De Vlaamse Gemeenschap werkt al jaren aan de uitbouw van een collectie actuele kunst. In oorsprong was het officiële Vlaamse kunstenbeleid verzuild, levensbeschouwelijke evenwichten dienden te worden bewaard en de aankoop van kunstwerken weerspiegelde deze op regionale leest geschoeide instelling. Zo resulteerde het beleid de facto in een quasi willekeurige, verbrokkelde en inconsequent opgebouwde verzameling die een verkapte vorm van subsidiëring van kunstenaars diende. De recente tendens naar verzakelijking en professionalisering die het beleid van de Commissie Beeldende Kunst nu al enkele jaren in haar vaandel voert, brengt daar verandering in.
...

De Vlaamse Gemeenschap werkt al jaren aan de uitbouw van een collectie actuele kunst. In oorsprong was het officiële Vlaamse kunstenbeleid verzuild, levensbeschouwelijke evenwichten dienden te worden bewaard en de aankoop van kunstwerken weerspiegelde deze op regionale leest geschoeide instelling. Zo resulteerde het beleid de facto in een quasi willekeurige, verbrokkelde en inconsequent opgebouwde verzameling die een verkapte vorm van subsidiëring van kunstenaars diende. De recente tendens naar verzakelijking en professionalisering die het beleid van de Commissie Beeldende Kunst nu al enkele jaren in haar vaandel voert, brengt daar verandering in. De Vlaamse Gemeenschap tracht nu kwaliteitswerk aan te kopen van kunstenaars die ook op internationaal vlak betekenisvol kunnen zijn. Daarmee is het uitzicht van de collectie actuele kunst van de Vlaamse Gemeenschap drastisch veranderd. De lokale reflex - waarmee men vroegere aankopen al eens durfde te omschrijven - is grotendeels weggevallen. De huidige collectie, die van relatief hoog niveau is, wordt vandaag ook graag in het buitenland getoond. Tal van initiatieven werden de afgelopen jaren genomen om er de "Vlaamse kunst" bekend te maken en te promoten. Het uitwisselingsprogramma tussen Vlaanderen en Catalonië was daarvan een voorbeeld. Dit jaar werd een ander initiatief genomen. Uit de collectie van de Vlaamse Gemeenschap werd door curator Yves Aupetitallot van het Centre National d'Art Contemporain de Grenoble - Magasin - een selectie gemaakt. Ze wordt vandaag in de stad aan de voet van de Alpen getoond. Een tweede keuze uit de werken wordt de komende maanden gemaakt door Jan Hoet. Ze wordt deels in Brugge, deels op het eiland Giudecca - in het kader van de Biënnale van Venetië - voorgesteld. Yves Aupetitallot brengt de Vlaamse kunst in Grenoble naar voren onder de titel "La consolation". "La consolation" verwoordt het gelaagde gevoel "troost", gelaagd omdat het zowel positieve als negatieve facetten herbergt, omdat het eigen is aan de dubbelheid van het leven zelf, en de actuele kunst meer dan ooit een verbeelding van dat leven aankaart. Maar de term troost lijkt een gemakkelijk en eigenlijk weinig terzake doend etiket. Het woord is zo vaag dat haast elk kunstwerk onder die noemer is onder te brengen. Het troostgehalte kan daarom bezwaarlijk als selectiecriterium voor deze tentoonstelling naar voren worden gebracht. Bij een zoektocht naar een alternatief criterium kom je al snel tot de vaststelling dat hier niets meer of minder dan een persoonlijke voorkeur van de curator - al dan niet bijgestaan door andere invloedrijke figuren - de keuze op een inconsequente wijze heeft bepaald. Een aantal zeer recente en wellicht ook tijdelijke tendensen zijn daarbij voelbaar. Sommige kunstenaars zoals Luc Tuymans (die op de expositie vertegenwoordigd is met tekeningen, een fotoreeks en enkele schilderijen) of Jan Vercruysse krijgen een kleine overzichtstentoonstelling. Anderen worden eerder