Sinds de speurders in de zaak-Dutroux opnieuw graven, zweven de ouders van de verdwenen kinderen tussen hoop en wanhoop. Zo ook de familie Benaïssa. Een portret van een opvallend waardig gezin.
...

Sinds de speurders in de zaak-Dutroux opnieuw graven, zweven de ouders van de verdwenen kinderen tussen hoop en wanhoop. Zo ook de familie Benaïssa. Een portret van een opvallend waardig gezin.Tot woensdag 5 augustus 1992 is de Marokkaanse familie Benaïssa een migrantengezin zoals duizend andere. Pa Lahssen, nu 40, werkt bij de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen en poetst er onveranderlijk in nachtdienst treinstellen. Ma Habiba, 38, zorgt voor de opvoeding van vijf zonen en drie dochters. Niets, maar dan ook niets onderscheidt hen van andere Maghreb-gezinnen. Ze wonen in een netjes opgekalfaterd rijhuis in de Graystraat in Elsene, vlak bij de spoorbrug. Ze gaan elk jaar met vakantie naar Marokko. Ze zijn religieus, maar niet fanatiek. En ze trekken veel op met de broer van de moeder of de zus van de vader, die ook in Brussel zijn neergestreken. Die vijfde augustus doen twee zussen, Loubna en Nabela, dan 9 en 14, inkopen in de buurtwinkel. Ze vergeten de yoghurt. Loubna keert op haar eentje terug. Het is middag. Als ze na drie kwartier nog niet thuis is, loopt een verontruste Nabela naar de superette. Haar zus ? Niet meer gezien. Ze rent terug naar huis, wekt haar vader en het onwezenlijk drama van de Benaïssa's is begonnen. Loubna zal niet meer terug naar huis komen. BURGER BOVEN ALLE VERDENKINGLahssen trekt met Nabela naar de politie van Elsene. Ze moeten er bijna een uur wachten, mogen dan aangifte doen van de verdwijning. De agenten met dienst bellen zonder resultaat enkele Brusselse ziekenhuizen en melden dat tegen de avond aan de familie, die stilaan in absolute paniek verkeert. Weggelopen misschien, op bezoek bij vriendjes, gewoon wat gaan spelen, suggereert de politie. De Benaïssa's weten dat de schuchtere Loubna dat nooit zou doen zonder toestemming, zonder iemand iets te zeggen. De agenten laten dan 48 uur alles op zijn beloop. Twee dagen dat een vertwijfelde Lahssen Brussel afdweilt en in stations, in parken en op pleinen, bij verre kennissen en vage vrienden op zoek gaat naar zijn dochtertje. Dan is het weekend. Ook voor de politie. Dus gebeurt er niets. Maandag staat pa Benaïssa samen met Nabela tegen het advies van de politieagenten in bij de rijkswacht. Een verdwijning ? Geen woord van gehoord. ?Die van Elsene zijn het misschien vergeten door te geven.? Pa en dochter doen, over hun woorden struikelend, opnieuw hun verhaal. ?De volgende dagen waren onmenselijk,? herinnert Lahssen zich nu. ?We werden heen en weer geslingerd tussen een zeer grote hoop en die diepste wanhoop en vertwijfeling.? Hij vertelt nuchter over die eerste dagen en weken, af en toe zelfs met een glimlach, zijn relaas vormt in geen enkel opzicht een jeremiade. Het is de periode van sporen, die op het eerste gezicht warm lijken. Van een mevrouw, die aanbelt bij de familie met naar eigen zeggen ?belangrijke informatie?, maar door de politie afgedaan wordt als een ?gekkin?. Van een klasgenootje van Loubna dat een verdachte wagen met de jonge Marokkaanse zag, maar waarvan de nummerplaat naar een burger boven alle verdenking leidt. Het zijn ook de dagen van de arrestatie van ene Jacques G., die tot verbijstering van de familie binnen de kortste keren weer op straat rondloopt. WE ZIJN NIET ALLEENDe Benaïssa's weten dan niet dat G. van een zekere bescherming geniet. Onder meer als ex-informant van het Bestuur voor Criminele Informatie dat in een kwalijke geur van schandalen en malversaties onderging. Of als hulpje van minstens twee leden van de Gerechtelijke Politie van Brussel. Ze hebben dan nog niet gehoord van een oorlog tussen rijkswacht en politie. Ze weten eigenlijk niks, niet over de verdwijning, nog minder over het onderzoek dat gevoerd wordt. Terwijl Lahssen overal in het Brusselse rondrijdt en affiches gaat