement werd met luide stem verkondigd dat 'de Oostendse compagnie de nationale handel met Oost-Indië dreigt te ruïneren'. De reizen naar Indië zouden nooit zoveel opbrengen als die naar China, maar de factorijen brachten er wel geld in het laatje. In 1719 had Gollet de la Merveille luitenant Louis Diaz de la Pena met een klein legertje in de factorij van Gabelon achtergelaten. En die had niet stilgezeten. De factorij van Sadatpatnam bestond uit 24 dorpen waar vooral katoen werd geteeld. De La Pena had zelfs nog Conniicade, een eilandje in de buurt, als toemaatje gekregen. De tweede grote Indische factorij was Banquibazar. Kort voor de oprichting van de compagnie had de keizer luitenant-generaal Jacques-André Cobbé eropuit gestuurd om in Bengalen nieuwe terreinen te zoeken. Cobbé had zijn zinnen gezet op een octrooi voor een factorij in Banquibazar. Hoewel de luitenant-generaal meer van oorlogvoeren dan van handeldrijven afwist, kende hij zijn wereld. In Bengalen ontmoette hij de machtige Jafar Khan. Hij wist heel goed hoe hij met hoge heren moest spreken: de taal van steekpenningen wordt overal begrepen. Jafar Khan liet zich alle complimenten en geschenken welgevallen, maar stond het gegeerde land toch niet zomaar af. De Engelsen en Hollanders hadden hem immers een mooie som geboden als hij zou weigeren. De oosterse machtshebber was ook niet van gisteren. Hij vond een Oostenrijkse factorij wel een goed tegenwicht voor de steeds machtiger wordende nederzettingen van de Engelsen en de Hollanders. Dus gaf hij uiteindelijk toe aan de smeekbede van Cobbé. Zo had de Oostendse Compagnie voet aan de grond gekregen op het Aziatische continent. De handelaar Vincent Parraber, een van de overlevenden van de gezonken Sint Carolus, mocht de toekomstige Indische kantoren gaan beheren. Daarvoor moest hij samenwerken met gouverneur Cobbé, die voor alle militaire aangelegenheden verantwoordelijk was. Cobbé zou uiteindelijk omkomen in een opstand van de inboorlingen tegen zijn hardhandige beleid. Een accident de parcours op de met goud en zijde bestrooide weg naar een stevige handelsreputatie. Hoewel de aandeelhouders zich zorgen maakten over de openlijke vijandigheid van de Engelsen en Hollanders, zagen ze tevreden hoe steeds meer schepen met kostbare waren in Oostende aanmeerden. Eind 1727 sloten de directeurs hun boeken af met de fabelachtige nettowinst van meer dan zeven miljoen florijnen. De Oostenrijkse Nederlanden werden steeds welvarender, en de Weense schatkist voer er wel bij. Niemand had dan ook kunnen vermoeden dat het uitgerekend de Oostenrijkse keizer Karel VI zou zijn die roet in het eten kwam gooien. Die had namelijk een probleem: hij had geen zoon en wilde koste wat het kost alle Oostenrijkse bezittingen aan zijn dochter Maria Theresia nalaten. Alleen had hij daarvoor de steun van de grote westerse mogendheden nodig. Spanje zag die erfopvolging wel zitten ? het Habsburgse bloed stroomde blijkbaar waar het niet gaan kon. Dat impliceerde meteen ook dat Spanje de Oostendse Compagnie erkende. Die keurig geregelde familieovereenkomst viel niet in de smaak van Frankrijk, Engeland en Pruisen. Tijd voor een anti-Habsburgse coalitie, dachten zij. Om de Hollanders aan boord te krijgen, hadden ze een onweerstaanbaar lokmiddel: de belofte om Karel VI ertoe te dwingen de Oostendse Compagnie op te doeken. In Wenen werd de keizer zenuwachtig. Het ging uiteindelijk om zijn eigen dochter en wat kon het verafgelegen Oostende hem uiteindelijk schelen. Oké, het zou hem wat florijnen kosten, maar de erfopvolging van Oostenrijk was hem veel meer waard. Dus schortte hij het octrooi van de compagnie voor zeven jaar op. Officieel dan toch, want in de praktijk ging de overzeese handel gewoon verder met de stilzwijgende toestemming van de vorst. Die halfslachtige toestand kon Karel VI echter niet volhouden toen ook Spanje naar de vijand overliep. Op 16 maart 1731 trok hij definitief een streep onder de Oostendse Compagnie. Alle verkeer vanuit Oostenrijks-Nederlandse havens naar de overzeese gebieden werd verboden. Meteen voer 'De Eendracht' uit om het personeel in de factorijen op te halen. Twee jaar later gleed het schip de haven binnen met een laatste lading. Hoewel. Ook geld kruipt waar het niet gaan kan en de keizer had een poortje opengelaten: de schepen vertrokken nog jarenlang uit andere havens en zo konden de ondernemers de factorijen in stand houden. Toch doofde de compagnie langzamerhand uit. De schepen bleven wel varen, maar niet langer onder recht- streekse bescherming van de keizer. Ze droegen een tijd de vlag van de Compagnie van Trieste en reisden daarna voor rekening van een Oostendse bankier. De Vlamingen borgen uiteindelijk hun grote dromen van rijke overzeese gebieden op. Voorlopig althans. Ann Peuteman Ondanks alle tegenkantingen van de Hollanders en de Engelsen, bleven de schepen van de Oostendse Compagnie exotische waren aanvoeren.