stiefmoederlijk behandeld zoals Lili Dujouri, wier statig werk in een overvolle zaal helemaal lijkt te verdwijnen, terwijl een gehurkte zwarte vrouw van Jan Van Oost in een hoekje zit te verkommeren. IETS MET TEXTIELDoor de beschikbare plaats op die manier in te vullen, velt men natuurlijk meteen ook een waardeoordeel. Dit alles is volstrekt legitiem maar heeft behoefte aan een degelijke verantwoording en logische consequentie, zoniet gaat het op willekeur lijken waarmee noch de gevierde, noch de misdeelde kunstenaars gediend zijn. Grenoble toont te veel werk op een te kleine plek, de werken versterken elkaars betekenissen niet, noch gaan ze een dialoog of vraagstelling aan. Ze hangen naast elkaar mooi te wezen, als paradepaardjes of kandidaten voor een missverkiezing die elkaar verdringen voor het oog van de camera. Het kleine "historische" luik van de expositie is helemaal vreemd. Daar werd gekozen voor kunstenaars die "iets met textiel doen". Het werken met textiel is bij geen van de opgenomen kunstenaars kenmerkend voor hun oeuvre. Er wordt een beschilderd tapijt van Wim Delvoye getoond, een vroeg werk dat de gekke begeestering van het volgroeide werk al laat doorschemeren, maar al bij al toch weinig representatief is voor de kwaliteit van Delvoyes oeuvre. Van Dan Van Severen werd eveneens een beschilderd textiel gekozen. Het geheel wordt aangevuld met een wandtapijtje uit 1928 van Edgar Tytgat. Misschien wil Aupetitallot een verwijzing maken naar de florerende tapijtweverijen die hier te lande ooit weldadig bloeiden. Daarna komt een eigenlijk best interessant facet aan bod: de vergankelijkheid van de kunstenaarsroem en de vraag naar de tijdsbestendigheid van kunstwerken die vandaag worden geproduceerd. Op deze kwestie wordt in de begeleidende catalogustekst, geschreven door Bart Verschaffel en Rudi Laermans, op indringende wijze ingegaan. Het gegeven had misschien kunnen leiden tot een diepgaand onderzoek van de collectie van de Vlaamse Gemeenschap en heel wat kleine, vergeten maar misschien toch betekenisvolle werken naar boven kunnen halen om ze te confronteren met wat we vandaag kwaliteitswerk noemen. Aupetitallot beperkt zich hier tot een voorbeeld. Hij confronteert een strandhutje van de vergeten schilder Pierre Devos met een werk van Ensor dat hetzelfde thema verbeeldt. DE FINALITEIT VAN HET VERZAMELENIn een volgende zaal worden "the best off" getoond, werk van Panamarenko en Broodthaers dus, gevolgd door veel kleinere goden als Philippe van Snick, de ondergewaardeerde Raoul De Keyser en het haast vergeten werk van Guy Mees. Daarna komt de nieuwe lichting met opvallend veel aandacht (en ook dat is tendentieus) voor het werk van Gert Verhoeven en Peter Rogiers. Vervolgens komen de groten van het moment aan de beurt, Tuymans, Vercruysse, De Cordier en Fabre. Hun werk wordt in aparte zaaltjes getoond. Geheel uit de lucht komt tot slot nog een installatie van Honoré d'O gevallen, hij vertegenwoordigt de jongste en meest gedurfde strekking in het aankoopbeleid. Het op een dergelijke manier bijeensprokkelen van kunstwerken wordt door de filosofen Verschaffel en Laermans in de catalogus als volgt omschreven: "Tegelijk werkt het ongewilde en ongemakkelijke groeperen van de 'geïnternationaliseerde' kunst, die zich losmaakt van het lokale zonder werkelijk Elders terecht te komen, als een spiegel. Wat die kunst overkomt, is niet alleen typisch voor kunst in Vlaanderen, of alleen voor de beeldende kunst, maar is het lot van zowat alle cultuurproductie. Voor zowat iedereen die de kunst van zijn eigen tijd au sérieux neemt, geldt, niet dat er geen identiteit of oorsprong is, maar wel dat