plakken van zijn verdwenen dochter de VZW Marc et Corinne of gelijkaardige initiatieven bestaan nog niet sluiten de onderzoekers stilletjes het dossier. Anderhalve maand na de verdwijning zitten ze alleen met dode sporen en niet nader onderzochte pistes. Eind 1992 contacteren de Brusselse speurders voor het eerst en het laatst de wanhopige ouders. Zegt Nabela : ?Dat was een vreemde ontmoeting. We hadden verwacht dat zij ons één en ander gingen vertellen over Loubna, maar neen, zij vroegen ons of wij soms nieuws hadden.? Na die ene bijeenkomst wordt het heel stil. Pa Benaïssa zet zijn opzoekingen op zijn eentje en onverminderd voort. Het gezin zweeft tussen hemel en hel. Aan tafel valt dikwijls een stilzwijgen als Loubna ter sprake komt. De vakanties naar Marokko worden overgeslagen of uitgesteld. Af en toe informeert nog een brave ziel uit de buurt naar de verdwenen dochter. De stilte, de slepende onzekerheid, duurt letterlijk jaren. Zomer 1996 gaan de Benaïssa's voor het eerst nog eens naar Marokko, naar hun grootouders. Terug in Brussel, in augustus, ?ontploft? de zaak rond Marc Dutroux. Met méér dan gewone belangstelling volgt het gezin het drama op de televisie. En stilaan, bij de film die de media van de gebeurtenissen brengen, krijgen de Benaïssa's een déjà vu-gevoel. Ouders die klagen over hun gebrekkige opvang, onverschilligheid van de onderzoekers, inertie,... Maar tegelijk bekruipt hen een vreselijk vermoeden. Ze horen nu voor het eerst over flaterende speurders, over het achterhouden van informatie, over elkaar tegenwerkende politiediensten,... Speelde dat scenario zich ook achter hun rug af ? ?Tot dan dachten wij dat alles normaal verliep,? zegt de vader. ?Wij hadden nooit met de politie te maken gehad, wisten niet hoe zo'n onderzoek in elkaar zat, meenden dat de traagheid, het uitblijven van nieuws, de slechte contacten, ja,... normaal waren. Wij leefden al die jaren in de overtuiging : al de politiemensen doen hun best, ze zoeken nog altijd naar onze dochter. Terwijl er in werkelijkheid niets gebeurde. Dat was een verschrikkelijke ontgoocheling.? De enige positieve noot in deze verbijstering : ze beseffen voor het eerst dat ze geen unicum vormen. En langzaam groeien ze naar de andere families toe. De dag dat Julie Lejeune en Mélissa Russo begraven worden, ontspint zich ten huize Benaïssa een discussie. Horen wij daar niet ? Is onze plaats niet langs en tussen de getroffen families ? Waarom blijven we stilletjes achter de televisie treuren ? Bij de volgende episode van het gruwelijke drama, de begrafenissen in Hasselt van An Marchal en Eefje Lambrecks, staan ze prominent en solidair op de eerste rij : Habiba, Lahssen en Nabela. Hun dossier is dan opnieuw geopend. Of liever : voor het eerst, vier jaar na de feiten, gaan speurders serieus op zoek naar de verdwenen Loubna. EEN BEETJE BESCHAAMDSinds de ouders toetraden tot het allesbehalve benijdenswaardig gezelschap van de getroffen ouders en de zaak-Loubna aan de andere verdwijningen werd gekoppeld, veranderde er veel voor de Benaïssa's. Er kwam een fax in huis, afspraken met kranten, onderzoekers, de andere families moesten voortaan in een agenda bijgehouden worden. Wat er niet veranderde : het gezin bleef onder die late maar overweldigende belangstelling even kalm, even waardig, even bescheiden en even vriendelijk. Lahssen sleept nog altijd voor elke nieuwe bezoeker tee bij, de kinderen doen dan stilletjes in de kleine keuken hun schoenen uit en trekken zich terug in het salon tegen de straatkant. Nabela antwoordt routineus op vragen, licht vrienden en kennissen telefonisch voor. Ze bracht tussen al die heisa door ook nog haar retorica-examens tot een behoorlijk einde. Twee keer stond ze de afgelopen maanden in het middelpunt van de belangstelling. Van meest recente datum is de toekenning van de jaarlijkse Mensenrechtenprijs. ?Helemaal onverwacht, maar ik was zeer vereerd, want die vereniging is toch niet niks.? En na de bekendmaking van het fameuze