De professionalisering van het Vlaamse letterenbeleid wordt stilaan maar zeker een feit. Naar Nederlands voorbeeld zou nog vóór de verkiezingen van juni een Vlaams Fonds voor de Letteren moeten worden geïnstalleerd. Het vrijwilligerswerk van de huidige subsidieverstrekkers zou eindelijk in een voldoende betaald en bestaft kader kunnen gebeuren. Hendrik van Gorp, nu voorzitter van de letterencommissie, heeft er een goed oog in, ook al beseft hij dat de letterensubsidies de Vlaamse literatuur niet op de wereldkaart zullen plaatsen. Als hoogleraar literatuurwetenschap is hij sinds de jaren zestig wel begaan met die wereldliteratuur en dan meer bepaald met de geschiedenis van de roman.
...

De professionalisering van het Vlaamse letterenbeleid wordt stilaan maar zeker een feit. Naar Nederlands voorbeeld zou nog vóór de verkiezingen van juni een Vlaams Fonds voor de Letteren moeten worden geïnstalleerd. Het vrijwilligerswerk van de huidige subsidieverstrekkers zou eindelijk in een voldoende betaald en bestaft kader kunnen gebeuren. Hendrik van Gorp, nu voorzitter van de letterencommissie, heeft er een goed oog in, ook al beseft hij dat de letterensubsidies de Vlaamse literatuur niet op de wereldkaart zullen plaatsen. Als hoogleraar literatuurwetenschap is hij sinds de jaren zestig wel begaan met die wereldliteratuur en dan meer bepaald met de geschiedenis van de roman. In volle mei '68-revolte promoveerde de jonge Van Gorp (64) op een studie over vertelperspectieven in de Duitse roman. Geleidelijk aan geraakte hij geïnteresseerd in de romangeschiedenis en voornamelijk in de ietwat vergeten genres van de schelmen- en griezelroman. In 1980 pakte hij, samen met andere collega's, uit met wat zijn levenswerk zou worden, "Het lexicon van literaire termen". Oorspronkelijk was het bedoeld als een antwoordbaken voor vragen van leraren in verband met belangrijke begrippen uit de redenaarskunst en de stilistiek. Maar al vlug verplaatste de focus van het lexicon zich naar studenten en docenten hoger onderwijs en naar een publiek dat in de brede zin van het woord literair is geïnteresseerd. Van een retorisch begrippenboek is het lexicon nu geëvolueerd tot een literair-cultureel basiswoordenboek. Van hendiadys tot heimatroman, van hypertekst tot cyberliteratuur: zowel stijlfiguren als genres, stromingen en nieuwe media komen aan bod. Daarnaast publiceerde Van Gorp onlangs een studie over de griezelroman of gothic novel in de achttiende eeuw. "De romantische griezelroman" legt op een onderhoudende manier uit waar figuren als Frankenstein en Dracula vandaan komen. Ondertussen is Van Gorp echter vooral begaan met het stimuleren van de Vlaamse literatuur via zijn werk in de letterencommissie en zijn prominente aanwezigheid in vakjury's. Toen Hugo Claus onlangs voor "De geruchten" de Europese Aristeion-prijs in de wacht sleepte, werd in de Nederlandse pers geïnsinueerd dat Claus zijn prijs te danken had aan het lobbywerk van Van Gorp. Hendrik van Gorp: In 1997 jureerde ik bij de Europese prijs voor de beste vertaling. Het viel me toen al op dat vertalingen van Claus' oeuvre nauwelijks voorhanden waren. Hoe wil je dan de Zuid-Europese of Scandinavische landen overtuigen van de verdiensten van een Nederlandstalige auteur? Toen de Vlaamse Gemeenschap in 1998 de kandidatuur van Claus voordroeg voor de Aristeion-prijs voor het beste creatieve werk, besefte ik dat hij het zonder vertalingen niet zou halen. Ik had de Zweedse en Franse vertalingen van Claus laten rondsturen, zodat zowel de Scandinavische als de Zuid-Europese jury's een goed zicht hadden op de kwaliteiten van Claus. Daar kwam nog bij dat de finale beraadslaging in Stockholm plaatsvond en dat de Zweedse vertaling van Claus gemaakt werd door Per Holmer, een van de belangrijkste Zweedse auteurs van het moment. Op die manier heb ik tijdens de jurering Claus kunnen presenteren als een auteur op het kruispunt tussen de Germaans-Scandinavische cultuur en de Latijnse, Zuid-Europese. Uiteindelijk ging het tussen José Saramago, de latere Nobelprijswinnaar, en Claus. Claus heeft het gehaald omdat zijn literair-esthetische kwaliteiten hoger werden aangeslagen. Claus merkte achteraf op dat de Aristeion-prijs in zekere zin een vergiftigd geschenk was geweest. Door deze Europese uitverkiezing was hij de Nobelprijs mogelijkerwijs mislopen. Zelf heb ik het gevoel dat Saramago met zijn brede, filosofische visie beter past bij de sensibiliteit van de Nobelprijsjury terwijl Claus het, zoals gezegd, meer van zijn artistieke taalbewerking moet hebben. Als voorzitter van de Vlaamse letterencommissie bent u begaan met de