Over de Black Demolition, een jeugdbende uit de Brusselse wijk Matonge waar vooral Congolezen leven, circuleert het verhaal dat ze geleid wordt door ex-kindsoldaten. Wrede jongemannen van wie wordt aangenomen dat ze nooit meer een normaal leven zullen leiden.
...

Over de Black Demolition, een jeugdbende uit de Brusselse wijk Matonge waar vooral Congolezen leven, circuleert het verhaal dat ze geleid wordt door ex-kindsoldaten. Wrede jongemannen van wie wordt aangenomen dat ze nooit meer een normaal leven zullen leiden. De demobilisatie van kindsoldaten is een prioriteit van grote humanitaire organisaties zoals het kinderfonds van de Verenigde Naties Unicef. Momenteel zouden er wereldwijd 300.000 jongens en meisjes jonger dan 18 worden ingezet in meer dan dertig conflicten. Er zijn kinderen van zes en zeven jaar oud bij. De inzet van kindsoldaten figureert prominent in de eerste aanklachten van het Internationaal Strafhof in Den Haag tegen Centraal-Afrikaanse krijgsheren. Maar op de jaarlijkse bijeenkomst van de American Psychiatric Association begin mei zijn onthutsende resultaten voorgesteld, die op het eerste gezicht sterk contra-intuïtief lijken: nadat ze uit het geweld zijn weggeraakt, slagen vele kindsoldaten erin om een min of meer normaal leven op te bouwen, ondanks de wreedheden die ze ondergaan, gezien of zelf bedreven hebben. Een inzicht dat geïnterpreteerd kan worden als steun voor de stelling dat de menselijke geest een enorme veerkracht heeft. De Amerikaanse psychologe Jeannie Annan onderzocht het lot van honderden kindsoldaten in Noord-Uganda, die ontvoerd waren door de wrede rebellenbeweging Lord's Resistance Army (LRA) en jarenlang verplicht werden in de rangen van dit zootje ongeregeld al dan niet gewelddadige hand- en spandiensten te leveren. Het belangrijkste verschil tussen haar werk en vorige rapporten over de psychische toestand van deze kinderen was niet alleen dat ze er meer dan een handvol bestudeerde, maar ook en vooral dat ze hun toestand vergeleek met kinderen die niet als soldaat in de oorlog waren terechtgekomen. Haar vaststellingen waren ontnuchterend. Dat de kindsoldaten aan zwaar geweld blootgesteld waren geweest, lijdt geen twijfel. Een kwart had zelfs gedood. Maar álle ondervraagde kinderen hadden van het oorlogsgeweld te lijden gehad, ook zij die niet vochten. Er kon geen enkel onderscheid gemaakt worden tussen de trauma's van kindsoldaten en van 'gewone' kinderen. Meer zelfs, de ex-kindsoldaten brachten het er na de oorlog gemiddeld beter af dan de andere. Minder dan 10 procent van de kinderen had met een vorm van posttraumatische stress te kampen. Kindsoldaten voelden zich dikwijls achtervolgd door de geesten van de mensen die ze hadden vermoord, anderen waren bang om langs plaatsen te lopen waar ze de gevolgen van geweld (zoals lijken van kennissen) gezien hadden. Minder dan 10 procent van de kindsoldaten had problemen ondervonden om zich opnieuw in hun familie en hun omgeving te integreren. Meisjes die met kinderen uit de oorlog terugkeerden, meestal omdat ze als seksslavin waren gebruikt, hadden de grootste moeilijkheden om aanvaard te worden. Maar er namen verhoudingsgewijs 22 procent meer ex-kindsoldaten dan andere kinderen deel aan een politiek referendum in hun regio. En liefst 73 procent meer kindsoldaten dan andere kinderen engageerde zich in een vredesactiviteit. Ex-kindsoldaten investeerden meer in hun gemeenschap dan andere kinderen. Interessant was dat de resultaten inzake de LRA grotendeels bevestigd werden door een langetermijnstudie van mannen in Mozambique die als kindsoldaat bij de rebellen van de Resistencia Nacional Moçambica (Renamo) gevochten hadden. Sommigen hadden 20 jaar na hun demobilisatie nog altijd last van nachtmerries, maar de meesten hadden zich probleemloos in de postoorlogmaatschappij geïntegreerd, waren getrouwd en hadden zelfs eigendom verworven. Een belangrijke praktische conclusie die uit de presentaties getrokken werd, is dat het dikwijls contraproductief is om speciale campagnes te voeren om kindsoldaten na een oorlog op te vangen. Dat wekt grote weerstand op van mensen die niet actief aan de oorlog deelnamen, en daarom niet geholpen worden. Het is véél beter om in de heropleving van gemeenschappen te investeren dan specifiek in de re-integratie van kindsoldaten. Dat laatste gebeurt blijkbaar toch vanzelf. DOOR DIRK DRAULANS