men er niet veel meer mee kan beginnen, en er ook geen weg mee weet." Deze kwestie stelt uiteindelijk de belangrijke vraag naar de finaliteit van het verzamelen, door de Vlaamse Gemeenschap maar ook door elke andere verzamelende instantie. De Vlaamse overheid stelt een deel van haar collectie ter beschikking van een aantal Vlaamse musea, waar het werk volgens de regels van de kunst aan het publiek moet worden getoond en door "goede huisvaders" moet worden bewaard. Vooral dit laatste aspect, de conservering van kunst, roept een aantal indringende vragen op. De geselecteerde kunstwerken worden uit de markt gehaald en definitief openbaar bezit. De vraag hoe men de werken moet bewaren, documenteren en archiveren werd door het beleid pas onlangs gesteld. Zo blijkt uit de onderzoeksopdracht die de Vlaamse Gemeenschap vorig jaar uitbesteedde en waarvan de onderzoeksresultaten vorige week bekend werden gemaakt, dat het behoud en beheer van actuele kunst in ronduit erbarmelijke omstandigheden gebeurt, dat er geen documentatie voorzien is voor de opbouw van installaties en dat met andere woorden de opstelling van een kunstwerk met het leven of engagement van de kunstenaar valt of staat. De kunstwerken die onder meer voor dit soort van exposities vanonder het stof moeten worden gehaald, zijn dikwijls in zeer slechte staat, ook al zijn ze pas enkele jaren oud.PARTITUREN EN PERSONEELDe vergankelijkheid die zo tekenend is voor veel hedendaags werk, slaat onherroepelijk toe. Maar niet alleen de snelle aftakeling van de werken is een feit, richtlijnen voor de opstelling zijn onvindbaar. Een jonge kunstenaar als Honoré d'O kan nog de tijd en het geduld opbrengen om telkens weer zijn installatie minutieus op te bouwen, maar dat is voor andere kunstenaars die al verder staan in hun carrière niet meer zo vanzelfsprekend. Zo kon op de opening van de expositie in Grenoble het werk "Tv Quizdecor" (1993) van Guillaume Bijl, een werk dat nochthans bewaard wordt in de depots van het Muhka, niet getoond worden aan het publiek. Gebrek aan vaste richtlijnen maken dat slechts een enkele technicus en de kunstenaar zelf de opstellingsproblemen - op basis van herinnering - de baas kunnen. Wat gebeurt er als de technicus ander werk zoekt? Of als de kunstenaar er niet meer is? Dan verdwijnt het oorspronkelijke werk onherroepelijk. Dergelijke fundamentele problemen moeten door de Vlaamse Gemeenschap onder ogen worden gezien, zo stelt het rapport "Beheer Hedendaagse kunst". Jan Vermassen poneerde op het slotdebat dat uit het recent gepubliceerde onderzoek ook werkelijk lessen zullen worden getrokken en men zo snel mogelijk een aantal aanbevelingen zal opvolgen. Dat moet nu gebeuren, want elke dag die verloren gaat, is er volgens de onderzoekers een te veel. Zowel voor de musea, waar veel werk van de Vlaamse Gemeenschap in terechtkomt, als voor de bewaring in de eigen depots moeten de budgetten opgedreven worden en zogenaamde "partituren" worden opgesteld die de aankopen grondig documenteren en beschrijven. Wanneer dit niet gebeurt, zal - nog volgens de onderzoeksleden - onherroepelijk de praal van de verzameling verloren gaan. Heeft men op de inherente kwaliteit en internationale overlevingskansen van de kunstwerken op lange termijn weinig of geen controle, een goede conservering van de werken zou men met hulp van geschikt en betaald personeel en mits een goed doordachte visie in elk geval wel moeten kunnen beheersen."La Consolation", een keuze uit de verzameling van de Vlaamse Gemeenschap, tot 15 mei. Magasin, Centre d'art contemporain de Grenoble, 155 cours Berriat, Grenoble. Tel.: 00.33.4.76.21.95.84.Els Roelandt