subsidiëring van auteurs. Het beleid poogt op die manier, aldus het decreet, "de markt te corrigeren".Van Gorp: Het is nu zo dat naast proza vooral de meer moeilijke genres worden betoelaagd. Essayisten en dichters hebben het vaak niet breed. Subsidies kunnen hen de nodige ademruimte geven om een project uit te werken. Voor de rest kun je de markt nauwelijks of niet corrigeren. De subsidies willen de beoefenaars van de minder marktgevoelige genres een hart onder de riem steken. We proberen hen te ondersteunen indien hun werk kwaliteit biedt. Wanneer die essays en gedichten uit de boot vallen, zou dat onze cultuur verarmen. Subsidies werken het pluralisme in de culturele sector dus in de hand. Als het de overheid menens is met de ondersteuning van letteren en cultuur, dan zou er toch beter één ministerie worden gecreëerd waarin cultuur én media zijn gegroepeerd? Het is allicht geen toeval dat de openbare omroep, die onder economie en media ressorteert, het niet meer zo nauw neemt met cultuur en literatuur op de buis.Van Gorp: Bij de media staan er natuurlijk enorme economische belangen op het spel. De agenda van de media wordt trouwens maar gedeeltelijk bepaald door cultuur. Entertainment en informatieverspreiding zijn minstens even belangrijk. Tijdens de eerste vergadering van de Raad voor Cultuur is al gediscussieerd over de wenselijkheid van een ministerie dat zowel cultuur als media overkoepelt. Nu wordt cultuur over verschillende ministeries of departementen versnipperd en dat werkt de efficiëntie niet altijd in de hand. De herstructurering van het letteren- en kunstenbeleid met een Raad voor Cultuur en een Raad voor de Kunsten maakt het nu wel mogelijk om bij de overheid te pleiten voor een cultuurbeleid dat gekoppeld wordt aan een mediabeleid. In de begroting '98 kregen muziek en theater elk bijna anderhalf miljard frank, terwijl de letteren het met iets meer dan honderd miljoen moesten stellen. Is literatuur vijftien keer minder belangrijk dan muziek en toneel?Van Gorp: Vanaf 1995 zijn de subsidies voor literatuur substantieel verhoogd: van een kleine tachtig miljoen tot, alles inbegrepen, ongeveer honderd zestig miljoen in 1999. Die budgettaire inspanningen hebben vooral te maken met de speerpunten van het beleid van Cultuurminister Luc Martens (CVP), die werk wou maken van leesbevordering en het Vlaams Fonds voor de Letteren. Als je het bedrag voor literatuur vergelijkt met dat voor muziek en podiumkunsten, moet je wel incalculeren dat muziek en theater heel wat personeelskosten vergen. Symfonische orkesten en theatergezelschappen hebben veel geld nodig, alleen maar om de infrastructuur draaiende te houden. Bij literatuur gaat het haast uitsluitend om het ondersteunen van individuele auteurs waardoor personeelskosten sowieso wegvallen. De cijfers alleen en de budgetten zeggen dus weinig over de verschillende culturele sectoren.Literaire subsidies worden verstrekt in functie van de kwaliteit van het al gepresteerde en het nog te verwachten werk. Hoe wordt die kwaliteit bepaald?Van Gorp: Een intersubjectief kwaliteitsoordeel is het enige objectieve criterium dat kan worden hard gemaakt. In de beoordelingscommissie voor de subsidies zit niet iedereen op dezelfde lijn en blijft het een zaak van wikken en wegen om via consensus een bepaald oordeel te vellen. In de culturele sector is een dergelijk intersubjectief kwaliteitsoordeel de enig mogelijke gang van zaken. U bent uw leven lang bezig geweest met het bestuderen van romanliteratuur. Wat is de kracht van een goede roman?Van Gorp: Romans kunnen als geen ander literair genre een wereldbeeld articuleren. De roman doet je de werkelijkheid van alledag herkennen maar ook doorzien en geeft in die zin te denken. Een romanlezer leert de werkelijkheid anders zien omdat gelijkaardige, reële elementen in een andere configuratie worden herschikt. Romans fungeren vaak als vreemd-bekende gezichten. De lezer herkent zichzelf en zijn eigen werkelijkheid in de romanpersonages en het verhaal, en toch weer niet. Door het lezen van romans wordt onze narratieve verbeelding als het ware verlevendigd, waardoor wij andere gezichtspunten tot de onze kunnen maken. Dankzij de roman kan de lezer dus de eigen visie op de werkelijkheid beter aanscherpen. Ik heb altijd een boontje gehad voor de achttiende-eeuwse literatuur in het algemeen en voor Diderot in het bijzonder, omdat je bij hem die voortdurende spanning hebt tussen hoofd en middenrif. Diderot was gefascineerd door die dubbele beweging van iets aanvoelen en het tegelijk proberen te begrijpen. In die zin staat Diderot model voor het begin van de