Informatie over de eerstelijnszorg (huisarts, 'spoed') is belangrijk, niet omdat die de grootste hap uit het gezinsbudget neemt, maar omdat het de gezondheidszorg is waarmee de Belg het vaakst in contact komt. Daarom is het nuttig te weten welke elementen de kosten van de eerstelijnszorg beïnvloeden.
...

Informatie over de eerstelijnszorg (huisarts, 'spoed') is belangrijk, niet omdat die de grootste hap uit het gezinsbudget neemt, maar omdat het de gezondheidszorg is waarmee de Belg het vaakst in contact komt. Daarom is het nuttig te weten welke elementen de kosten van de eerstelijnszorg beïnvloeden. In de eerste plaats is er het statuut van de arts: geconventioneerd (verbonden) of geaccrediteerd ( zie kader). Verbonden artsen hanteren vaste tarieven, niet-verbonden huisartsen - momenteel bijna 12 procent - bepalen zelf hun honorarium. Beter vooraf informeren dus bij deze laatste categorie. Daartussen zweven de gedeeltelijk verbonden artsen, die de vaste tarieven alleen op bepaalde dagen en uren hanteren. Verbonden artsen zijn verplicht hun statuut te afficheren in de wachtzaal, maar weinigen doen dat. Om duidelijkheid te krijgen, kan de patiënt gewoon aan zijn arts vragen of hij verbonden is, of informeren bij het ziekenfonds. Geaccrediteerde artsen mogen dan weer een iets hoger honorarium vragen dan hun collega's, omdat ze zich bijscholen. Voor de patiënt maakt het geen verschil in het remgeld, omdat het ziekenfonds het verschil bijpast. Ook het statuut van de patiënt beïnvloedt een honorarium. Sommige sociale groepen, zoals de WIGW (weduwen, invaliden, gepensioneerden en wezen), hebben recht op een verhoogde tegemoetkoming van de ziekteverzekering. Daarnaast mag voor sommige 'beschermde sociale categorieën' - zoals mensen die het met een leefloon moeten zien te redden, WIGW's, sommige langdurig werklozen - de derdebetalersregeling worden toegepast. Hierbij rekent een arts rechtstreeks af met het ziekenfonds en moet de patiënt bij een raadpleging alleen het remgeld betalen. Ook 'gewone' mensen, die niet in een bijzondere categorie thuishoren, betalen minder als ze een 'Globaal Medisch Dossier' (GMD) hebben bij hun huisarts. Sinds 1 mei kan iedereen een GMD openen, voordien konden alleen chronisch zieken en ouderen zich daarvoor inschrijven. In het GMD verzamelt de huisarts allerlei gegevens over een patiënt, zodat hij hem gericht kan volgen en een overzicht krijgt van het ziektepatroon. De patiënt betaalt de arts eenmaal per kalenderjaar 15,06 euro om het dossier te openen - een bedrag dat het ziekenfonds volledig terugbetaalt - en vanaf dan betaalt hij 30 procent minder remgeld bij elke raadpleging. Tijd en plaats zijn eveneens doorslaggevende elementen. Een patiënt betaalt aanzienlijk méér voor een huisbezoek als de huisarts wordt opgeroepen tijdens het weekend of de nacht... Alle statuten en uitzonderingen samen zorgen voor een onoverzichtelijk kluwen van basishonoraria. Als een patiënt vermoedt dat hij te veel heeft betaald of dat zijn arts hem onheus heeft behandeld, kan hij voor advies en bijstand altijd terecht bij de juridische dienst van zijn ziekenfonds. De eerstelijnszorg omvat, naast de huisartsen, ook de spoeddiensten van ziekenhuizen. In theorie is 'de spoed' bedoeld voor mensen die dringend medische hulp nodig hebben. In de praktijk komen er veel personen terecht die door een huisarts konden worden geholpen. Meestal komen zij naar de spoedgevallendienst omdat die de klok rond beschikbaar is en de factuur pas een aantal weken na de verzorging wordt opgestuurd. De toevloed van 'onterechte' spoedpatiënten overbelast de dienst en weegt zwaar op de ziekteverzekering. Om een spoedopname minder aantrekkelijk te maken, vragen sommige ziekenhuizen een forfait aan ambulante patiënten, een werkwijze die nog niet helemaal wettelijk geregeld is. Wie via een ambulance 'de spoed' binnenkomt, moet daarvoor betalen. Dat bedrag kan snel