spaghetti-arrest, dat onderzoeksrechter Jean-Marc Connerotte van de affaire-Dutroux haalde, sprak ze als een volleerd volksmenner met een megafoon woedende betogers toe op de trappen van het Brussels justitiepaleis. Nabela Benaïssa kalmeerde hen, maar beschouwt dat niet onmiddellijk als daad beladen met heroïsche symboliek of getuigend van een voorbeeldige integratie. ?Wij kwamen gewoon als eersten buiten na het voorlezen van het vonnis en de mensen leken echt heel kwaad. Om hen toe te spreken, och, je denkt daar niet over na, je doet het gewoon, spontaan. Ook later heb ik er niet wakker van gelegen. Dat zijn dingen die impulsief gebeuren.? Maar later blijkt haar vader toch heimelijk trots op zijn dochter. ?Ze deed het, niet omdat ze dat zo gepland had, maar omdat ze weet dat geweld helemaal niets oplost.? Lahssen en Nabela Benaïssa, een eigenaardig duo. Voor de buitenwereld speelt hij vaak de tweederangsrol, teruggetrokken, nors, enigszins bevreesd in de camera's starend. Thuis, in de beslotenheid van zijn gezin, ontdooit hij grotendeels. Hij vertelt dan hoe hij voor het eerst in 1975 in België met vakantie kwam bij zijn schoonbroer, zijn job in de bouw in Marokko opgaf en zich hier vestigde met zijn vrouw. En nooit, zelfs niet in de zwarste dagen, betreurde hij die beslissing één moment. ?Als je twintig jaar hier woont, ga je niet meer denken in termen van hier of ginder. Thuis, dat is België. Je zegt dan niet : Wanneer we hier niet waren komen wonen, was het niet gebeurd. Als het moet, gebeurt een ramp toch, of je in België woont, in China of op de noordpool.? Als bij interviews dochter Nabela in de buurt is, zwijgt Lahssen meestal, laat haar het woord doen, vult af en toe aan, laat een zeldzame keer iets vertalen wat hij meent niet volledig te begrijpen, maar knikt meestal goedkeurend, want zij ?spreekt zoveel beter Frans?. Hij verontschuldigt zich uitgebreid voor zijn grotendeels ingebeelde slechte kennis van die taal. ?Soms ben ik een beetje beschaamd. Na twintig jaar niet beter Frans spreken, dat is niet normaal. Maar ja, ik ben nooit naar school geweest.? HOOFDDOEK IS VRIJE KEUZEVader en dochter blijken niet zelden op dezelfde lijn te zitten. Allebei vonden ze in hun godsdienst steun. Geen van beiden ging zich die verschrikkelijke jaren vragen stellen over de bedoeling die de Allerhoogste met de mens kan hebben. Overigens : Nabela's hoofddoek heeft niets te maken met die godsdienst, noch met wensen of eisen van haar vader, zij koos er zelf voor ?als uiting van een totaal vrije keuze.? Allebei staan ze ook nog elke dag verwonderd over de golf sympathie de ze over zich heen krijgen. Totaal vreemde mensen, uit de Maghreb of autochtone Belgen, Vlamingen, Brusselaars, Walen, die bellen, een kaartje sturen. De andere families waar ze elke dag contact mee hebben en waarmee ze zich solidair voelen omdat ?we allemaal met hetzelfde probleem zitten en dat neemt alle barrières weg.? Sympathie ook vanwege de speurders uit Neufchâteau die ?heel serieus werken? en waarover ze geen slecht woord willen horen. De twee Benaïssa's weigeren om maar één seconde in de rol te kruipen van de arme, verongelijkte allochtoon. ?Wij hebben nooit problemen gehad met racisme. Ons dossier is niet anders behandeld dan de andere verdwijningen. Kijk wat er gebeurde met de andere families. Zijn die ouders in het begin beter opgevangen ? Nee, dus.? Ook de vergetelheid op de Witte Mars de naam van Loubna stond helaas niet op het bord met de verdwenen kinderen zien ze niet als een gewilde discriminatie. Gewoon een schoonheidsfout, niets meer, terwijl ?Loubna toch in de harten van 300.000 mensen was, wat veel belangrijker is dan zo'n kleine nalatigheid.? Geen wrok, geen haat bij vader of dochter, ondanks de niet te verschonen lamlendigheid waarmee de politiediensten op de verdwijning reageerden. Hoewel het soms knaagt, geeft Lahssen aarzelend toe, ?als we zien hoeveel tijd er verloren is gegaan.? En soms, héél soms, komt Nabela ietwat