moderniteit in de achttiende eeuw, omdat toen voor het eerst niet alleen de Verlichting en het rationele werd gepropageerd, maar ook de Romantiek en dus de wereld van het gevoel de kop opstak. In de griezelroman wordt dat conflict tussen natuur en cultuur, tussen gevoelen en verstand op de spits gedreven en soms wat overdreven en al te simplistisch gecontrasteerd. Klopt het dat de roman een product is van de opkomende burgerij in de achttiende eeuw?Van Gorp: De roman is een burgerlijk genre als je het vergelijkt met zijn voorganger, het epos. Het epos trachtte het volk een stem te geven en werd voor een kring van toehoorders voorgelezen. Die visie van een heel volk wordt in de achttiende eeuw ingeruild voor het wereldbeeld van de burger. Maar zeker in de romans die beklijven, worden de ervaringen van die burger voortdurend kritisch of ironisch becommentarieerd. Vandaag leven we in een ander tijdsgewricht, maar de roman blijft springlevend omdat zijn formule zo rekbaar is. De geschiedenis van de moderne roman begint echter niet in de achttiende eeuw maar met Cervantes in het begin van de zeventiende eeuw.Van Gorp:Cervantes staat aan de wieg van de moderne roman, omdat hij de conventies van de ridderroman en de pastorale roman doorbreekt zonder in scepticisme te vervallen. Cervantes bleef een idealist tot en met en dat zie je uiteraard in de figuur van Don Quichote. De figuur van de melancholische maar onvervaarde dromer, zoals die door Don Quichote wordt belichaamd, is eigenlijk van alle tijden. Cervantes heeft als sentimentele scepticus schrik om zich helemaal te laten gaan en neemt daarom al ironiserend gas terug. Bij alle sceptische distantie, blijft hij echter in zijn hart trouw aan zijn idealen. De sentimentele scepticus relativeert voortdurend maar neemt tegelijk toch de idealen au sérieux. Dat geldt ook voor het leven. Je moet voor jezelf waarden absoluut durven stellen, zonder ze nochtans aan anderen op te leggen. Uw lexicon is sinds de eerste versie uit 1980 nu aan een zevende druk toe. Merkt u bij studenten dat een dergelijk lexicon meer nodig is dan vroeger en dat de basiskennis van literatuur minder vanzelfsprekend is?Van Gorp: Zeker op het gebied van stilistiek en retoriek is de parate kennis van de studenten erop achteruitgegaan. Studenten weten niet meer wat een hexameter is of hebben alleen maar een vaag besef van belangrijke technische termen. Daarom dat dit lexicon ook op de historische evolutie van bepaalde literaire begrippen ingaat. Vroeger was het lexicon geconcipieerd als geheugensteuntje en nu zit er een hele cultuurhistorische achtergrond in verweven. U noemt de griezelroman "een merkwaardig randverschijnsel in de literatuur". Wat is het belang van dergelijke "marginale literatuur" voor de literatuur in haar geheel?Van Gorp: In de klassieke literatuurbeschouwing werd de griezelroman als een voetnoot beschouwd bij de romantische mainstream-productie. Het zijn echter precies deze randverschijnselen die de "serieuze" literatuur hebben gevoed en hebben gemaakt tot hetgeen ze dan is geworden. De schelmen- en griezelroman werden, zoals vele andere "lagere" genres, door de academische wereld weinig ernstig genomen. Ten onrechte, want zij waren de zweeppartijen die de zogenaamd belangrijke literatuur hebben geïnspireerd. In elke generatie heb je angry young men die door hun provocaties de literatuur vernieuwen. Wie weet vandaag nog dat op het einde van de achttiende eeuw "Der Geisterseher", een griezelroman van Friedrich Schiller, en romans van Ann Radcliffe en Matthew Lewis bestsellers waren? Alle grote romantici, zoals Byron, Keats en Shelley, hebben dat soort bestsellerliteratuur geboeid gelezen en er zich vervolgens tegen afgezet. Ook Jane Austen was gefascineerd door de gothic novel en heeft precies daardoor het populaire genre meesterlijk kunnen parodiëren. Deze beroemde romantici waren ieder op hun manier, net zoals Cervantes, sentimentele sceptici. In hun jeugd lieten ze zich meeslepen door deze griezelfantasieën, maar uiteindelijk namen ze er afstand van zonder die verbeeldingswereld echter te verraden. We kunnen dus maar beter dankbaar zijn dat dwarsliggers als Tom Lanoye en Herman Brusselmans vandaag, zoals Louis Paul Boon een halve eeuw geleden, hun ding doen. Het zijn precies hun choquerende provocaties die de literatuur van nieuw bloed voorzien. Hendrik van Gorp, "De romantische griezelroman", Garant, Leuven/Apeldoorn, 120 blz. Hendrik van Gorp, Dirk Delabastita en Rita Ghesquiere (red.), "Lexicon van literaire termen", Martinus Nijfhoff/ Wolters Plantyn, Groningen/ Deurne, 511 blz., 1295 fr.Frank Hellemans