INFO : Benno Barnard zal voortaan wekelijks uit Engeland berichten op deze pagina.
...

INFO : Benno Barnard zal voortaan wekelijks uit Engeland berichten op deze pagina.Het moment waarop de ferry zich losmaakt van het vasteland om de eenentwintig mijl naar Engeland af te leggen, is een mythisch tijdstip, een klok die slaat in mijn vroegste herinneringen, een siddering die door een kolossale hoeveelheid ijzer gaat, talloze malen herhaald, altijd identiek gebleven: een ritueel uit mijn persoonlijke bijgeloof, waarvan de belangrijkste leerstelling luidt dat Engeland een geweldig land is. Bij de afvaart hoort aan dek staan, het beetje dek dat de rederij heeft opengelaten op dit drijvende stuk overconsumptie, dat een aanfluiting van de Herinnerde Boot is - en nu kun je het cartesiaanse, heldere, nabije Frankrijk en zijn witte overkant tegelijkertijd zien. Intussen dalen je gedachten de trap af naar Car Deck 5, Red, waar je auto meereist, door Joy en jou volgepropt met kleren, boeken, speelgoed en dozen vol troep, en een soort autonome paniek sist dat je behoorlijk wat kunt vergeten als je voor een jaar afreist. Er waait een zwakke oostenwind. Voltaire beweert ergens dat de Engelsen van de oostenwind melancholiek worden en zich in november en maart met dozijnen tegelijk ophangen. Daar heb ik nooit iets van gemerkt. Weliswaar werd Karel I bij oostenwind onthoofd en Jacobus II bij oostenwind afgezet, maar dat was voor mijn tijd. Nu begint de boot zijn steven naar de overkant te wenden, naar de geruststellende aanblik van de witte klippen, opaalkleurig in het septemberzonlicht, dat zich vanachter fantastische wolkenformaties op het kalksteen bij Dover stort. In deze passage gaan vele andere passages schuil, om te beginnen die van mijn verwekker, die kort na de oorlog Engeland ontdekte en daarbij, zodra hij voet aan wal zette, door de eilandbodem werd geëlektriseerd: met grote stelligheid besloot hij dat ons geslacht hier vandaan kwam, dat hier de etymologie van onze eigenaardige familienaam gezocht moest worden - dat ene secondefragment in 1948, zes jaar voor mijn geboorte, was de kiemcel van mijn intieme mythe, het verhaal dat mijn leven draagt. Sinds mijn puberteit vertel ik mezelf dat wij atavistische Engelsen zijn, waarmee ik overigens geen mensen met een bolhoed en een geremd gevoelsleven bedoel: dat zijn Gallische karikaturen, geboren uit onbegrip en afgunst. Het gaat over datgene wat ik niet spelen kan: de ervaring dat er een Engelsheid bestaat die met de essentie van mijn karakter overeenkomt. Natuurlijk heb ik een hekel aan andere anglofielen. Engeland is Barnardland. O die onuitstaanbare Pickwick Club van gepensioneerde leraren Engels! Ze vinden John Cleese geestig en wit fabrieksbrood met komkommerschijfjes zalig; en thuis in Sint-Katelijne-Waver tillen ze de theemuts zo schroomvallig van de theepot, alsof ze het warme onderlijf van koningin Victoria ontbloten. En dan zwijg ik nog van die irritante gewoonte om in hun gedweep met de Angelsaksische literatuur de inferioriteit van de Nederlandse te beklemtonen. Mijn eigen anglofilie is tot op zekere hoogte eigenliefde, en die is nooit onvermengd. Ik heb trouwens een objectieve afkeer van alle verwerpelijke aspecten van de Engelse samenleving. Dat zijn er nogal wat, zoals algemeen bekend. De publieke gezondheidszorg is weliswaar gratis, maar gegeven de kwaliteit ervan is dat nog aan de dure kant. Het bejaarde echtpaar George en Gertrude Bates stierf in de koude winter van 2003 doordat British Gas de toevoer had afgesneden, vanwege een openstaande schuld van 140 pond. Het spoorwegnet verkeert in een deplorabele toestand en de treinen zijn onbetaalbaar. Scholieren volgen jarenlang Franse les, maar zijn op hun achttiende niet in staat om zich aan de overkant van het Kanaal voor te stellen. Engeland zelf, Schotland en Wales niet meegerekend, is vier keer zo groot als België, verrassend klein eigenlijk. Er wonen vijftig miljoen mensen: het is dus dichter bevolkt dan België en bijna even dicht als Vlaanderen. Dankzij het Engelse genie voor ruimtelijke ordening zou je dat niet zeggen. En Engeland is enorm veel groter als je de maritieme expansie meerekent, want nog meer dan zijn bodem heeft het de zee in cultuur gebracht. En om de zee heen, op alle kusten van de wereld, ligt het grootste van alle Engelanden, dat van de taal, die het overal heeft achtergelaten, het imperium van de woorden. Onmetelijk zijn de kringen die deze steen in Gods vijver heeft gemaakt. Ik, afkomstig van het schiereiland Europa, opgegroeid in het besef van de donkere bossen in het oosten en de eindeloze, met berken geritmeerde vlakte daar weer achter - ik vroeg mijn vriend Martin Writer, een eerzaam huisarts, of we ons na onze aankomst niet binnen enkele dagen op het gemeentehuis moesten aanmelden. 'Nooit! Ben je gek. Ze vinden je heus wel', luidde zijn antwoord. In zijn stem beluisterde ik abyssaal onbegrip; ik was onmiskenbaar bereid me aan Napoleon te onderwerpen. De witte klippen groeien gedurende anderhalf uur. Ik tuur naar het havenhoofd van Dover, met die smalle opening waar de ferry altijd maar net doorheen lijkt te kunnen, wat het aankomen in mijn contemporaine brein iets freudiaans geeft. Maar ook het schip is vrouwelijk, een she, en op de koop toe Victoriaans, zodra ik tegen Joy spreek tenminste: ' What time did we sail again?' Ik zet mijn horloge een uur terug. Ik snap niet dat iemand uit vrije wil de Chunnel neemt, die een scheiding in de vorm van een verbinding is. In het ruim draai ik mijn raampje open. Teer, zout, antieke scheepsgeuren, de Engelse kade, mijn vader die een kruier zoekt... maar Joy ruikt alleen maar uitlaatgassen, niet die hysterisch-homoseksuele onzin van Proust. Een matroos in een geel fluorescerend vest ontscheept ons met grote theatergebaren. Een hogedrukgebied verwelkomt ons. Benno Barnard