oplopen, terwijl de terugbetaling beperkt is. Voor vervoer opgeroepen via het centrale noodnummer 100, betaalt de patiënt een forfait van 47,84 euro per rit, vanaf 11 kilometer komt daar 4,71 euro per kilometer bij, vanaf 21 kilometer is dat 3,72 euro per kilometer. Bij dat bedrag kunnen nog allerlei extra's worden aangerekend, voor het oproepen van een arts bijvoorbeeld, of voor de prestaties die worden verricht. Wie thuis onwel wordt, belt het best de ambulancedienst waarmee zijn ziekenfonds een overeenkomst heeft afgesloten. Bel je de 100, dan krijg je geen tussenkomst. Bij privé-ambulances en aanverwant ziekenvervoer is er geen regelgeving over de tarieven. Uitkijken dus. Gratis naar de huisarts, dat kan ook, al doet maar één procent van de Belgen een beroep op de forfaitaire geneeskunde (abonnementsgeneeskunde). Hierbij schrijft een patiënt zich in bij een forfaitair werkend wijkcentrum of een artsenpraktijk, waarvoor hij soms een klein bedrag betaalt. Vanaf de inschrijving moet een patiënt niets betalen voor een raadpleging of huisbezoek, wel voor medicatie en verzorgingsmateriaal. De centra hebben doorgaans ook kinesitherapeuten en verpleegkundigen in dienst, die eveneens gratis te raadplegen zijn. In ruil voor de gratis zorg gaat de patiënt minstens drie maanden alleen maar naar zijn centrum voor doktersbezoek. Het centrum krijgt van het RIZIV per ingeschreven patiënt maandelijks een bepaald bedrag uitgekeerd. Het centrum krijgt elke maand dat forfaitaire bedrag per patiënt, ook al komt die patiënt niet langs voor verzorging. De forfaitaire geneeskunde heeft er dus alle belang bij om haar patiënten zo gezond mogelijk te houden, wat haaks staat op de algemene prestatiegeneeskunde, waar artsen pas verdienen wanneer hun patiënten ziek zijn. Forfaitaire geneeskunde staat los van de meer bekende 'Geneeskunde voor het Volk', dat groeide in de schoot van de PVDA. Die geneesheren werken tegen terugbetalingstarief, zodat de patiënt het betaalde bedrag volledig terugkrijgt van de ziekteverzekering. Recentelijk hebben veel praktijken van 'Geneeskunde voor het Volk' zich wel aangesloten bij het systeem van forfaitaire geneeskunde. Bij de eerstelijnszorg vormen de kosten voor medicatie de grootste hap. Belgen behoren tot de Europese top inzake medicijnenverbruik. Artsen schrijven vrij snel medicatie voor, en bovendien verwacht de patiënt dit ook, omdat hij hierdoor het snelst geneest. Voor vele vaak dure geneesmiddelen bestaan goedkopere alternatieven, de zogenaamde generische geneesmiddelen en kopieën. Generische medicamenten zijn goedkope versies van medicijnen waarvan het patent verlopen is, kopieën zijn medicijnen die nog tijdens het patent, met toestemming van de oorspronkelijke producent, op de markt gebracht worden. Het prijsverschil is soms groot. Een voorbeeld: het slaapmiddel Loramet (2 mg) kost op jaarbasis 172,38 euro, de generische variant Lormetamed (2 mg) komt op 89,57 euro per jaar. Op de webstek van het RIZIV en de grote ziekenfondsen zijn de prijzen van geneesmiddelen te vergelijken. Op 1 juni 2001 voerde de overheid het systeem van referentieterugbetaling in, om het voorschrijven van goedkopere geneesmiddelen te stimuleren. Sindsdien worden geneesmiddelen waarvoor een goedkoper alternatief beschikbaar is, minder terugbetaald door de ziekteverzekering. Het nieuwe systeem werpt vruchten af: sinds de lancering van het nieuwe systeem - met bijbehorende sensibilisatiecampagne - steeg de verkoop van generische geneesmiddelen opmerkelijk. Toch ligt het verbruik relatief laag. Artsen worden immers zwaar 'bewerkt' door de farmaceutische industrie, die hen aanport om merkmedicatie voor te schrijven. Bovendien bestaat nog veel koudwatervrees bij het publiek voor de goedkope medicijnen, deels omdat de traditie ontbreekt en deels omdat men vermoedt dat een goedkoper product minderwaardig is. Lieve Reynebeaugratis naar de arts, dat kan ook.