cynisch, provocerend maar tegelijk verstandig uit de hoek. Met haar repliek bijvoorbeeld op de vraag naar de relatie met de speurders in Neufchâteau. ?Die zijn uitstekend. Iemand vroeg ons : Zijn ze beter dan vroeger ? Dat is moeilijk, want dat veronderstelt dat er de eerste jaren na de verdwijning van Loubna relaties met de onderzoekers zijn geweest. Dat was helaas niet het geval.? En gevraagd naar haar appreciatie van de stoet van onderzoekers die aan de zogenaamde commissie-Dutroux voorbijtrok, zegt ze : ?Al die commissarissen blijken nu in elk geval ons dossier te kennen. Vreselijk moeilijk lijkt me dat niet, omdat het zo verschrikkelijk dun is.? EEN SPRANKELTJE HOOPDe 18-jarige studente, die ooit geschiedenis wil doceren in een multiculturele school, kan net als haar vader verwonderlijk nuchter de hele proces analyseren. Ja, ondanks de drukte en de druk, is het drama nu draaglijker omdat ze niet meer alleen staan. Nee, ze willen geen revolutie, geen systeem onverwerpen, alleen veranderingen die catastrofes als de hunne kunnen uitsluiten. En neen, ze zitten niet te wachten op namen van hooggeplaatsten. ?Dat is nauwelijks van belang. Als er zo'n mensen bij de verdwijningen betrokken waren, zullen de onderzoekers hen vinden, wij hebben daar het volste vertrouwen in. Voor ons telt één zaak : de verantwoordelijken vinden die al die fouten hebben gemaakt of het nu hoog- of laaggeplaatsten zijn. Niet om een zondebok te hebben, wel om dit nooit meer te laten gebeuren.? Voor een spelletje namen noemen, paste de familie Benaïssa overigens al heel vroeg, ook al was het lang bon ton om in de media te schermen met kennis over betrokkenheid van dergelijke hooggeplaatsten. Zelfs over de Brusselse onderzoekers die de speurtocht naar hun dochter en zus hopeloos en wellicht moedwillig verknalden, wilden ze zich alleen uitspreken achter de gesloten deuren van de commissie-Dutroux. ?Wij vroegen om niet te moeten getuigen in het openbaar. Als je daar een naam noemt, staat die 's anderendaags in de krant en die mensen zijn dan meteen daders. Wij willen hen niet onterecht in diskrediet brengen, want we kunnen ons vergissen. Wat we vragen is : onderzoek wie waarom zijn werk niet deed.? Mogelijk nog opmerkelijker is de deken van schroom die de Benaïssa's spreiden over de nieuwe aanhouding van Jacques G., vlak na Loubna's verdwijning dus al eens opgepakt en na het doorprikken van zijn alibi, in december vorig jaar, opnieuw verdacht van haar ontvoering. Zegt Nabela afgemeten : ?Het is zeer vreemd dat iemand wordt opgepakt, héél snel vrijkomt, vier jaar gerust gelaten en opnieuw gearresteerd wordt. Meer zeg ik daar niet over. Wij moeten de onderzoekers hun werk laten doen, niet hen opjagen.? Vader en dochter kijken verder verbazend genoeg vrij optimistisch de toekomst in. Veranderingen komen er, want niemand, geen regering ?kan tegen minstens 300.000 mensen op.? Maar ook in hun dossier zien ze nog altijd een sprankeltje hoop. Zegt Lahssen zonder enig spoor van vertwijfeling : ?Wij geloven nog dat Loubna kan leven. Dat geloof houdt ons voor een stuk recht.? Maar wat als de wrede werkelijkheid dat geloof ooit als naïviteit achterhaalt ? Nabela glimlacht. ?Wij leven van dag tot dag, dat hebben we nu geleerd. Als het ooit zover is, zien we wel.? Waarop haar vader even onverstoorbaar : ?Wat wilt u ? Wij leven voort, we moeten voortleven. Dit is onze keuze niet, van alles wat ons overkomen is, hebben wij natuurlijk niets gevraagd. Maar we mogen toch niet zeggen : We kunnen niet meer, we geven het op ?? Een onopvallend maar merkwaardig gezin, die Benaïssa's. Waardig in hun geloof, hun hoop, maar ook in hun woede. Als ze die al mogen koesteren. Jos Grobben Nabela Benaïssa trad spontaan op als een volleerd volksmenner : We moeten voortleven. Opgravingen in Jumet. We mogen toch niet zeggen : we kunnen niet meer, we geven het op ? Nabela en Lahssen Benaïssa : Als het moet, gebeurt een ramp toch, of je nu in België, in China of op de noordpool woont.