Je kunt rustig genieten van de stilte van de natuur tot je vriend je aandacht vestigt op het storende geluid van de auto's op een verre autosnelweg. Plotseling spitst je aandacht zich toe op een bepaalde prikkel die je oor bereikt. Je wilt er echt naar luisteren. Je concentreert je op dat geluid, je legt een relatie tussen je aandacht en die welbepaalde prikkel.
...

Je kunt rustig genieten van de stilte van de natuur tot je vriend je aandacht vestigt op het storende geluid van de auto's op een verre autosnelweg. Plotseling spitst je aandacht zich toe op een bepaalde prikkel die je oor bereikt. Je wilt er echt naar luisteren. Je concentreert je op dat geluid, je legt een relatie tussen je aandacht en die welbepaalde prikkel. Om iets grondig te studeren, moet je ook een relatie leggen tussen je aandacht en de leerstof. Je wilt die echt in je opnemen. Er zijn verschillende vormen van concentratie. Je kunt een indeling maken, afhankelijk van allerlei criteria. Die criteria kunnen zijn: de intensiteit (van veel en sterke tot weinig en zwakke aandacht), de nauwkeurigheid (diepgaande tot oppervlakkige aandacht), de beweeglijkheid (op een vast punt gericht, zich in het rond verspreidend) of het aangesproken kanaal (visuele aandacht, auditieve aandacht en zo meer). Een normaal ontwikkeld kind heeft voldoende stimuli gekregen voor de meeste vormen van concentratie, maar toch is de ene vorm al beter ontwikkeld dan de andere. Om een bepaalde taak uit te voeren zijn er meestal verschillende soorten concentratie noodzakelijk. Iedere leerling gebruikt de vormen van concentratie die voor hem/haar het best geschikt lijken en die zijn/haar voorkeur wegdragen. Leerlingen met concentratiemoeilijkheden kunnen zich niet goed, niet lang of niet intensief genoeg concentreren. Het is mogelijk dat de geschikte vorm van concentratie wel ontwikkeld is, maar dat het om een of andere reden op een bepaald ogenblik niet lukt. We spreken dan over concentratiebelemmering. De reden van zo'n belemmering kan bij de leerling te vinden zijn (ziekte, emotionele redenen), bij de taak of de leerstof (te saai, te druk) of misschien ook bij de omgeving (lawaai, ongezelligheid, te warm of te koud). Een concentratiestoornis heb je als de nodige vorm van concentratie niet goed ontwikkeld is. De leerling gebruikt een onaangepaste vorm en kan niet overschakelen naar de juiste vorm van concentratie. Zich niet lang genoeg kunnen concentreren is een veel voorkomende stoornis. Na verloop van een te korte tijd stelt de leerling zich open voor andere prikkels. Zeker als een leerling zich niet vrijwillig concentreert, is de aandachtsduur - de spanningsboog - soms kort. Voortdurend afgeleid zijn is ook een concentratiestoornis. Tijdens de volledige duur van de spanningsboog is er een vatbaarheid voor allerlei prikkels. De leerling let wel op, maar is afgeleid door elk geluid of iedere beweging in de klas. Een leerling kan ook inefficiënt werken. Deze derde soort concentratiestoornis treedt vaak op als de leerling de juiste concentratievorm niet vindt. Hij werkt snel en oppervlakkig als een grondige benadering noodzakelijk is, of hij verdrinkt in de details als een globale aanpak nodig is. Om een taak uit te voeren of een stuk leerstof te studeren, kun je er zelf voor zorgen dat je concentratie zo optimaal mogelijk is. Vaak zijn het kleine dingen die het werk makkelijker maken. - Onderzoek op welke tijdstippen van de dag je het best kunt studeren. - Hou je aan de geplande tijdsindeling en las rustpauzes in. - Zorg dat vervelende geluiden gedempt worden. Dat kan soms via achtergrondmuziek, maar let op, want dikwijls vormt die zelf een belemmering. - Leg op je bureau enkel dingen die met je studie te maken hebben. - Kies voor een plaats met zo weinig mogelijk afleiding. Als er avondstudie op school bestaat, is die misschien geschikter dan een gezellige kamer vol afleiding thuis. - Realistische verwachtingen (die sluiten teleurstelling uit) en een degelijke motivatie zijn sterke elementen voor een goede concentratie.