'Chéri Samba' en 'Afrika: zelfportret', tot 28 september in het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika (Tervuren), 'Strips uit Afrika', tot 28 september in het Belgisch Centrum van het Beeldverhaal en 'TRANSFERTS', tot 14 september in Bozar (Brussel)
...

'Chéri Samba' en 'Afrika: zelfportret', tot 28 september in het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika (Tervuren), 'Strips uit Afrika', tot 28 september in het Belgisch Centrum van het Beeldverhaal en 'TRANSFERTS', tot 14 september in Bozar (Brussel)We kunnen moeilijk met het vreemde om. Het Gilgamesjepos, maar liefst tweeduizend jaar voor Christus opgetekend, leerde ons dat al. Gilgamesj, de koning van Uruk, is zowat de eerste tegenstrever van het bos. Hij wil de 'demon van het bos verslaan', sticht een nieuwe stad als verweer tegen de oprukkende vegetatie. Maar de wanhoop overspoelt hem, want in een visioen ziet hij, tussen de stammen van de bomen die hij heeft laten omhakken, zijn eigen lichaam drijven. Ergens in het Gilgamesjepos lezen we: 'De mens, de breedste, kan de aarde niet bedekken.' Zoiets onmogelijks heeft de westerse mens altijd gewild: alles kunnen overheersen. Maar hij moet rekening houden met het andere, het vreemde en beseffen dat dit deel uitmaakt van zijn eigen identiteit. Dat maakt de wereld net interessant. De nieuwe aanpak in het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika, geïllustreerd door de boeiende tentoonstellingen Chéri Samba en Afrika: zelfportret, samen met het overzicht van Afrikaanse strips in het Belgisch centrum van het Beeldverhaal én de prestigieuze TRANFERTStentoonstelling in Bozar helpen een heel eind, omdat ze ons laten zien hoe de Afrikanen naar zichzelf, naar de wereld en dus ook naar ons kijken. En wij mogen dat zien. Een voorrecht, want onze blik is veel te lang vernauwd geworden door de oogkleppen van het koloniale verleden. Wie dat wil, kan daarvan nog de sporen zien in het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika in Tervuren. Lange tijd bleef dit museum, een initiatief van de megalomane Koning Leopold II, een uitstalraam dat moest aantonen waarom de blanke kolonialisten Congo zo nodig stevig in hun greep dienden te houden. De zwarte medemens werd dan ook, in verschillende gradaties, als een wilde getoond. Niet alleen sommige opvallende beelden in het prachtige gebouw, dat in 2010 zijn honderdste verjaardag zal vieren, getuigen hier nog van. De aandoenlijke manier waarop men het onbekende continent aanschouwelijk wou voorstellen, zegt ook heel wat. Zo is er in een van de zoölogiezalen, die door de vroegere studiebezoeken met de school wellicht in het collectieve Vlaamse geheugen gegrift zijn, een opgezette leeuw te zien die opvallend veel begroeiing rond zich heeft. Dat komt doordat men ooit een te kleine vitrinekast liet maken voor de aangeboden jachttrofee. Het achterste deel van de leeuw werd in arren moede dan maar mooi opgerold. En het lukte niet meer om hem uit die halve rolmopsgedaante te halen toen hij naar een grote vitrinekast mocht verhuizen. Daarom kijkt het dier ons wat triest tussen zoveel camouflerende begroeiing aan. Dankzij de verfrissende visie van Guido Gryseels, sinds 2001 directeur van het museum, is een nieuwe dynamiek voelbaar: er werd letterlijk en figuurlijk gezorgd voor meer licht, want het donkere koloniale verleden moet niet langer aan het zicht onttrokken worden. Tegen 2010 zal het museum volledig heringericht zijn. Het zal een volwaardig studie- en ontmoetingscentrum in verband met Midden-Afrika worden. Dat de permanente tentoonstelling er zal uitzien als een virtuele reis langs de Congorivier, spreekt tot de verbeelding. Het zal de wetenschappers, die achter de schermen van het museum echt een internationale voortrekkersrol spelen, in staat stellen om de resultaten van hun onderzoek op een aantrekkelijke manier met de onuitputtelijke rijkdom van de museumcollectie te confronteren. De dialoog met Afrika wordt nu al aangezwengeld door de twee tijdelijke tentoonstellingen. Chéri SambaverwarmtTervuren legt het museum én bij uitbreiding de hele maatschappij het vuur aan de schenen. In de vijftien recente werken die hij in Tervuren toont, zie je een ' peintre de vérité'aan de slag, iemand die het alledaagse leven als uitgangspunt neemt. Je kunt er vaak bestaande figuren in herkennen. Interessant is de manier waarop Samba het alledaagse verwerkt: zoals in een stripverhaal gebruikt hij tekstballonnen om ironisch en maatschappijkritisch commentaar te leveren. Neem het schilderij Reorganisatie dat hij in opdracht van het museum heeft gemaakt. Het verwijst naar de renovatieplannen. Op het doek zien we hoe twee groepjes mensen elk aan de andere kant van een matras trekken, met daarop 'de luipaardman', een gipsen beeldengroep die al sinds mensenheugenis tentoongesteld is in een van de museumzalen. De anioto of luipaardmannen behoorden in de jaren dertig van vorige eeuw tot de Bali in het noordoosten van Congo. Sommige jongemannen werden door de religieuze leiders uitgekozen om, verkleed als luipaard, mensen van een vijandige groep met een mes of met ijzeren klauwen te intimideren of te vermoorden. Dit soort ritueel kwam maar zeer zelden voor. En toch diende het als voorbeeld om het kolonialisme te rechtvaardigen. Op het doek toont Samba de tweestrijd: onder het waakzame oog van de directeur sleurt een groepje Afrikanen de luipaardman naar buiten, terwijl enkele behoudsgezinde blanken nog weerstand bieden. Een mooie metafoor voor de tweestrijd die het museum van Tervuren de komende jaren ongetwijfeld te wachten staat. Via meer dan 250 foto's biedt de tentoonstelling Afrika: zelfportret een indringend beeld van de Afrikaanse fotografie, die zich vanaf het begin van vorige eeuw sterk heeft ontwikkeld. Merkwaardig genoeg bleef ze lange tijd binnenskamers, omdat ze groeide uit de portretfotografie. Vooral in de handelswijken in Senegal en Kaapstad was de Europese mode van de fotoalbums populair. De rijke kleurlingen werden afgebeeld, maar niet op een afstandelijke manier. De portretten moesten flatterend zijn. En toch hebben ze een aanstekelijk, speels karakter, dat echte mensen achter de rijkelui die afgebeeld worden, laat vermoeden. Een foto van Mama Casset (Dakar) uit 1955 van een dame die het prachtige motief op haar jurk laat zien, is daar een goed voorbeeld van. Ze heeft een hand op de heup en een andere op de knie. Het is bevroren sierlijkheid, die elk ogenblik kan ontdooien. Na de onafhankelijkheid van veel Afrikaanse landen openen heel wat fotografen de deur van hun studio en trekken de straat op om een maatschappij in beeld te brengen die eindelijk vrij kan ademen. Eén blik op de foto van John Maluka, die twee vrouwen toont die het wereldrecord een-gat-in-de-lucht-springen-van-vreugde verbeteren op de Onafhankelijkheidsdag in Zimbabwe (1980), en je kan er weer even tegen. Naast de reportagefotografie is er sinds een tijd ook de geëngageerde fotografie. Dorris Haron Kasco (Ivoorkust) maakte in 1993 een beklemmende reeks opnames van De gekken van Abidjan: psychiatrische patiënten die, door iedereen verbannen, op bruggen en straathoeken door iedereen te kijk worden gezet. Tegelijk met deze poging om met fotografie de harde realiteit aan te klagen, zien we de laatste jaren ook een beperkt aantal fotografen die het esthetische laten primeren. Zo toont Zwelethu Mthethwa in zijn reeks Images of dignity de bewoners van de sloppenwijken van Kaapstad, die veel gerecycleerd materiaal gebruiken voor hun schamele woonsten, in al hun glorieuze kleuren. De tentoonstelling Strips uit Afrika toont aan dat ook de strip een uitstekend middel is om een minder stereotiep beeld van Afrika te verspreiden, omdat strips maar zelden gecensureerd worden. Je staat versteld van de originele manier waarop de Afrikaanse tekenaars de Europese stijl naar hun hand hebben gezet. T.T. Fons uit Senegal laat ons de superheld Goorgoorlu zien, die duidelijk op een westerse leest geschoeid is, maar die deze context ook ironiseert. Veel strips ademen de vrije meningsuiting in Afrika of klagen net de schending van de mensenrechten aan. Niet verwonderlijk natuurlijk dat heel wat tekenaars een voorkeur voor de karikatuur hebben. Als tegenwicht vind je in de tentoonstelling strips die het traditionele dorpsleven of de geloofsopvattingen met veel verve in beeld brengen. De titel van de tentoonstelling TRANSFERTS die deze zomer Bozar, het Paleis voor Schone Kunsten zaliger gedachtenis, inpalmt, wil wijzen op de complexe werkelijkheid, de menselijke en artistieke ambivalentie van Afrika. Maar het zou ook een omschrijving kunnen zijn van de originele verwerking van Amerikaanse en Europese invloeden die je opmerkt als je door de tentoonstelling wandelt. Je ziet hoe sommige Afrikaanse kunstenaars rechtstreeks inhaken op de werkelijkheid, terwijl anderen veeleer afstand nemen en begrippen als het ik, de ander en de werkelijkheid ter discussie stellen. Jammer alleen dat de grote ruimtes van het Hortagebouw werden vertimmerd tot kamertjes, die je als toeschouwer telkens weer verplichten om je op de afzonderlijke kunstwerken te focussen. De wereld van verschil, die de hedendaagse Afrikaanse kunst toch duidelijk is, kun je niet verkennen, omdat de nodige ademruimte voor de werken en de gelegenheid tot visuele confrontatie bijna volledig uitblijft. Heel relevant werk van bijvoorbeeld Pascale Marthine Tayou, die de daken van Bozar 'bezet' heeft door er 54 vlaggen op te hijsen - ze wapperen ook binnen de tentoonstelling in kleinere vorm - thematiseert nochtans de ontmoeting, omdat het werk verwijst naar de oprichting van de Afrikaanse Unie in 2002: die continentale hereniging is onder druk van de globalisering een pure noodzaak, wil men bij de mondiale kapitaaltransacties niet helemaal in de kou komen te staan. Helpen zullen deze zomertentoonstellingen daar niet tegen, maar ze richten wel onze blik op de vele, boeiende gezichten van Afrika. Paul Demets